Als verdoofd zit ik op het terras, in mijn favoriete leunstoel. Ik heb mezelf voor de tweede maal ingeschonken, een dubbele whisky, met ijs, wat kan mij het schelen, het is bloedheet.
Wat heb ik de pest in, wat voel ik me rot, verloren van een of andere onbenul, buitengewoon jong talent noemen ze zoiets, het is verdomme niet eerlijk.
“Schat, kom je eten?”
Rot op, wil ik roepen, laat me met rust!
“Laat me maar. Ik kom zo… misschien.”
Een voelbare spanning, daarna dreiging en tot slot een diepe zucht, hij geeft het op en draait zich mismoedig om.
Woedend kom ik overeind, ik laat niet zomaar met me sollen! Is hij nu helemaal, heb ik me dáárvoor uitgesloofd?
Ik zie het verbaasde gezicht van mijn vriend als ik hem voorbij stuif. Hij roept iets, maar ik zit al in mijn Fiat en rijd met gierende banden weg.
Hé, ik moet vaker whisky drinken, ik race over de weg, haal iedereen in, zelfs de politie heeft het nakijken. Rood licht, ik word geflitst, who cares, dan maar een vette bon.
Ik voel me sterk, ik ga die vent de waarheid vertellen, recht in zijn smoel. Hij zal tegensputteren, mij proberen te kalmeren, paaien zelfs, maar ik zal hem geen enkele kans geven, ik ga hem afbekken, heel klein maken, het is zijn verdiende loon.
Eindelijk, ik ben er. Neonletters dansen voor mijn ogen, is dit de studio? Een dikke portier wil mij tegenhouden, maar één klap is genoeg.
Ik weet precies achter welke deur hij zit, daarachter hoor ik zijn lijzige stem. Er brandt een felrode lamp boven, maar ik laat me door niets tegenhouden, ik heb nergens respect voor. Als ik de deur opentrap, geniet ik van zijn verschrikte uitroep en zijn doodsbange ogen. Hij probeert weg te duiken, maar ik zit met één sprong boven op hem. Langzaam hef ik mijn gebalde vuist …
“Liefje, word eens wakker?”
Mijn vriend neemt mijn glas over, strijkt liefdevol over mijn bezwete voorhoofd, drukt een zachte kus op mijn lippen…
“Ik houd van je, dat weet je toch?”