abonnement Unibet Coolblue Bitvavo
pi_73974782
SPOILER
Om spoilers te kunnen lezen moet je zijn ingelogd. Je moet je daarvoor eerst gratis Registreren. Ook kun je spoilers niet lezen als je een ban hebt.
Maar zoals ik zei, dit soort analyse is nogal roestig bij me op dit moment dus als iemand anders het wel weet ben ik erg benieuwd

[ Bericht 4% gewijzigd door Haushofer op 23-10-2009 10:00:08 (Ff een spoiler toegevoegd) ]
pi_73975036
quote:
Op vrijdag 23 oktober 2009 09:54 schreef Haushofer het volgende:
SPOILER
Om spoilers te kunnen lezen moet je zijn ingelogd. Je moet je daarvoor eerst gratis Registreren. Ook kun je spoilers niet lezen als je een ban hebt.
Maar zoals ik zei, dit soort analyse is nogal roestig bij me op dit moment dus als iemand anders het wel weet ben ik erg benieuwd
SPOILER
Om spoilers te kunnen lezen moet je zijn ingelogd. Je moet je daarvoor eerst gratis Registreren. Ook kun je spoilers niet lezen als je een ban hebt.
I asked God for a bike, but I know God doesn't work that way.
So I stole a bike and asked for forgiveness.
pi_73992583
quote:
Op donderdag 22 oktober 2009 22:51 schreef Hap_Slik het volgende:

[..]

Beide nog niet nee..
Ik weet het:

a,b, natuurlijke getallen;

dan is GGD(a,b) * KGV (a,b) = a * b

Een vervolg is het bewijs van de priemontbinding van natuurlijke getallen.
pi_73997190
quote:
Op vrijdag 23 oktober 2009 18:38 schreef Bankfurt het volgende:

[..]

Ik weet het:

a,b, natuurlijke getallen;

dan is GGD(a,b) * KGV (a,b) = a * b
...
Lijkt me toch niet zo moeilijk, want:
- Voor iedere deler D van zowel a als b geldt dat (a*b)/D een veelvoud is van a en van b, want (a*b)/D = a*(b/D) = b*(a/D)
- Als bovendien D de grootst mogelijke deler van zowel a als b is dan noemen we die per definitie GGD(a*b). Maar als D zo groot mogelijk is, dan is de corresponderende (a*b)/D zo klein mogelijk. De noemer kan dan immers niet groter worden onder voorwaarde dat D een deler van zowel a als b is.
- Conclusie als D de grootst mogelijke deler van zowel a als b is, dan is het veelvoud (a*b)/D van zowel a als b het kleinst mogelijke getal dat een veelvoud is van zowel a als b. Oftewel: (a*b)/GGD(a,b) = KGV(a,b)

en daar volgt uit:

(a*b) = GGD(a,b) * KGV(a,b)


Wellicht niet helemaal formeel, maar dit moet het wel zijn.

[ Bericht 1% gewijzigd door #ANONIEM op 23-10-2009 21:34:02 ]
pi_74039506
quote:
Op vrijdag 23 oktober 2009 21:01 schreef ..-._---_-.- het volgende:

[..]

Lijkt me toch niet zo moeilijk, want:
- Voor iedere deler D van zowel a als b geldt dat (a*b)/D een veelvoud is van a en van b, want (a*b)/D = a*(b/D) = b*(a/D)
- Als bovendien D de grootst mogelijke deler van zowel a als b is dan noemen we die per definitie GGD(a*b). Maar als D zo groot mogelijk is, dan is de corresponderende (a*b)/D zo klein mogelijk. De noemer kan dan immers niet groter worden onder voorwaarde dat D een deler van zowel a als b is.
- Conclusie als D de grootst mogelijke deler van zowel a als b is, dan is het veelvoud (a*b)/D van zowel a als b het kleinst mogelijke getal dat een veelvoud is van zowel a als b. Oftewel: (a*b)/GGD(a,b) = KGV(a,b)

en daar volgt uit:

(a*b) = GGD(a,b) * KGV(a,b)


Wellicht niet helemaal formeel, maar dit moet het wel zijn.
Ja, toegegeven, mooi bewijs.
pi_74099710
Het mooiste wiskundige bewijs..

1 x 1 = 1
  dinsdag 27 oktober 2009 @ 01:28:51 #182
267150 Q.E.D.
qat erat ad vundum
pi_74099731
quote:
Op vrijdag 23 oktober 2009 08:14 schreef -J-D- het volgende:
[ afbeelding ]

Beetje humor op de 'vroege' ochtend.
b>a

Niet grappig.
Hetgeen bewezen en beklonken moest worden.
pi_74169081
tvp
Onderschat nooit de kracht van domme mensen in grote groepen!
Der Irrsinn ist bei Einzelnen etwas Seltenes - aber bei Gruppen, Parteien, Völkern, Zeiten die Regel. (Friedrich Nietzsche)
pi_74235781
quote:
Op maandag 28 september 2009 22:18 schreef Iblis het volgende:
Als eerste bewijs, een klassieker, namelijk, dat er oneindig veel priemgetallen zijn. De bedenker, Euklides, leefde zo ongeveer 2300 jaar geleden.

(...)

Maar we hadden aangenomen dat ons rijtje alle priemgetallen bevat. Die aanname moet wel fout zijn, want we komen nu op een tegenspraak uit. Kortom, er moeten wel oneindig veel priemgetallen zijn. □

Dat was het al. Andere, relatief eenvoudige vragen, zoals: zijn er ook oneindig veel paartjes van getallen zoals 17 en 19, of 107 en 109, die maar 2 van elkaar verschillen en allebei priem zijn, of kun je elk getal groter dan 3 als de som van precies twee priemgetallen schrijven, zijn tot op de dag van vandaag niet beantwoord.
Wiskunde. Leuk! Ben er niet goed in, maar wel gek op.

Helaas werkt Latex niet op Fok dus dan maar even slordig:

Nog een bewijs dat er een oneindig aantal priemgetallen bestaat. Dit keer van Euler.

De oneindige som 1/1 + 1/2 + 1/3 +... 1/n is gelijk aan het oneindige product (1/(1-1/p) (p = priemgetal). Het bewijs hiervoor is een goed te volgen.

Aangezien de oneindige som 1/1 + 1/2 + 1/3 +... 1/n divergeert, moeten er dus ook oneindig veel priemgetallen bestaan.

Nog even over die zin in bold. Moet dat niet zijn "of kun je elk even getal groter dan 3 als de som van precies twee priemgetallen schrijven"? De Goldbach conjecture dus?

Kwam er overigens pas deze maand achter (na het maken van een programma in VBA Excel) dat als de Goldbach conjecture klopt, daarmee ook meteen de volgende stelling waar is:

"Elk getal groter dan 3 kun je op minstens één manier schrijven als het gemiddelde van twee priemgetallen."

Dus ook alle priemgetallen zelf zijn dan uit te drukken in priemgetallen. Bovendien geldt ook dat voor een priemgetal p > 7 uitgedrukt als (Px+Py)/2, de afstand tusen Px en Py altijd 12k is (of n +/- 6k). Verder ben ik helaas nog niet gekomen...

[ Bericht 0% gewijzigd door Agno op 31-10-2009 00:43:13 ]
  vrijdag 30 oktober 2009 @ 20:51:22 #185
147503 Iblis
aequat omnis cinis
pi_74236219
quote:
Op vrijdag 30 oktober 2009 20:37 schreef Agno het volgende:

De oneindige som 1/1 + 1/2 + 1/3 +... 1/n is gelijk aan het oneindige product (1/(1-1/p) (p = priemgetal). Het bewijs hiervoor is een goed te volgen.
Je bedoelt met P de verzameling der primegetallen.

quote:
Nog even over die zin in bold. Moet dat niet zijn "of kun je elk even getal groter dan 3 als de som van precies twee priemgetallen schrijven"? De Goldbach conjecture dus?
Uiteraard, dat is mijn fout. Afgezien van twee zijn er natuurlijk geen even priemgetallen en verder geldt dat een oneven + oneven getal een even getal is.
Daher iſt die Aufgabe nicht ſowohl, zu ſehn was noch Keiner geſehn hat, als, bei Dem, was Jeder ſieht, zu denken was noch Keiner gedacht hat.
pi_74242947
Ik probeer me even die middelste term voor te stellen.
Je neemt voor elk priemgetal p dus de som van de reciproce van de opeenvolgende gehele machten (dus bijv. voor p=5 1/5^0 + 1/5^1 + 1/5^2 + 1/5^3 + 1/5^4 + ......... 1/5^k) en al die sommen ga je met elkaar vermenigvuldigen.

Interpreteer ik het zo goed?
Onderschat nooit de kracht van domme mensen in grote groepen!
Der Irrsinn ist bei Einzelnen etwas Seltenes - aber bei Gruppen, Parteien, Völkern, Zeiten die Regel. (Friedrich Nietzsche)
  zaterdag 31 oktober 2009 @ 00:36:18 #187
147503 Iblis
aequat omnis cinis
pi_74243538
quote:
Op zaterdag 31 oktober 2009 00:09 schreef Kees22 het volgende:
Ik probeer me even die middelste term voor te stellen.
Je neemt voor elk priemgetal p dus de som van de reciproce van de opeenvolgende gehele machten (dus bijv. voor p=5 1/5^0 + 1/5^1 + 1/5^2 + 1/5^3 + 1/5^4 + ......... 1/5^k) en al die sommen ga je met elkaar vermenigvuldigen.

Interpreteer ik het zo goed?
Ja. En de grap is dus dat je elk getal n (uniek) kunt ontbinden en priemfactoren, dus die middelste term bevat een product van oneindige sommen met termen als 1 + 1/2 + 1/22 + 1/23 + ···, en als andere factor 1 + 1/3 + 1/32 + 1/33 ···, en als je dit vermenigvuldigt dan krijg je dus 1/(1·1·1·1···) = 1/1, en 1/(2·1·1·1···) = 1/2 en 1/(1·3·1·1···) = 1/3 maar ook 1/(2·3·1·1···) = 1/6, enz. Kortom, uiteindelijk 1/n voor alle n.
Daher iſt die Aufgabe nicht ſowohl, zu ſehn was noch Keiner geſehn hat, als, bei Dem, was Jeder ſieht, zu denken was noch Keiner gedacht hat.
pi_74243831
quote:
Op zaterdag 31 oktober 2009 00:36 schreef Iblis het volgende:

[..]

Ja. En de grap is dus dat je elk getal n (uniek) kunt ontbinden en priemfactoren, dus die middelste term bevat een product van oneindige sommen met termen als 1 + 1/2 + 1/22 + 1/23 + ···, en als andere factor 1 + 1/3 + 1/32 + 1/33 ···, en als je dit vermenigvuldigt dan krijg je dus 1/(1·1·1·1···) = 1/1, en 1/(2·1·1·1···) = 1/2 en 1/(1·3·1·1···) = 1/3 maar ook 1/(2·3·1·1···) = 1/6, enz. Kortom, uiteindelijk 1/n voor alle n.
Die laatste zin gaat me te snel.
Ik zie ten eerste niet meteen de noodzaak dat in die producten alle n's een keer en niet meer dan een keer aan bod komen en ten tweede komen er aan het eind naar mijn eerste gevoel wat soorten oneindigheid in de knoop.

Het uitpuzzelen daarvan kietelt mijn wiskundige intellect, maar ik vrees dat mijn luiheid gaat winnen.

Maar dank voor je antwoord.
Onderschat nooit de kracht van domme mensen in grote groepen!
Der Irrsinn ist bei Einzelnen etwas Seltenes - aber bei Gruppen, Parteien, Völkern, Zeiten die Regel. (Friedrich Nietzsche)
pi_74243978
quote:
Op zaterdag 31 oktober 2009 00:52 schreef Kees22 het volgende:

[..]

Die laatste zin gaat me te snel.
Ik zie ten eerste niet meteen de noodzaak dat in die producten alle n's een keer en niet meer dan een keer aan bod komen en ten tweede komen er aan het eind naar mijn eerste gevoel wat soorten oneindigheid in de knoop.

Het uitpuzzelen daarvan kietelt mijn wiskundige intellect, maar ik vrees dat mijn luiheid gaat winnen.

Maar dank voor je antwoord.
Had er eerst ook moeite mee om dit te doorzien, maar om de invallende luiheid toch nog een laatste prikkel te geven ff het volgende.

De truc is makkelijker te doorzien door te kijken hoe de priemproductformule afgeleid wordt uit de Zeta-functie. Zie bijgaande link. Dan gewoon s=1 invullen en je bent er.

http://en.wikipedia.org/w(...)iemann_zeta_function

pi_74244225
quote:
Op zaterdag 31 oktober 2009 01:01 schreef Agno het volgende:

[..]

Had er eerst ook moeite mee om dit te doorzien, maar om de invallende luiheid toch nog een laatste prikkel te geven ff het volgende.

De truc is makkelijker te doorzien door te kijken hoe de priemproductformule afgeleid wordt uit de Zeta-functie. Zie bijgaande link. Dan gewoon s=1 invullen en je bent er.

http://en.wikipedia.org/w(...)iemann_zeta_function

Gnigni, je had succes!
Dat van dat een en niet meer dan een keer voorkomen van n, dat geloof ik nu wel.

Nu nog even nadenken over de staart, die diverse soorten of maten oneindigheid. Met een beetje geluk is dat probleem het voortgezette deel van het eerste.

Die zeta-functie heb ik al eens eerder gezien in een topic op FOK!
Hier hou ik verder maar eens op: morgen lekker wat spitten in mijn voortuin.
Onderschat nooit de kracht van domme mensen in grote groepen!
Der Irrsinn ist bei Einzelnen etwas Seltenes - aber bei Gruppen, Parteien, Völkern, Zeiten die Regel. (Friedrich Nietzsche)
pi_74245742
Het bewijs dat de lengte van A4'tje of A3'tje wortel2 keer de breedte is.
Twee keer de breedte van A4 = de lengte van A3.
En de verhouding lengte breedte blijft het zelfde.

Dus:

l/b = 2b/l

2 b2 = l2
l/b = wortel 2.
Vandaar de vergroting 141% op het copieerapparaat.
En als je een vliegtuigje vouwt van een A4-tje blijkt de hypothenusa precies overeen te komen met de lengte van het A4-tje.
Je kunt beter één kaars opsteken dan duizend maal de duisternis vervloeken.
pi_74256785
Toch nog even door op het hierboven omgeschreven vermoeden van Goldbach:

"Elk getal groter dan 3 kun je op minstens één manier schrijven als het gemiddelde van twee priemgetallen."

Als het vermoeden van Goldbach waar blijkt te zijn dan geldt dus ook dat alle priemgetallen (behalve 2 en 3) zijn uit te drukken in een equi-distant setje andere priemgetallen. Er geldt immers dat elk priemgetal P afgeleid kan worden door (Px+Py)/2 (Px < P < Py).

Voor priemgetallen > 7 geldt bovendien dat de equidistante afstand P-Px en Py-P deelbaar is door 6 en dat de totale afstand Py-Px dus deelbaar is door 12. (We weten ook dat 2 en 3 nooit de Px kunnen zijn; 2 is immers het enige even priemgetal en 3 + 6k kan nooit een priemgetal opleveren want het is altijd deelbaar door 3. Let wel: er geldt natuurlijk ook dat bijv. (3 + 19) = 11, maar ik ben nu alleen ff geïnteresseerd in P-Px = 6k).

Waarom is die afstand altijd deelbaar door 6? We weten dat alle priemgetallende de vorm 6n+1 of 6n-1 hebben (behalve 2 en 3), omdat alle andere mogelijkheden deelbaar zijn door 2 of 3. Px en Py kunnen priemgetallen van beide vormen zijn: 6n-1 en 6n+1. Om het gemiddelde te berekenen zijn er in principe 4 combinaties te maken, maar slechts twee blijken er te werken. Er geldt namelijk altijd dat als P=6n+1 dan ook alle Px, Py = 6n+1. En vice versa voor 6n-1.

Voorbeeld:
P = 29, (Px,Py) = (17,59), (11,41), (5,53) => type 6n-1, afstand 6k, k = 2,3,4
P = 73, (Px,Py) = (67,79), (43,103), (37,109), (19,127), (7,139) => type 6n+1, afstand 6k, k = 1,5,6,9,11

Priemgetallen zijn echter niet te voorspellen, en de priemgetalstelling zegt dat als je een willekeurig getal kiest in de buurt van een groot getal N, dat dan de kans dat dit getal een priemgetal is, ongeveer gelijk is aan 1 / ln(N). Dat is dus nooit 100%.

Als de bovenstaande stelling over equi-distante priemgetallen waar is, dan zou je als volgt kunnen redeneren:

Vanaf P springen we telkens in stapjes van 6 naar beneden totdat P - 6k = 5 (voor P=6n-1) of P - 6k = 7 (voor P=6n+1). Bij elk stapje test je of het getal een priemgetal is. Indien dit niet het geval is dan wordt de kans dat het volgende stapje een paartje priemgetallen (P-6k,P+6k) is groter met 1/((P-5)/6) of 1/(P-7)/6)). Das raar. Want elke keer dat je geen setje priemgetallen vindt, dan wordt de kans groter dat P+/- 6k wel een priemgetal is. Sterker nog: stel dat je vindt dat het voorlaatste stapje nog steeds geen setje priemgetallen oplevert, dan wordt de kans dus 100% dat P+/-6k beiden priem zijn. Een 100% zekere voorspelling van een priemgetal P+6k is strijdig met de priemgetalstelling. Om deze paradox te doorbreken moeten de lagere priemgetallen elkaar dus helpen om deze zekere voorspelling te versluieren (het lijkt bijna op de EPR paradox, waarbij je door links van de bron te meten, rechts meer zekere uitspraken aan de rechter kant te kunnen doen).

Daarom mijn stelling:
De hoogste en de laagste priemcombinatie (Px, Py) met P = (Px+Py)/2 (ergo: de combinaties (P-6, P+6) en (P-6k, P+6k) met de grootst mogelijke k), kan nooit de enige priemcombinatie (Px, Py) zijn, want anders zou je voor een bepaald getal exact kunnen voorspellen waar een toekomstig priemgetal P + 6k ligt (uitgezonderd P= 11 want je hebt dan immers slechts twee mogelijke waarden voor Px: 5 en 7. In dat geval is er nog geen ‘buitenste’).

EDIT:
Er zit natuurlijk een denkfout in de aanname dat je alle stapjes van 6 altijd sequentieel doorloopt. Je zou er ook volkomen random doorheen kunnen lopen en er dan uiteindelijk twee overhouden. Als dan de voorlaatste geen priempaartje oplevert, dan moet de laatste mogelijkheid een priem op P+6k opleveren.



[ Bericht 3% gewijzigd door Agno op 31-10-2009 20:22:56 ]
pi_74329947
Dit is vast wel erg mooi, maar ik volg hoogstens passief.
pi_74341831
even tvp'en, ik weet zelf even niets bij te dragen maar kan wel genieten van dit soort topics.
C'est magnifique, mais ce n'est pas la guerre.
-
  dinsdag 3 november 2009 @ 20:01:11 #195
147503 Iblis
aequat omnis cinis
pi_74361207
De naald van Buffon

De naald van Buffon is een bekend probleem dat kansrekening en geometrie combineert. Het probleem stamt uit de achttiende eeuw en luidt in zijn oorspronkelijke formulering ongeveer zo:
quote:
Stel dat we een vloer hebben die bestaat uit parallelle houten planken, elk van dezelfde breedte. Als we een naald laten vallen op die vloer, wat is dan de kans dat deze naald op twee planken ligt?
Het is duidelijk dat één en ander in ieder geval afhangt van de lengte van de naald, hoe langer de naald hoe groter de kans. We zullen de breedte van de planken b noemen. Tussen de planken zitten oneindig dunne naden, en als de naald dus op twee planken ligt, kruist deze één naad. De lengte van de naald zullen we met l aanduiden. Als nu geldt ld (wat we een korte naald zullen noemen), dan blijkt dat de kans p dat de naald op twee planken ligt gegeven wordt door:



Hiervoor zijn twee afleidingen te geven, een geometrische, en eentje die wat gebruik maakt van elementaire kansrekening en calculus. Die laatste zullen we aan het eind geven, maar eerst zullen we de geometrische behandelen. Deze geeft ook een experimentele methode om π te berekenen.


Een voorbeeld van een aantal willekeurig geworpen naalden van lengte l op een vloer met planken van breedte b.

Geometrische methode

Het idee voor deze oplossing is voor het eerst door E. Barbier in 1860 aangedragen. We zijn op zoek naar de kans dat een naald op twee planken ligt, maar de truc is dat dit samenvalt met de verwachting van het aantal naden waarop de naald ligt. Dit lijkt een subtiel onderscheid, maar is het zeker niet. Als we toch even kijken naar de verwachting van het aantal naden dat een naald van willekeurige lengte kruist, dan is dit:



waarbij p1 de kans is dat de naald één naad kruist, p2 dat ze er twee kruist, enzovoort. De kans dat deze op (minstens) twee planken ligt wordt gegeven door:



Maar, wij bekijken een korte naald met lengte lb, dus p2 = p3 = ··· = 0. En daarom geldt in het geval van een korte naald E(N1) = p. Dus als we de verwachting kunnen berekenen, dan hebben we ook de kans.1

Aan elkaar bevestigde naalden.
We zullen verder gaan met de verwachting, de verwachtingswaarde heeft namelijk een aantal interessante eigenschappen, die goed van pas komen. Stel namelijk, we gooien nog een naald, en laat het aantal naden deze naald kruist aangeduid worden door N2. Natuurlijk geldt E(N1) = E(N2), en ook de kans dat deze naald op een naad ligt blijft is hetzelfde als voor de eerste naald.

Nu doen we echter wat anders. we maken de punten van de naalden aan elkaar, m.a.w. twee punten van de naald vallen samen, maar op zich kunnen ze verder los bewegen, dus de naald kan in een rechte lijn vallen, of meer in een V-vorm. Als dat gebeurt zijn N1 en N2 natuurlijk niet onderling onafhankelijk, maar voor de verwachtingswaarde maakt dat niet uit, immers, er geldt:



ook als N1 en N2 niet onderling onafhankelijk zijn. Dezelfde logica gaat ook op als we aan een van de uiteinden nog een naald vastmaken, en nog één, enzovoort. Merk op dat de naalden niet eens allemaal dezelfde lengte hoeven te hebben (zo’n constructie wordt ook wel Buffon’s noodle genoemd).

Verder merken we op dat korte naalden natuurlijk naar verwachting minder naden zullen kruisen dan lange naalden. We kunnen daarom veilig stellen dat het aantal naden dat een naald kruist afhangt van de lengte. Met andere woorden E(N) = f(l), waarbij f een functie is die we nog zullen bepalen. We kunnen echter sowieso al het nodige zeggen over f. Stel je voor dat we twee naalden N1 en N2 (met lengtes l1 en l2 nemen en zo aan elkaar maken dat ze altijd in elkaars verlengde vallen. Dan geldt natuurlijk:



Maar omdat de verwachtingswaarde lineair is, geldt ook nog:



M.a.w., f(l1 + l2) = f(l1) + f(l2). Dat is alvast één eigenschap die we binnen hebben. Verder kunnen we b.v. N1 ook weer zien als m kleine naaldjes van allemaal gelijke lengte die aan elkaar gemaakt zijn, en dan krijgen we b.v.:



En zo vinden we dat f lineair is voor l ∈ ℚ. Als laatste merken we nu op dat f(l) monotoon stijgend moet zijn, en daarom ook dat f(l) = c·l voor l ∈ ℝ. Het aantal naden waar een naald N van lengte l naar verwachting op ligt wordt dus gegeven door:



Waarbij we c moeten bepalen. Merk op dat we het hier dus over een naald hebben met mogelijk veel hoeken erin, en niet per se een rechte naald.

Cirkels met straal b hebben altijd twee punten waar ze op een naad liggen.

Voordat ik duidelijk maak waarom dit precies handig is, laten we eerst eens naar een cirkel2 lijken met diameter b. Hoe je een cirkel ook gooit op de vloer, de cirkel ligt altijd precies op twee naden. Verder weten we dat de omtrek van de cirkel bπ is. Een cirkel kunnen we echter benaderen met een ingeschreven veelhoek, of met een omgeschreven veelhoek.

Een omgeschreven veelhoek (links) en ingeschreven veelhoek (rechts)


Noem de omgeschreven veelhoek met n zijden On en noem de ingeschreven In, dan kunnen we elk van die veelhoeken zien als een aan elkaar gemaakte naald bestaande uit n stukken, waarvan we weten dat E(On) = c·l(On) en E(In) = c·l(In).

Er moet dus gelden:



En, omdat:


voor n → ∞:



Kortom:



en dus geldt voor een korte naald van lengte l dat deze naar verwachting:


naden raakt, en dit is dus ook juist de kans dat deze één naad raakt.


Cirkels met omgeschreven en ingeschreven veelhoeken willekeurig geworpen, merk op dat er op een bovenste grijze baan b.v. een cirkel ligt waarvan de omgeschreven veel hoek drie snijpunten heeft met de naden. Voor n → ∞ verdwijnt dit verschil.

Nawoord

Dit geeft in feite een experimentele mogelijkheid om π te bepalen, teken een aantal lijnen op een stuk papier dat de naden tussen de planken voorstelt, gooi er een naald op die even groot is als de ruimte tussen de lijnen, en tel het aantal keren dat de naald een lijn kruist, omdat l = b, geldt dat π = (2n)/a, waarbij n het aantal keer is dat je gooit en a het aantal dat raak is. Dit is tevens vrij gemakkelijk te programmeren – echter, bedenk wel dat je heel snel al gebruik maakt van het getal π in je programma, wat eigenlijk de hele exercitie wat nutteloos maakt. Je moet vrij omzichtig programmeren om dat niet te doen.

Verder is deze methode verbonden aan een berucht experiment waarbij ene Lazzarini, een Italiaans wiskundige, 3408 keer een naald gooide, die 1808 keer een lijn raakte. Als benadering vond hij toen een getal dat tot op zes plaatsen nauwkeurig is – het heeft er echter alle schijn van dat hij zijn experiment zo inrichtte om een zo goed mogelijk resultaat te krijgen door op precies het juiste moment te stoppen.

Methode met integraal
Zij l de lengte van de naald, b de afstand tussen de planken, en p de kans dat de naald op twee planken ligt. Gegeven de hoek α die de naald met de horizontaal maakt, is de hoogte h van de naald l sin α, en daarmee de kans dat een naald die onder een hoek α ligt op twee planken ligt:




Met een integraal kunnen we nu de totale kans krijgen door te middelen over alle hoeken α die de naald kan aannemen ([0...π]):



1) Er is een kleine kanttekening te maken m.b.t. de mogelijkheid dat een naald met lengte gelijk aan de breedte van de planken precies zo valt dat ze alleen met de twee uiterste punten op een naad ligt, of het geval waarin de naald precies, over de gehele lengte, op een naad ligt. Aangezien dit wiskundige naalden en planken zijn, hebben beide gebeurtenissen kans 0 en kunnen ze verder genegeerd worden. Dit kan wiskundig gezien hard gemaakt worden.
2) Op zich hoef je geen cirkel te gebruiken, elke figuur met een vaste breedte zou ook werken, zoals een Reuleaux-driehoek. Hieruit volgt indirect ook dat voor deze figuren geldt dat o = π·d.


Bronnen en meer lezen:
Introduction to geometric probability, Daniel A. Klain, Gian-Carlo Rota.
Buffon’s needle (Wikipedia)
Buffon’s noodle (Wikipedia)
Buffon’s needle op cut-the-knot
Buffon's Noodle Problem, J. F. Ramaley.
Daher iſt die Aufgabe nicht ſowohl, zu ſehn was noch Keiner geſehn hat, als, bei Dem, was Jeder ſieht, zu denken was noch Keiner gedacht hat.
pi_74371166
Leuk. Had ik nog nooit van gehoord, maar de beide bewijzen zijn goed te volgen.

Roept wel de vraag op hoe de formule er uit ziet voor drie dimensionale objecten. Stel dat ik een knikker met doorsnede d laat vallen en de kans wil berekenen dat die knikker een naad kruist. Komt daar niet gewoon precies dezelfde formule uit (met l=d) ? En wat als ik kubusjes laat vallen?
  woensdag 4 november 2009 @ 00:13:37 #197
147503 Iblis
aequat omnis cinis
pi_74371536
quote:
Op dinsdag 3 november 2009 23:59 schreef Agno het volgende:
Leuk. Had ik nog nooit van gehoord, maar de beide bewijzen zijn goed te volgen.

Roept wel de vraag op hoe de formule er uit ziet voor drie dimensionale objecten. Stel dat ik een knikker met doorsnede d laat vallen en de kans wil berekenen dat die knikker een naad kruist. Komt daar niet gewoon precies dezelfde formule uit (met l=d) ? En wat als ik kubusjes laat vallen?
Als je een goede uitdrukking kunt vinden voor de ‘hoogte’ van zo’n voorwerp, dan is het vrij goed te doen. Want dan valt in feite die integraaltruc toe te passen.
Daher iſt die Aufgabe nicht ſowohl, zu ſehn was noch Keiner geſehn hat, als, bei Dem, was Jeder ſieht, zu denken was noch Keiner gedacht hat.
pi_74371668
quote:
Op woensdag 4 november 2009 00:13 schreef Iblis het volgende:

[..]

Als je een goede uitdrukking kunt vinden voor de ‘hoogte’ van zo’n voorwerp, dan is het vrij goed te doen. Want dan valt in feite die integraaltruc toe te passen.
Inderdaad. Maar wat als ik nu spelden laat vallen en aanneem dat ze met hun punt in het hout blijven steken (dus een halve bol kunnen beschrijven tov van het 'inslagpunt'). Waarschijnlijk lukt dat ook met de integraaltruc want de richtingshoek van de speld tov van de vloer en zijn lengte bepalen de hoogte aan de andere zijde van de speld. Of maak ik een denkfout?
  woensdag 4 november 2009 @ 00:27:37 #199
147503 Iblis
aequat omnis cinis
pi_74371791
quote:
Op woensdag 4 november 2009 00:19 schreef Agno het volgende:

[..]

Inderdaad. Maar wat als ik nu spelden laat vallen en aanneem dat ze met hun punt in het hout blijven steken (dus een halve bol kunnen beschrijven tov van het 'inslagpunt'). Waarschijnlijk lukt dat ook met de integraaltruc want de richtingshoek van de speld tov van de vloer en zijn lengte bepalen de hoogte aan de andere zijde van de speld. Of maak ik een denkfout?
Klopt volgens mij. Maar als het om experimenteren gaat om π uit te rekenen, heb je niet zoveel aan die integratiemethode.
Daher iſt die Aufgabe nicht ſowohl, zu ſehn was noch Keiner geſehn hat, als, bei Dem, was Jeder ſieht, zu denken was noch Keiner gedacht hat.
  woensdag 4 november 2009 @ 18:36:54 #200
151662 Zwavel-Zuur
Coming soon.....
pi_74393646
quote:
Op vrijdag 23 oktober 2009 08:14 schreef -J-D- het volgende:
[ afbeelding ]

Beetje humor op de 'vroege' ochtend.
Ik zie niet waar hhet nu niet klopt
abonnement Unibet Coolblue Bitvavo
Forum Opties
Forumhop:
Hop naar:
(afkorting, bv 'KLB')