Tamar de Waal. (De Groene Amsterdammer).....
Wie aan tafel mag bij de talkshows. Bij de talkshows zie je overal dezelfde, veelal rechtse, gezichten. Een aanpak die bijdraagt aan de normalisering en electorale groei van extreem-rechts.
Het Nederlandse televisielandschap is steeds verder dichtgegroeid met talkshows. En met die wildgroei is ook de ergernis erover toegenomen. In een interview met Tim Hofman deze zomer merkte Frans Timmermans bijvoorbeeld op dat ‘Nederland momenteel talkshows heeft die rechts zijn, of bang zijn om links te zijn’ – en daar heeft hij natuurlijk gelijk in. Of je nu naar Pauw & De Wit, Eva, WNL op Zondag, Renze, Café Kockelmann of Nieuws van de Dag kijkt (en dan vergeet ik er nog een paar), overal zie je dezelfde, veelal rechtse, gezichten. Ook bestaat er al enige tijd een eigenaardig circuit van presentatoren die afwisselend hun eigen programma’s presenteren én als gast mogen aanschuiven over allerlei onderwerpen, vaak zonder al te veel kennis van zaken. Inhoudelijke experts lijken het überhaupt steeds meer af te leggen tegen bekende gezichten.
Gesprekken over deze ontwikkelingen zijn vaak vruchteloos en frustrerend, omdat degenen die zich opwinden over wie mag aanschuiven bij talkshows al gauw verweten wordt aan cancelcultuur te (willen) doen. Waarom zouden die genodigden daar niet mogen zitten? Worden sommige mensen soms de mond gesnoerd? Zijn bepaalde meningen a priori niet welkom? Daarom hieronder enkele, niet-uitputtende notities over cancelcultuur.
Het eerste probleem van dit soort verwijten is dat ze de bewijslast aan de verkeerde kant leggen. De kernvraag bij het toetsen van het uitnodigingsbeleid van talkshows is niet waarom iemand niet in de uitzending zou mogen zitten. Heel veel mensen zitten daar immers niet in: elke dag ontvangen miljoenen Nederlanders geen uitnodiging. Het zou onzinnig zijn te zeggen dat zij om deze reden gecanceld zijn, of te denken dat hun de mond wordt gesnoerd.
Het is numeriek en inhoudelijk onvermijdelijk dat redacties keuzes maken; kiezen vormt zelfs de essentie van het beroep van redacteur. De kernvraag is of die keuzes op grond van de juiste criteria worden gemaakt. Dus als iemand zich afvraagt waarom, zeg, Jort Kelder over vrijwel elk onderwerp mag aanschuiven bij televisietafels – of het nu gaat over de boeren, Trump, of het coronabeleid – volstaat een flauw ‘waarom niet?’ niet. De bewijslast ligt andersom en bovendien veel hoger: van alle mogelijke gasten, waarom hij wél? Is hij het relevantst en deskundigst?
Punt twee. Cancelcultuurverwijten suggereren doorgaans onterecht dat sommigen aan cancelcultuur zouden doen en anderen, namelijk degenen die het verwijt uitten, niet. Voor de duidelijkheid – even een intermezzo – ik doel nu niet op het feit dat degenen die de term cancelcultuur bezigen vrijwel altijd te kwader trouw zijn. Die zeggen dan dat ze ‘de vrijheid van meningsuiting’ hoog hebben, maar perken hem direct in als zij aan de politieke knoppen komen. Dit soort hypocrisie is wel een probleem en misschien zelfs wel dé plaag van onze tijd, maar de enige oplossing ervoor is: verslaan bij verkiezingen.
Wat ik wel bedoel is dat iedereen vindt dat een persoon op basis van wat hij uitdraagt maatschappelijk ‘af’ kan zijn. Oftewel, ‘gecanceld’ moeten worden. Zo zijn de meesten het er, denk ik, over eens dat iemand die pedofilie verheerlijkt, een rassenleer aanhangt of wil reflecteren op de goede eigenschappen van Adolf Hitler, niet meer op nationale televisie hoeft te komen. Het bestaan van zulke maatschappelijke standaarden is belangrijk, want juridisch is in een democratische rechtsstaat veel toegestaan om te zeggen. Maar dat betekent niet dat alle uitingen even relevant zijn, of gefaciliteerd moeten worden in het krijgen van enorm bereik. Het echte punt van geschil is dus hoe hoog maatschappelijke standaarden voor talkshowuitnodigingen moeten liggen. Met andere woorden, de vraag is niet: wel of geen cancelcultuur (als je het al zo wilt noemen), maar: welke cancelcultuur?
Het antwoord op die vraag is niet evident. Sommigen zeggen, in lijn met John Stuart Mill, dat we over vrijwel alles openlijk moeten discussiëren. Inclusief over of bevolkingsgroepen gelijke rechten moeten hebben, mannen en vrouwen gelijk zijn en of er nu een klimaatcrisis is. Het idee is dan dat op de marketplace of ideas de meest overtuigende stellingen naar boven komen drijven (en bovendien geen dead dogmas worden). Maar het is de vraag of dit geen droombeeld is. Steeds meer empirisch politicologisch onderzoek toont dat deze aanpak momenteel bijdraagt aan de normalisering en electorale groei van extreem-rechts. Talkshowredacties, zeker die van de publieke omroep maar eigenlijk elke redactie die de rechtsstaat en democratie serieus neemt, moeten daarom verantwoordelijkheid nemen voor ‘de ideeënmarkt’ die zij met hun uitnodigingsbeleid vormgeven.
"The Universe is not only stranger then we have imagined, It may be stranger then we cán imagine..."