Bron: Wikimedia Commons. Maker: Hamilton Richards.
Licentie: CC-BY-SA. Edsger Dijkstra in 2002![]()
Nóg een bewijs van de stelling van Pythagoras, door de Nederlandse Wiskundige en Informaticus
Edsger Dijkstra. Hij is vooral bekend, nu ja, bekend – menigeen zal nooit van hem gehoord hebben, vanwege zijn werk in de informatica en zijn kortste pad algoritme: een algoritme dat je b.v. kunt gebruiken om in een applicatie als Google Maps de korste weg te vinden van A naar B. Op zich ook een elegant algoritme.
Hij was verder bekend omdat hij
alles met zijn vulpen schreef. De stukjes die hij schreef worden EWD’s genoemd, en deze zijn
allemaal gescand en te lezen op de universiteit waar hij lange tijd heeft gezeten: De universiteit van Austin, in Texas. In 2002 is hij in Nuenen overleden.
Dit bewijs betreft
EWD 975, daarin is zijn handschrift te zien. Een
HTML-versie vind je hier. Het origineel is in het Engels, maar hieronder volgt de uitwerking in het Nederlands.
Het vereist op zich alleen middelbare school kennis van wiskunde, maar is denk ik wel iets lastiger dan het vorige Pythagorasbewijs.
Stelling van Pythagoras: In een rechthoekige driehoek is het kwadraat van de lengte van de schuine zijde gelijk aan de som van de kwadraten van de twee andere zijden.
We beginnen met een willekeurige driehoek:
![]()
We weten dat de som van de hoeken α, β, γ 180°C is. Of, in radialen, π. We zouden de stelling van Pythagoras dus kunnen uitdrukken als:
γ = π/2 ⇒ a
2 + b
2 = c
2In woorden: Als γ een rechte hoek is, dan geldt de stelling van Pythagoras. Echter, we weten ook dat α + β + γ = π, dus als we dat invullen krijgen we:
γ = (α + β + γ) / 2 ⇔ 2γ = α + β + γ ⇔ γ = α + β
Dat is niet zo’n vreemde uitdrukking, want inderdaad als γ een rechte hoek is moet α + β ook wel 90° of π/2 zijn. We kunnen dus zeggen:
γ = α + β ⇒ a
2 + b
2 = c
2Dijkstra vraagt zich nu af ook geldt:
γ = α + β ≡ a
2 + b
2 = c
2Wat dan equivalent is aan:
γ ≠ α + β ≡ a
2 + b
2 ≠ c
2Hij merkt nu op dat als als x ≠ y dat dan geldt: x < y óf x > y. (Maar niet beide natuurlijk.) Zijn hypothese is nu dat je zelfs kunt zeggen dat:
α + β < γ ≡ a
2 + b
2 < c
2α + β > γ ≡ a
2 + b
2 > c
2 Beschouw nu de variant van bovenstaande driehoek, we hebben twee punten
H en
K toegevoegd:
![]()
Dit is dus duidelijk een driehoek waarin geldt dat α + β < γ. Maar het bewijs is dus algemener, dit is alleen ter visualisatie. Maar in dit geval zien we dus dat de oppervlakte van ΔCKB en ΔAHC, die niet overlappen, kleiner is dan de oppervlakte van ΔABC. We duiden de oppervlakte van ΔCKB simpelweg aan met ‘CKB’ en van ΔAHC met ‘AHC’, enz., dan geldt voor de driehoek hierboven:
CKB + AHC < ABC
Het moge duidelijk zijn dat als α + β = γ dat H en K dan precies samenvallen (immers α + β = π/2 in dat geval) en dus geldt dan ook:
CKB + AHC = ABC.
En dat als α + β > γ, dat dan (merk trouwens op dat dit heel veel mogelijke plaatjes geeft in de relatieve positie van A, B, H, en K, dus daarom tekenen we die plaatjes ook niet

) geldt:
CKB + AHC > ABC.
Door nu gebruik te maken van de
signum functie kunnen we heel eenvoudig schrijven:
signum(α + β - γ) = signum(CKB + AHC - ABC).
Verder valt op dat ΔABC, ΔAHC en ΔCKB gelijkvormig zijn, immers, ze hebben alle drie de hoeken α, β en γ. Omdat ze gelijkvormig zijn geldt:
CKB/a
2 = AHC/b
2 = ABC/c
2.
Dus de oppervlakte gedeeld door het kwadraat van de langste zijde is gelijk (*), en in het bijzonder geldt dat dit positief is. We merken daarom op:
signum(CKB + AHC - ABC) = signum(a
2 + b
2 - c
2).
Dus:
signum(α + β - γ) = signum(a
2 + b
2 - c
2)
Deze stelling zegt, in Dijkstra’s woorden eigenlijk ‘vier keer zoveel als de stelling van Pythagoras’.
* Over die gelijkvormigheid: Neem een driehoek met basis a en hoogte h, en neem een geschaalde driehoek met basis ca en dus hoogte ch. De oppervlakte van de eerste is 1/2·a·h, en van de tweede is 1/2·a·h·c2. Hun oppervlaktes verhouden zich dus als c2, wat inderdaad ook voor de kwadraten van die zijdes geldtPlaatjes van de driehoeken zijn eigen werk.
Daher iſt die Aufgabe nicht ſowohl, zu ſehn was noch Keiner geſehn hat, als, bei Dem, was Jeder ſieht, zu denken was noch Keiner gedacht hat.