Zoals we naast elkaar in de trein zaten, zo kon ik wel uren blijven zitten. Het groene landschap denderde zonder te veranderen voorbij als één groene streep, razend door mijn op dat moment uit het hele kleurenspectrum bestaande bestaan.
Nou had ik sowieso altijd al een zwak voor treinreizen; ik vond het altijd heerlijk om tegen de ruit te zakken en wat weg te suffen. Sterker nog, trein rijden had voor mij bijna een poëtische lading , en uiteraard werd dit door haar aanwezigheid alleen maar versterkt. We zaten in een tweezitter, en zij zat met haar knieën opgetrokken tegen de rug van de stoel voor haar, en ik aan het raam. Een beetje verveeld zat ze met haar vingers kringetjes te draaien in de bekleding.
“Wanneer komt die restauratiekar nou eens langs…” merkte ze een beetje zeurderig op, en op het zelfde moment hoorde ik met een luide smak de deur aan de andere kant van de coupe opengaan.
“Daar zul je hem net hebben…”
Met twinkelende ogen beantwoorde ze mijn constatering , en ze begon vluchtig haar portemonnee te zoeken.
“Zeg het maar!”
We keken tegelijk op naar het verveelde gezicht van de verkoper, die direct al irritatie bij mij opwekte. Snel keek hij X even aan, en vervolgde daarna zijn onverschillige blik naar buiten. Wist hij godverdomme wel waarin hij zojuist keek? Geïrriteerd keek ook ik nu naar buiten. X leek zich nergens van bewust, of was waarschijnlijk minder snel geneigd zich van zoiets iets aan te trekken.
“Goedemiddag meneer, zou ik een van dié mogen, en twee daarvan?” zei ze uiterst beleefd en opgewekt. Zonder te antwoorden griste hij datgene wat X aanwees uit het karretje. Gretig pakte ze het aan.
“Drie vijftig!” zei de verkoper kordaat en monotoon. Dat je zoiets wonderlijks met zulke onverschilligheid kan behandelen, dacht ik bitter.
“Pff, wat een chagrijn zeg…”
Ze antwoordde niet eens, en was druk bezig met het openscheuren van de verpakking. Ze oogde ineens een stuk meer tevreden en kauwde voldaan.
“Hoe lang moeten we eigenlijk nog?”
“Nog vijf stations geloof ik” zei ik, en tegelijkertijd baalde ik dat het er nog maar zo weinig waren. Ze slaakte een tevreden zucht en keek dromerig uit het raam. Vaak als we in de trein zaten kwam het voor dat we niks tegen elkaar zeiden, niet zozeer uit gebrek aan gesprekstof, maar meer omdat we het gewoon wel prettig vonden om naar buiten te turen.
Nadat we Amersfoort waren gepasseerd waren er veel plaatsen vrij gekomen. Schuin tegenover ons zat nog een stel van middelbare leeftijd, wie ik nog geen woord tegen elkaar had horen zeggen, en de reden daarvan scheen mij minder vreedzaam toe dan de onze; geregeld keek de vrouw geïrriteerd op naar de man als deze zijn keel schraapte. Ergens achter in de coupe hoorden we uitgelaten gekwetter van kleine kinderen, en daarop weer een tot kalmte manende stem van de schijnbaar aanwezige moeder.
We reden langs een in het oog springende autosloperij en keker er allebei geïnteresseerd naar, waarna ze me schaapachtig toelachte. Ik glimlachte terug, en in mijn gedachten gaf ik haar een kus op haar voorhoofd.
Alsof ze mijn gedachten gelezen had, legde ze plotseling haar hoofd op mijn schouder. Ik voelde haar haar prettig in mijn nek kriebelen. Er ging een extatische schok door me heen, die weldra verdween en plaats maakte voor een heerlijk, ontspannen gevoel. Ik wist niet helemaal wat ik met de situatie aanmoest , en aaide haar maar eventjes. Ze sloot haar ogen en slaakte nogmaals een zucht, en ik meende, of hoopte, er iets van verlichting in te horen.