quote:
Detroit staat weg te roesten
2006 was een rampjaar voor Ford. Ook de twee andere grote Amerikaanse autoproducenten, General Motors en DaimlerChrysler, zitten diep in de problemen. En dat voelen ze in 'motor city' Detroit in Michigan. Op de jaarlijkse autoshow, begin januari, probeerden de bedrijven tevergeefs de buitenlandse concurrentie voor te blijven.
Een gure wind blaast het vuil van de straten van Dearborn. Het is koud, maar sneeuw is er nog niet. Het stadje onder de rook van Detroit lijkt niettemin uitgestorven. Natuurlijk, op Michigan Avenue rijdt het verkeer af en aan langs de grote showrooms van Ford, Mercury en Lincoln. Maar in het kleine winkelcentrum voorbij het kruispunt is haast niemand te bekennen.
Vakbondsman en patroon: één dure strijd voor zelfbehoud.
Binnen, ja, daar wel. Bij het lokale filiaal van Starbucks warmt een groepje middelbare mannen zich aan immense bekers koffie. Het kost weinig moeite om het gesprek over een sportwedstrijd van de avond voordien op de deplorabele staat van de auto-industrie te brengen. Want Dearborn, het stadje waar de drie bijna hun leven lang gewoond hebben, is voor álles verbonden met die bedrijfstak. En dan vooral met één merk. 'Dearborn is Ford en Ford is Dearborn', zegt een van de mannen.
Het was hier in Dearborn dat Henry Ford, de legendarische oprichter van de Ford Motor Company, in 1927 de fabriek River Rouge opende, het paradepaardje van zijn onderneming. Het was destijds de grootste fabriek ter wereld: aan de ene kant van het terrein werden per zeeschip ijzererts, hout en rubber aangevoerd, aan de andere kant rolden de Ford Model A's met honderden per dag van de lopende band. Tienduizenden mensen trokken van alle uithoeken van de Verenigde Staten naar Dearborn om voor Ford te komen werken. De bevolking steeg in drie jaar met 2000 procent.
Roys vader, een van de drie mannen in het koffiehuis, kwam vlak na de Tweede Wereldoorlog naar het stadje. Ford stond bekend als een goede werkgever, die al in 1914 de daglonen van zijn arbeiders verdubbelde en een veertigurenweek invoerde. Het was zijn ideaal dat alle Amerikanen, en niet in de laatste plaats zijn eigen arbeiders, genoeg geld zouden hebben om een eigen auto te kunnen kopen. Een Ford uiteraard. En de pa van Roy wou voor dat lonkende vooruitzicht graag verhuizen.
'Hij heeft zijn hele leven lang met tevredenheid bij Ford gewerkt', vertelt Roy. 'En toen ik hier in Dearborn van school af kwam, had ik eigenlijk geen keus: ik zou ook voor Ford gaan werken. Prachtig bedrijf, schitterende auto's. Jarenlang heb ik meegebouwd aan de Mustang. Machtig was dat.'
Maar in de jaren zeventig, na de oliecrisis, kwam voor het eerst de klad erin. De Amerikaanse auto-industrie bleek niet immuun voor conjunctuurgolven, en Japanse merken als Toyota en Honda rukten op. 'Afschuwelijke auto's als je het mij vraagt', vindt hij. 'Maar ze verbruikten veel minder benzine en veel Amerikanen kochten ze.'
De toekomst van Ford en daarmee van Dearborn is onduidelijk, zegt Roy. Zelf geniet hij, zoals wel meer mensen hier, inmiddels van een door de vakbonden vakkundig onderhandeld vervroegd pensioen. Maar zijn eigen zoon heeft voor een heel andere bedrijfstak gekozen. 'Die doet iets met verzekeringen. Ik zei: "Je mag zelf kiezen wat je gaat doen als je groot bent, zolang je maar niet bij Ford gaat werken. Dan ben je op je dertigste je baan kwijt."'
BENZINEZWELGERS
Het waren profetische woorden. Het afgelopen jaar was voor Ford Motor Company ronduit rampzalig. Maakte het bedrijf eerder al bekend dat in de Verenigde Staten uiterlijk dit jaar 30.000 mensen moeten afvloeien, zopas liet Ford weten dat het in 2006 niet minder dan 12,7 miljard dollar (9,8 miljard euro) verlies had geleden. Het was het slechtste jaar uit de geschiedenis van het concern.
De belangrijkste oorzaak, zeggen pr-medewerkers van Ford, is de hoge benzineprijs. Die lag in 2006 af en toe op 3 dollar per gallon (3,79 liter) of 62 eurocent per liter. Dat is naar Europese normen weliswaar een schijntje, maar in het land waar de benzine vijf jaar geleden nog maar zo'n 25 eurocent per liter kostte, was de prijsstijging reden genoeg om, net als in de jaren zeventig, opnieuw uit te kijken naar zuiniger auto's. Alleen waren de Amerikaanse firma's vergeten om die te maken.
Op de jaarlijkse autoshow van Detroit waren het vooral de Japanners en Koreanen die met zuinige of zelfs hybride modellen op de proppen kwamen. Ford profileerde zich met onfatsoenlijk grote gas guzzlers : benzineslurpende wagens zoals de Lincoln Navigator. Aan de verkoopresultaten van afgelopen december was te zien dat de Amerikanen verkeerd gegokt hebben. De Grote Drie - General Motors (GM), Ford en DaimlerChrysler - hadden samen nog maar iets meer dan de helft van de markt in handen (51,5 procent). Toyota verdrong Ford, sinds de jaren twintig de op een na grootste autoproducent van de Verenigde Staten, voor het eerst van de tweede plaats.
GM verkoopt met onder andere de merken Chevrolet, Cadillac en Pontiac weliswaar nog altijd de meeste auto's in de VS en is mede dankzij Opel het grootste autobedrijf in de wereld, maar het ambitieuze Toyota heeft aangekondigd dat dat in 2007 zal veranderen. De Japanners willen niet alleen definitief de tweede plaats in de VS behouden, ze zullen dit jaar wereldwijd meer auto's en pick-uptrucks produceren dan GM. 'Detroit', zoals GM, Ford en DaimlerChrysler in de industrie voor het gemak genoemd worden, hangt in de touwen.
Wie van Dearborn oostwaarts richting Detroit rijdt, passeert niet alleen het hoofdkantoor van Ford, maar ook musea, scholen, straten en sportvelden die stuk voor stuk vernoemd zijn naar de werkgever die het stadje begin vorige eeuw zo onstuimig deed groeien. Het klopt: Dearborn ís Ford.
DOOF VOOR DE KLANT
Net naast de snelweg ligt het heiligdom waar het allemaal begon: de Ford River Rouge-fabriek. Tegenwoordig worden er alleen nog F-150 pick-ups gebouwd, maar ook volgens de huidige maatstaven is het complex immens. Toeristen kunnen het fabrieksterrein vanaf het nabijgelegen Henry Ford Museum ('America's Greatest History Attraction') met een speciale bus bezoeken.
Halverwege de trip is er speciale aandacht voor een incident uit 1937, waarbij kaderleden van de vakbond door knokploegen van Henry Ford tegen de grond werden geslagen. Het oproer markeert het begin van de lange samenwerking van Ford met de vakbond. 'En die samenwerking koesteren we tot op vandaag', zegt bestuursvoorzitter Bill Ford, achterkleinzoon van Henry, op een braaf filmpje in de toeristenbus. Maar hij zegt er niet bij dat de relatie met de United Auto Workers (UAW) 'Detroit' in vergelijking met de buitenlandse concurrenten handenvol geld kost.
Ook op de North American International Autoshow, het jaarlijkse feestje van de auto-industrie in Detroit, hangen in de Ford-stand prominent foto's van chief executive officer Alan Mullaly schouder aan schouder met de arbeideristisch ogende vakbondsbaas Bob King. 'Samenwerken voor kwaliteit', staat er boven de foto. 'Ze proberen heel sterk te laten zien dat er prima wordt samengewerkt', zegt deskundige Micheline Maynard van The New York Times op de autoshow. 'En Ford en GM hébben ook veel te danken aan de vakbond. Ondanks ingrijpende reorganisaties, waarbij tienduizenden banen geschrapt worden, zijn er vooralsnog geen serieuze stakingen geweest.'
Maynard is journalist en doceert over de mondiale auto-industrie aan de universiteit van Michigan. De autoshow van Detroit noemt ze cynisch 'de 1 meiparade van een instortende wereldmacht', maar elk jaar is ze weer present. Over de noodlijdende Amerikaanse auto-industrie publiceerde ze vier jaar geleden het boek The End of Detroit - How the Big Three Lost Their Grip on the American Car Market .
Aan de hand van interviews en analyses schetst ze een haarfijn beeld van de teloorgang van de grootste Amerikaanse industrietak. Haar conclusie is even eenvoudig als ontluisterend: de buitenlandse bedrijven, en dan vooral Toyota en Honda, zijn sinds de jaren zeventig domweg veel beter in staat gebleken auto's te maken die de Amerikaanse consument daadwerkelijk wil. Anders dan de Grote Drie luisteren de nieuwe marktspelers goed naar het commentaar van hun klanten en verkopers. 'Als er bij de producten van de buitenlandse bedrijven iets mis is, dan kunnen ze meteen een aanpassing maken. Detroit reageert veel langzamer.'
HOOGMOED AFGESTRAFT
De nationaliteit van het automerk, zegt Maynard, doet er eigenlijk niet meer toe. 'De features zijn veel belangrijker geworden. Tien jaar geleden kon je nog met de Amerikaanse vlag wapperen als je meer wou verkopen. Nu werkt dat niet meer.' Dat werd pijnlijk duidelijk na 11 september 2001, toen Amerika op eigen bodem werd aangevallen en de Amerikaanse regering om een recessie te voorkomen het credo 'koop Amerikaans' uitdroeg. 'Je zou denken dat iedereen na 9/11 naar de dealer zou rennen om GM, Ford of DaimlerChrysler te kopen, maar dat gebeurde totaal niet. De importbedrijven bleven marktaandeel winnen. Dat laat zien hoe substantieel deze verandering is', zegt Maynard.
Nu spelen die importbedrijven het spel ook wel geraffineerd. Niet alleen bouwen Toyota en Honda een deel van hun auto's tegenwoordig in de Verenigde Staten, ze beheren ook een paar merken die, met minder Japans klinkende namen, vooral voor die Amerikaanse markt bedoeld zijn. Lexus en Scion zijn van Toyota, Honda bouwt ook onder de naam Acura, en Nissan zit achter het exclusieve merk Infiniti.
'De eerste kopers,' zegt Maynard, 'zijn tien à twintig jaar geleden overgestapt. En nu halen ze ieder jaar meer familieleden, buren en anderen over om ook over te stappen.' Er is instussen voor ieder wat wils. 'Een paar jaar geleden hadden Toyota en Honda nauwelijks pick-ups. Nu hebben ze die wél. En opnieuw lijken die beter te zijn dan de Detroit-modellen.'
De bazen bij de Grote Drie stonden erbij en keken ernaar. Bob Lutz, de vicepresident van GM, oordeelde in 2002 hautain dat hij kopers van een Toyota Camry niet serieus kon nemen. Dat waren mensen met een slechte smaak, want de Camry was in zijn ogen 'de lelijkste auto ooit gemaakt'. De Camry is nu al ruim vijf jaar de bestverkochte personenauto in de VS.
In een flitsende show - een 1 meiparade is er inderdaad niets bij - presenteert Ford op het autosalon in Detroit de nieuwe modellen. Naast de Airstream, een zogenaamd cross-overconceptmodel dat het midden houdt tussen een ruimteschip, een caravan en een auto, is dat de verbeterde Ford Five Hundred: een nette en relatief zuinige gezinssedan. Zonder enige gêne erkent communicatiedirecteur Oscar Suris dat het 'onze Camry' is. Suris is vol hoop voor de toekomst.
Wil de consument een ruimteschip of een zuinige auto?
'Het interesseert me niet of we de tweede, de derde of de vierde autobouwer van Amerika zijn', zegt hij wijselijk. 'We zijn een mondiaal bedrijf en zo presenteren we ons ook.' Uiteindelijk, zegt hij, moet Ford in 2009 weer winstgevend zijn. Hoe hij dat gaat doen? 'Door auto's te bouwen die onze klanten graag willen.'
Dat is, met andere woorden, jarenlang niet gebeurd. En Micheline Maynard betwijfelt of het Ford en de andere van oorsprong Amerikaanse bedrijven nu wel zal lukken. Ze besloot haar boek in 2003 met een doemscenario voor 2010, waarin de Grote Drie samen hun meerderheid op de markt kwijt zouden zijn en waarin een van de drie het domweg niet zou redden. 'Maar tot mijn verrassing gaat het allemaal veel sneller dan ik had verwacht', zegt Maynard nu. 'In december hadden de Detroit-merken samen nog maar net een meerderheid op de markt.'
BAN DE BONDEN
Terwijl de Grote Drie fabrieken sluiten en een deel van de arbeid naar Mexico of zelfs China verplaatsen, openen Toyota en Honda nog altijd nieuwe werkplaatsen in de Verenigde Staten. De Camry wordt in Toyota-advertenties aangeprezen als een echt Amerikaans product. De auto wordt tegenwoordig in een grote fabriek in Kentucky in elkaar gezet. 'Als je dagelijks krantenkoppen leest over GM, Ford en DaimlerChrysler die fabrieken sluiten en je ziet dat Toyota fabrieken opent, dan is dat nogal een statement', zegt Maynard.
Maar, klaagt UAW-woordvoerder Roger Kerson aan de telefoon, bij Toyota is de vakbond niet welkom. Dat mag zo zijn, repliceert Maynard, maar het kan toch ook niet de bedoeling zijn dat bedrijven over de kop gaan door te ruime afspraken met de vakbond?
Van iedere auto die GM aflevert, gaat 1500 dollar naar de pensioenen van oud-medewerkers. 'Die last is voor het bedrijf bijna ondraaglijk', zegt Maynard. Bij Toyota zijn pensioenen en zorgverzekeringen heel anders geregeld. In totaal kost een arbeider daar 48 dollar, tegenover 60 bij de bedrijven uit Detroit.
'Is Toyota daardoor een slechtere werkgever? Dat denk ik niet. Je kunt in ieder geval beter daar werken dan bij supermarktketen Wal-Mart. Bovendien bestaat bij Toyota de kans dat je promotie maakt. In Detroit word je als arbeider voor de rest van je leven als een vakbondsrat bekeken.'
Het slimme is trouwens, zegt Maynard, dat Toyota de fabrieken heeft neergezet op plaatsen in het zuiden waar de bonden sowieso al niet erg populair waren. 'Zo riant als het in Detroit ooit was, zal het bij Toyota nooit worden', besluit ze. 'Maar ja, Detroit, dat was een soort verzorgingsstaat. Bij Ford of GM was het alsof je voor de overheid werkte: je had een baan voor het leven en je kon eigenlijk niet ontslagen worden. Die tijden zijn voorbij.'
CODA
Wanneer de schemer invalt, druppelt de River Rouge-fabriek leeg. De dagploeg mag naar huis. Een aantal arbeiders neemt de bus, een enkele zonderling fietst, maar het merendeel heeft, zoals de oude Henry Ford het ooit had bedoeld, gewoon een eigen auto. Het zijn oude Nissans, Honda's en Toyota's. En een enkele roestige Ford.
Peter Vermaas