Zeker wél, en ik denk dat hier de ideale plaats is voor mijn redenering dat waarheid niet kenbaar is. De redenering is epistemologisch van aard. Ik ontleen zeer veel begrippen aan Immanuel Kant, daarom kan de redenering iets moeilijker overkomen, maar ik probeer het zo logisch en eenvoudig mogelijk op te bouwen. De reden dat ik zijn termen overneem, is om exact de juiste nuance te bereiken.
1) Alle kennis wordt oftewel a priori, oftewel a posteriori verworven. (premisse 1)
2) Als kennis valide is, en we met zekerheid kunnen zeggen dat kennis valide is, dan is deze kennis respectievelijk 'waarheid' en 'te kennen waarheid'. (premisse 2)
3) Kennis is valide, als deze kennis assertorisch, d.w.z. werkelijk, is. (premisse 3)
(Bijvoorbeeld 'God is almachtig' als synthetisch a priori/a posteriori oordeel beschouwd is kennis. Maar de vraag is of deze kennis assertorisch is, m.a.w. is God almachtig in de werkelijkheid, bestaat God in de werkelijkheid. Want zoals Kant aantoont is het een feit dat God bestaat, want 'bestaan' is geen predikaat, maar dat is nog geen kennis. Het wordt kennis vanaf dat men weet dat God bestaat in de werkelijkheid.)
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
4) Alle a priori kennis is ofwel problematisch, d.w.z. mogelijk,- en is dus niet assertorisch-, ofwel assertorisch. (Wet van het uitgesloten midden) (premisse 4)
5) Alleen de assertorische a priori kennis is waarheid. We kunnen echter niet met zekerheid zeggen dat deze a priori kennis assertorisch is, tenzij door gebruik te maken van a posteriori middelen. (ligt in de definitie van assertorisch) (premisse 5)
6) Uit (5) volgt dat zuivere a priori kennis nooit met zekerheid assertorisch is. Uit (3) volgt dat deze kennis dus niet met zekerheid valide is. Uit (2) volgt dat a priori kennis dus niet tot de 'te kennen waarheid' behoort. En dat was het eerste wat aan te tonen was. (conclusie)
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Ik heb dus tot zover aangetoond dat zuivere a priori kennis nooit 'te kennen waarheid' is. Dat is al een enorme stap voorwaarts. Nu zal ik aantonen dat die te kennen waarheid bij a posteriori kennis ook tamelijk beperkt is.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Stelling: Alle a posteriori kennis (dat is dus ook alle onzuivere a priori kennis; per fiat) is oftewel niet met zekerheid assertorisch, als het de dinge-an-sich aangaat, en is oftewel subjectief assertorisch als het de fenomenen aangaat. Derhalve bestaat er enkel subjectieve waarheid. (men kan hiermee leren leven, oftewel het woord 'subjectieve waarheid' als een contradictio in adjecto opvatten. In dat geval bestaat er geen waarheid, maar dat is dus slechts interpretatie)
Bewijs:
1) Alle a posteriori kennis gaat oftewel de fenomenen (mundus phaenomenon) aan, oftewel de dinge-an-sich (mundum noumenon). (premisse A)
(Ik weet dat het wat abstract wordt, nu als je bijvoorbeeld een mes in een glas met water legt, dan schijnt het dat dit mes krom is (licht breekt bij de overgang tussen twee homogene middenstoffen), nu, je kan dus zeggen : "het mes is krom". Vele mensen zullen echter zeggen: "Neen! Onzin! Het mes schijnt alleen krom, maar in werkelijkheid is het recht!" Wat ze dus bedoelen is : "Het mes als ding-an-sich is recht". Maar dat is enkel interpretatie! Je kan het ook andersom denken: het mes schijnt alleen recht, maar als we het in water houden zien we zijn ware toestand, namelijk krom. We kunnen dus niet weten of het mes nu werkelijk recht of krom is (en met de bolheid/platheid van de aarde is het analoog). Je kan nu zeggen dat we het wel kunnen weten door de optica te bestuderen, maar hoe weet jij dat de lichtstralen niet alleen gebroken schijnen bij overgang tussen twee middenstoffen, maar gebroken zijn? Dit weet je dus niet.)
2) Zoals duidelijk is uit het voorbeeld kunnen we de mundus noumenon -de dinge-an-sich- niet met zekerheid assertorisch kennen, omdat we enkel over de mundus phaenomenon beschikken. En dat was het eerste wat bewezen moest worden: we beschikken niet over waarheid omtrent de dinge-an-sich. (conclusie A)
3) De mundus phaenomenon kunnen we echter kennen, voorzover het empirisch blijft, maar deze mundus phaenomenon is slechts subjectief, want dat ligt in de definitie van mundus phaenomenon, en dat was het tweede wat bewezen moest worden. (conclusie B)
Het is belangrijk dat conclusie B goed begrepen wordt. Als je je computerscherm bekijkt, kan je dus niet zeggen: mijn computerscherm is rechthoekig (zie conclusie A), je kan echter wel zeggen: het computerscherm schijnt mij rechthoekig. Want of het nu al dan niet rechthoekig is, maakt niet uit, waar je zeker van bent is dat het rechthoekig schijnt. Nu zit je dus dicht bij de 'waarheid'. Je kan immers dit woord schijnen opheffen, door van het oordeel te maken: "Het fenomeen computerscherm is rechthoekig voor mij". Men moet hierbij dit 'voor mij' goed begrijpen. Dit is dus zeker een waarheid, maar het schijnt voor jouw, en alleen voor jouw rechthoekig! Niemand kan bewijzen dat het ook voor iemand anders rechthoekig schijnt. Dus is dit een waarheid, maar een subjectieve waarheid. En als je dit als een contradictio in adjecto opvat, bestaat 'waarheid' niet.
Nu moet je ook het onderlijnde 'voorzover het empirisch blijft', goed begrijpen. Dat het computerscherm rechthoekig schijnt, is empirisch. Dat de aarde bolvormig is idem. Maar dat wij ontstaan zijn door natuurlijke selectie niet. Het darwinisme is met andere woorden (ik neem het als voorbeeld) geen waarheid, zelfs geen subjectieve! Je kan immers al de empirische aanwijzingen voor het darwinisme ook anders interpreteren, zelfs binnen het kader van het creationisme. Het enige dat je moet doen is Ockhams scheermes verwerpen, en je bent er al bijna. Hoe je empirische 'feiten' interpreteert is dus een kwestie van interpretatie, en dat is wat wetenschap doet, 'feiten' interpreteren, dus ze houden zich niet bezig met waarheid, maar met macht.
De wetenschap als excuus