dit moet je weten:
Examenstof en begrippenlijst havo Natuur en milieu, 2007-2008-2009
De begrippen vind je in deze samenvatting.
Deel 1 Je moet de landschappelijke hoofdstructuur van Nederland kennen en beoordelen:
A vanuit natuurlijke processen en
B vanuit menselijke activiteiten in deze landschappen.
We hebben in ons kleine landje toch nog 6 hoofdlandschappen, we zullen ze samenvatten.
Zeer bijzonder is dat de minister verwijst naar de Bosatlas (51e druk, kaartbladen 14 t/m 18 of 52e druk kaartbladen 18 t/m 22). Alleen de elementen uit de legenda en tekst zullen gevraagd worden. Bijzonder is ook dat de minister zegt: je moet de landschappen ook kunnen herkennen van foto’s. Vraag je leraar om oude examens of bekijk ze op
www.examen.nl, vroeger werden de landschappen inderdaad vaak gevraagd met behulp van foto’s!
Pak nu de atlas, wij houden dezelfde volgorde aan.
1. Lösslandschap.
Löss bestaat uit zeer fijne stofdeeltjes die in de ijstijden met de wind zijn meegelift naar Zuid-Nederland. Het is kalkrijk en vruchtbaar.
A Fysisch geografische elementen:
a Plateaus, hier ontstaan door opheffing van het landschap (vorming Alpen).
b Droge dalen, op de hellingen. In de laatste ijstijd was de ondergrond bevroren. Op de bovengrond scheen de zon. Het sneeuwsmeltwater sleep in de löss gemakkelijk dalen uit. Na het verdwijnen van de bevroren ondergrond verdween ook het water uit de dalletjes, ze staan nu droog.
c Holle wegen. Löss erodeert gemakkelijk. Als een boer met een kar een spoor trok in dit landschap, dan vergrootte dit spoor zich in de loop der eeuwen tot een diepgelegen weg. Vaak lopen deze holle wegen door de droge dalen!
d L öss spoelde weg naar brede beek- en rivierdalen. Deze hebben voor Nederland steile hellingen, let op de hoogtelijnen op de kaart. Fijn voor fietsers.
B Menselijke activiteiten:
a Wegen en spoorlijnen lopen door de dalen.
b Hier liggen ook de langgerekte dorpen, er is water en vruchtbare rivierklei.
c Akkerland vinden we op de plateaus en dat reeds vanaf 6000 jaar voor Chr. Hier dus het oudste cultuurlandschap van Nederland!
d Bossen op de hellingen om de snelle erosie van löss tegen te gaan.
e Idem: aanleg van de graften.
2. Duinlandschap.
Het zand komt van de bodem van de Noordzee en is landinwaarts met de wind meegelift.
A Fysisch geografische elementen:
a Oude duinen/strandwallen ontstaan 3000 v. Chr. Ze zijn laag (< 10 m) en liggen landinwaarts. Tussen 2 strandwallen liggen vaak lage, veenachtige gebieden.
b Jonge duinen. Ontstaan na 1000 na Chr. t/m vandaag. Hoog, tot 50 m en liggen aan de zeekant. Hier en: daar kennen we helaas maar een zeer smalle strook jonge duinen.
B Menselijke stempels
a Dorpen, steden en wegen liggen op de strandwallen.
b Oude duinen waren vroeger bosrijk en vol met wild. Vandaar de vele kastelen en herenhuizen. Nu zijn er veel toeristen en campings te vinden in dit toch wel grote natuurgebied.
c De oude duinen zijn vaak afgegraven en op die plaatsen vinden we de bollenvelden.
d Op de jonge duinen zijn we zuinig, er mag niet te veel op gebouwd worden. Het is onze eerste verdedigingslinie tegen de steeds stijgende zee.
e Reeds lang halen we kostbaar drinkwater uit de duinen.
3. Zandlandschappen.
A Fysisch geografische elementen: let op de verschillen tussen de 3 zandgebieden.
a Noord-Nederland.
Hier vinden we grondmorenen uit de voorlaatste ijstijd. In de laatste ijstijd is er dekzand over gestrooid.
b Midden- en Oost-Nederland.
Hier vinden we het stuwwallenlandschap. De voorlaatste ijstijd heeft met zijn oprukkende ijsmassa’s het rivierzand en grind als een bulldozer opgeschoven tot grote hoogten (voor Nederlandse begrippen).
c Zuid-Nederland.
Vooral dekzand uit de laatste ijstijd is hier naar toe geblazen. De ijsmassa’s zelf zijn er niet geweest, dus geen zwerfstenen of hunebedden.
B Menselijke elementen.
a Esdorpen. De boeren maakten slim gebruik van de hoogteverschillen in het landschap. De essen (eng, enk) middenin. Het waren de akkerbouwgronden die elk jaar opgehoogd werden met mest en plaggen. In de lagere gebieden, rondom de riviertjes, had je de groengronden voor de veeteelt. Op de hoogste gebieden lag het veld, de woeste gronden, waarop men de schapen losliet.
b De heide-ontginningen. Na de uitvinding van de kunstmest bracht men grote stukken van de woeste grond in cultuur. De verkaveling is hier dan ook: moderne rationele verkaveling, terwijl we meer de strokenverkaveling vinden op de essen en de groengronden.
4. Zeekleilandschappen.
A Fysisch geografische elementen.
a Oude zeeklei, hierop de kleinschalige polders. Deze klei is uit zee afgezet in het begin van het Holoceen.
b Jonge zeeklei, hierop de grootschalige polders. Deze klei is uit zee afgezet in het late Holoceen en gaat vandaag de dag nog door in de Waddengebieden.
B Menselijke stempels.
a Terpen. Omdat de oude zeeklei zacht neergelegd werd in een waddenlandschap met dagelijkse eb- en vloedbewegingen moesten de mensen om droge voeten te houden wel woonheuvels = terpen = wierden = hoogten opwerpen.
b Verkaveling. Alle boerderijen stonden boven op de terp rondom de kerk, hun kavels in stervorm, als taartpunten vanaf de kerk het weiland in. Verderop is meer de blokverkaveling.
c Ophoging/afgraving. In de loop der eeuwen steeg de zeespiegel. Men wilde nog steeds droge voeten houden, dus moest men voortdurend de terpen ophogen met alle natuurlijke materialen uit de buurt. Zo werden terpen prachtige composthopen. Vlak voor de uitvinding van de kunstmest werden veel verlaten terpen voor de compost afgegraven.
d Veeteelt. Door de lage ligging vinden we in dit landschap veel weilanden.
e Akkerbouw. In de jonge zeekleigebieden vinden we vaak akkerbouw. Verklaring: toen rondom 1000 na Chr. de dijkenbouw op gang kwam, ging men vanaf deze dijken het voorliggende kleiige waddengebied inpolderen. Omdat de zeespiegel bleef stijgen en dus ook de hoogte van de kleiafzetting krijgen we de gekke situatie: hoe dichter bij zee (hoe jonger de inpoldering), hoe hoger het landschap. Kijk naar de hoogtelijnen!
f Strokenverkaveling. Komt hier veel voor.
g Oude droogmakerijen. Door het uitbaggeren van veen in laag Nederland ontstonden grote meren b.v. Beemstermeer, Haarlemmermeer met als ondergrond de oude blauwe zeeklei. Toen we goede molens ontwierpen, gingen we veel van deze meren droogmalen. Ze liggen dan ook laag, meestal –4 / -5m N.A.P. Blokverkaveling overheerst.
h Jonge droogmakerijen. Bij het droogmalen van de voormalige Zuiderzee ontstonden de IJsselmeerpolders. Ondergrond: o.a. jonge zeeklei. In de polders vinden we de modernste rationele verkaveling.
5. Rivierkleilandschap.
Het landschap in de buurt van de grote rivieren.
A Fysisch geografische elementen:
a Oeverwallen/stroomruggen. Bij overstromingen van rivieren werden vlak naast de rivier zandwallen afgezet. De zeespiegel steeg en daardoor ook het peil van onze rivieren en dus bij volgende overstromingen werden de zandwallen ook weer verder opgehoogd. Ze bestaan uit: klei, zand en zavel. Let op: de naam rivierkleilandschap is niet geheel juist.
b Komgronden. Verder weg van de rivieren kwam bij overstromingen het water tot rust. Hier werd dan klei afgezet. De komgronden liggen laag.
B Menselijke stempels.
a Oeverwallen/stroomruggen. Hierop liggen de oudste dorpen en wegen. Hoog en droog.
b Dijken. Toen het rivierwater in de loop der eeuwen steeg moest men om droge voeten te houden dijken bouwen. Vanaf ongeveer 1000 na Chr. tot nu zijn in totaal 1000 km dijk gebouwd.
c Wiel. Als de dijk op 1 punt doorbrak, schuurde het woeste water er vlak achter een diep rond gat uit. Als dit zich vulde met water, noemen we ze wiel of waal.
d Fruitteelt. De zavelige stroomruggen zijn zeer geschikt voor fruitbomen.
e Veeteelt. In de lage komgronden vinden we veeteelt.
f Steenfabrieken. De rivierklei uit de uiterwaarden is zeer geschikt voor bakstenen.
g Uiterwaarden. Is het gebied tussen de zomer- en winterdijk. Hoog water wordt hier opgevangen, zijn hooilanden voor de boeren en uitgegraven kleigaten van de steenfabrieken zijn nu zeer geschikt voor waterrecreatie.
6. Veenlandschap.
Merkwaardig landschap, want niet door water, wind of ijs gevormd. Wel voor 100% door planten!
A Fysisch geografisch elementen:
a Laagveen. Gegroeid in laag Nederland, onder de grondwaterspiegel.
b Riviertjes. Voor de afwatering van dit natte landschap waren veel riviertjes nodig. Voorbeelden: Amstel, Rotte, Vlist, Gein enz.
c Hoogveen. Gegroeid in hoog Nederland, boven de grondwaterspiegel.
B Menselijke activiteiten.
a In laagveen vond de ontsluiting plaats vanaf de redelijk stevige oeverwal van het veenriviertje. Hier vinden we dan ook strookverkaveling, veeteelt en wegdorpen.
b In hoogveengebieden vond de ontginning later plaats en vanaf kanalen. We vinden hier modern rationele verkaveling, akkerbouw en langgerekte kanaaldorpen.
Deel 2 Andere aanpak van het natuurlijk milieu.
Vroeger via ruilverkaveling, nu volgens de landinrichtingswet.
Ruilverkaveling (Wet 1924) was vooral ruilen van grond tussen boeren om zo de versnippering hiervan tegen te gaan. Het landschap werd nogal rechtlijnig ingericht. De economische belangen van de boeren stonden bovenaan.
Langzamerhand ging men anders over het landschap denken. Natuurbehoud en recreatie werden steeds belangrijker gevonden. Vandaar dat de ruilverkavelingwetten veranderden in landinrichtingwetten (1985). Hierin sluiten boeren vaak beheersovereenkomsten met natuurverenigingen. Ze krijgen voor ieder uitgebroed kievitsei een vergoeding.
Deel 3 Gevolgen van deel 2, milieu wordt belangrijk.
We gaan nu bepaalde stukken land weer onder water zetten (leuk voor droge zomers), we laten de zee weer toe in de duinen (slufters), wind mag weer stuifgaten maken, geen inpoldering meer maar ontpolderen. Kortom: we gaan weer natuur ‘maken’ = cultuurnatuur. Maar wie is sterker, de mens of de natuur. Eén droge zomer en 10 tallen jaren natuurbeheer in het hoogveengebied bij Vriezenveen is verknald.
Deel 4 Je moet zelf een waardeoordeel kunnen geven over het ingrijpen van de mens in de natuur en hoever mogen we hierin gaan?
De minister geeft aan dat je met de volgende begrippen moet kunnen spelen:
a De eilandtheorie = hoe groter de afstand is van een eiland tot het vasteland, hoe minder soorten er op het eiland voorkomen. Belangrijk is dus de bereikbaarheid. Waarom? 1 voor nieuwkomers: de beste leefgebieden zijn al bezet. 2: oude soorten kunnen uitsterven. 3: er zijn geen grote aantallen van één soort, wat de kans op uitsterven verhoogt. 4: nieuwe soorten kunnen door de afstand het eiland moeilijk bereiken.
b De waarde van grensmilieus = de overgang van het ene ecosysteem naar het andere. Dus hoog –laag, droog –nat, bos –weiland. Hier is altijd een grote biodiversiteit aan te treffen. Examen vragenmakers waren gek op dit soort gebieden!
c De 4 functies van het natuurlijk milieu, nl. productie -, draag -, informatie – en regulatiefunctie.
Productiefunctie = wat levert ons de natuur op? In de diepte: delfstoffen als olie en goud, aan de oppervlakte: voedsel, in de hoogte: zuivere lucht.
Draagfunctie = de grond en de ruimte die nodig zijn voor alle ruimtelijke activiteiten (gebouwen, pretparken), en hoe de grond en de ruimte hiervoor geschikt gemaakt kunnen worden. Wat is de draagkracht van een bepaald gebied? Duidelijk is dat de ondergrond van een zandbodem steviger is dan die van een veenbodem voor de bouw van een hoge watertoren. Maar er zit in dit begrip ook iets van verdraagzaamheid: verdraagt het landschap de grootschalige ingreep van een pretpark of een groep wolkenkrabbers?
Informatiefunctie = wat vertelt het landschap ons, hoe kun je het aardrijkskundig ‘lezen’? Denk aan: hoe hoger een es, hoe langer de mensen hier woonden, want ze hebben eeuwenlang de mest over het land gestrooid zodat hij hoger werd. Dorpen en steden groeiden meestal in de buitenbocht van een rivier.
Regulatiefunctie = is het evenwicht in de natuur goed geregeld? Als dit niet het geval is, komen er te veel reigers in Amsterdam en te veel brandganzen op het Wad en wordt het gat in de ozonlaag te groot.
d Ecologische hoofdstructuur met kerngebieden en corridors (de verbindingswegen) = het verbinden van de natuurgebieden, zodat mens en dier lange tochten kunnen maken door groene gebieden zonder veel onnatuurlijke barričres tegen te komen. Het is de toekomstvisie voor de inrichting van natuurlijk Nederland. Als het lukt, is er in 2018 een netwerk van 730.000 hectare natuurgebied. De goede verbindingszones voorkomen voedselschaarste en inteelt en kunnen vluchtroutes zijn voor vijanden (vossen).
e Aardkundige waarden = de geografische boeiende plekken in het landschap, waar oude landschapskenmerken worden bewaard, beschermd en zelfs verbeterd. Een tijdlang wilden we alles platter maken in Nederland, maar gelukkig wordt er nu anders over gedacht. Het streekeigene moet worden versterkt, er moet weer een ‘leven’landschap komen, we steken weer duinen door (slufters) en laten het weer waaien (stuifduinen).
Deel 5 Werking en gebruik van het natuurlijk milieu.
Je moet de werking van het ecosysteem allereerst kunnen hanteren op 5 schaalniveaus:
a lokaal b regionaal c continentaal d mondiaal en e fluviaal (zie begrippenlijst).
De mens kan op deze 5 schaalniveaus op 3 manieren vreselijk te keer gaan zonder te denken aan duurzame ontwikkelingen voor hun kleinkinderen:
1 Uitputting. We gebruiken de voorraden van moeder aarde zo snel, dat ze opraken. Duidelijk voorbeeld olie: diertjes hebben er 000.000 jaren over gedaan om olie te vormen om vervolgens in een 100 tal jaren opgebruikt te worden. Op is op.
2 Aantasting. Dan wordt de kwaliteit van het milieu verminderd. Voorbeeld: gekapt oerwoud, het komt nooit weer terug in de oorspronkelijke, mooie, ruige vorm.
3 Verontreiniging. We brengen meer afvalstoffen in bodem, water en lucht dan dat het op een natuurlijke wijze gezuiverd kan worden.
Door 1 +2 +3 verstoren we het ecologisch evenwicht en krijgen alleen al in Nederland te maken met verdroging (zomer 2003), vermesting en verzuring in veel landschappen.
Verder moet je kunnen werken met het begrip: milieugebruiksruimte. Duidelijker wordt dit al als je kunt werken met het begrip: ecologische voetafdruk. Ook Nederland haalt nu eenmaal veel producten uit ontwikkelingslanden. Als we de grond voor de voedselproductie niet uitputten is alles O.K. Maar maken we de grondvoorraden wel op (uitputting) dan ontstaat een mondiaal probleem. En dat is er ook als wij onze sperzieboontjes halen van de beste landbouwgronden in 3e wereldlanden. Daar lijden ze dan honger.
Wat onze energievoorziening betreft, zouden we meer gebruik moeten maken van hulpbronnen met een stroomkarakter. Er worden er 3 genoemd: zon, water en wind. Ze worden steeds weer aangemaakt. Dus goed voor duurzame ontwikkeling.
Deel 6. Verandering in het natuurlijke milieu door menselijke activiteiten op lange termijn.
Dit onderdeel wordt in 2007 niet getoetst in het centraal examen en dus hier ook niet samengevat.
&Examenstof havo Politiek en ruimte 2007
Samenvatting en begrippenlijst havo Politiek en ruimte, nieuwe stijl, 2007
In 2001, 2002 en 2003 was er al een eindexamendomein Politiek en ruimte, oude stijl. In 2006 en 2007 krijg je te maken met ditzelfde domein, maar dan nieuwe stijl. Wat is er veranderd? Beter: wat is erbij gekomen? Want in 2001, 2002 en 2003 werd het hele subdomein A, ruimtelijk gedrag en politiek-ruimtelijke organisatie, geschrapt door de minister wegens overbelasting voor de leerlingen (nu niet meer?). Op het examen waren er alleen vragen over subdomein B (zie hieronder). Toch raad ik je aan de vragen over dit domein uit de examens van 2001, 2002 en 2003 te maken.
Je gaat het pas zien als je het doorhebt (met dank aan Cruijff). Als je onderstaande tekst kent, heb je precies genoeg bagage voor het eindexamen, want leerboeken zijn vaak te uitgebreid van stof.
Samenvatting
Let op: dit domein bestaat uit twee subdomeinen, nl.
A Ruimtelijk gedrag en politiek-ruimtelijke organisatie
Waar moet je op letten?
1. Alle ruimte op aarde is beperkt en vooral in subdomein A: er wordt alleen over Nederland gevraagd.
2. Je moet het ruimtelijk gedrag (van de Nederlanders) in kaart kunnen brengen voor zes zaken: richting, afstand, frequentie, wijze, duur en kosten.
Opmerking: er zal geen kaartproductie worden getoetst.
3 Deze zes zaken hoef je alleen toe te passen op A. werk, B. winkelen, C. recreëren en D. voorzieningen.
Opmerking: de minister heeft de voorzieningen beperkt tot het onderwijs en de
gezondheidszorg.
4 Je moet letten op de politiek-ruimtelijke organisatie d.w.z. wie is politiek de baas in een bepaald gebied? Denk aan: gemeente, provincie of Den Haag.
5 In hoeverre gaan Nederlanders grenzen over (gemeentegrens, provinciegrens, landgrens, EU-grens) voor hun werk, winkelen, vakantie of voor ziekte.
Als mensen bewust binnen grenzen blijven of ze juist andersom bewust overschrijden of over grenzen gaan twisten, dan moet je voor het examen op drie dingen letten:
A. het regionaal bewustzijn met de drie hieraan gekoppelde begrippen: identiteit, exclusiviteit en afgrensbaarheid (zie hiervoor begrippenlijst);
B. functionaliteit, d.w.z. leven die grenzen echt bij de mensen en moet er een bestuurlijke herindeling komen of laten ze de boel de boel.
C. de fysiek-ruimtelijke structuur. Nu komt vooral de fysische geografie om de hoek kijken: gebergten, moerassen, rivieren enz. zorgen voor natuurlijke grenzen. Maar ook wordt bedoeld de harde infrastructuur zoals brede kanalen, snelwegen en hsl-lijnen die een ruimte in stukken hakken, zodat je moeilijk van de ene in de andere ‘ruimte’ komt. Hierbij horen de begrippen: compartimentering en decompartimentering.
B Economie en politiek- ruimtelijke organisatie
Let op: lag bij subdomein A de nadruk op Nederland, bij B ligt dit bij de EU, dus hoe is de economische vervlechting tussen de EU onderling en met Nederland. Je moet over de volgende zaken iets weten:
1. Vervlechting in de landbouw;
2. Vervlechting in de industrie;
3. Vervlechting in de diensten.
Bij alle drie ligt de nadruk op de richting van de goederenstromen en de mate van regionale specialisatie (zie begrippenlijst).
4. Hoe vervlechten de 27 EU-landen zich intern wat betreft economische, politieke en sociaal-culturele opzichten?;
5. Hoe stellen zij zich extern op aan de buitengrens, ook wel het Eurogordijn genoemd? Hierbij horen drie begrippen: protectionisme, exclusieve economische zones en weer regionale specialisatie;
6. Je moet de gevolgen kennen van de samenwerking in de EU voor de
A. Economische ontwikkeling van de deelgebieden in de EU;
B. de relaties tussen de EU en Oost-Europa en
C. relaties met gebieden buiten Europa. Je moet er drie kennen: 1. ontwikkelingslanden, 2. Japan en 3. de NAFTA (zie begrippenlijst).
Begrippenlijst
Let op: deze is niet alfabetisch, maar volgt de bovengenoemde structuur van de subdomeinen.
Bij subdomein A punt 3A: werken. Hierbij horen de geografische begrippen: file, forensisme/pendelen, suburbanisatie.
File = de definitie van het TIC (Traffic Information Center) in Utrecht is: als het verkeer trager stroomt dan 25 km/uur, dan is er sprake van ‘stilstaand’ verkeer. Ze spreken van ‘langzaam rijdend verkeer’ als er over 2 km nog maar 25 - 50 km/uur gereden wordt. Vandaar dat pas files langer dan 2 km op de radio vermeld worden.
Forensisme/pendelen = het verschijnsel dat mensen dagelijks op werkdagen heen en weer reizen tussen de plaats/gemeente waar ze wonen en de plaats/gemeente waar ze werken.
Suburbanisatie = mensen trekken weg uit de stad om te gaan wonen in de omringende gebieden (dorpen en de landelijke omgeving). Veroorzaakt dus veel woon- werkverkeer en als ze op dezelfde tijd vertrekken veroorzaakt het files.
Bij punt 3B, winkelen: theorie van Christaller, draagvlak, drempelwaarde en reikwijdte.
Christaller, theorie van, ook wel centrale plaatsen theorie genoemd = deze beroemde geografische theorie zegt dat in de centraal gelegen plaatsen veel goederen en diensten aangeboden worden. Hoe groter de plaats, hoe ‘hoger’ de goederen en diensten en hoe groter het verzorgingsgebied en dus de uitstraling. Dus een winkel als de Bijenkorf vind je niet in een klein dorp en de uitstraling van de P.C. Hooftstraat, de Kalverstraat (Amsterdam) of de ‘koopgoot’ van Rotterdam is groter dan de Dorpsstraat in …. (vul zelf maar in).
Draagvlak = hoe veel klanten zijn er in een bepaald gebied te vinden voor een winkel? Het draagvlak voor een kapper is eerder bereikt dan dat voor de Bijenkorf.
Drempelwaarde = het minimum aantal klanten dat nodig is om ergens een bepaalde winkel te beginnen. De drempelwaarde van een kapper is eerder bereikt dan die voor de Bijenkorf.
Reikwijdte = de maximale afstand die een klant wil afleggen om een bepaald goed te kopen. Hij/zij reist verder voor een ‘hoger’ goed (auto) dan voor een ‘lager’ goed (mobieltje).
Bij punt 3C: recreëren.
Recreëren = Dit is sterk gekoppeld aan leeftijd, geld en hoeveelheid vrije tijd. Jonge mensen trekken eerder richting strand, oudere rustzoekers gaan naar de Veluwe. Rijkere mensen gaan vaak verder weg (reizen naar de andere kant van de wereld) dan armere mensen, hoewel backpacken ook kan. Meer vrije tijd betekent vaak langer dan een weekendje weg.
Bij punt 3D: voorzieningen, met name onderwijs en zorginstellingen
Hier gelden dezelfde punten als bij 3B. dus veel lagere scholen, al minder middelbare scholen, nog minder hogescholen en hier en daar een universiteit. Idem gezondheidszorg. Veel artsen, minder specialisten en nog minder ziekenhuizen.
Bij punt 4: wie is in Nederland over welke gebieden politiek gezien de baas?
Gemeenten maken bestemmingsplannen = hierin worden bindende richtlijnen gegeven voor de bestemming voor elke plek binnen de gemeentegrens. Maar de uiteindelijke toestemming moet komen van de Gedeputeerde Staten van een provincie. Want een bestemmingsplan moet passen in de streekplannen van deze provincie.
Provincies maken streekplannen = hierin worden in grote lijnen de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen van alle delen van de provincie beschreven. Maar deze ontwikkelingen moeten weer passen in de ruimtelijke nota’s van de overheid.
De overheid stelt nota’s op over de ruimtelijke ordening. Zie je Bosatlas: wat worden de stedelijke knooppunten? Waar loopt de ecologische hoofdstructuur? Maar ook beslissen ze over de loop van de Betuwelijn, hsl-lijnen, tweede Maasvlakte etc.
Bij punt 5A: regionaal bewustzijn met de drie bijbehorende begrippen:
Regionaal bewustzijn = de regio waarmee iemand zich sterk verbonden voelt. Deze regio kan een dorp, stad, streek of land zijn. Dit gevoel is niet te meten, maar wel bijvoorbeeld te zien wanneer Nederland oranje kleurt bij bepaalde voetbalwedstrijden.
Afgrensbaarheid = een gebied waar een groep mensen duidelijk de grenzen kan aanwijzen. Bij natuurlijke grenzen is dat gemakkelijk: een rivier of gebergte. Bij de andere grenzen zijn verdragen gesloten en plaatst men grensstenen en slagbomen.
Exclusiviteit = een gebied waarop een groep mensen exclusief aanspraak meent te moeten maken, dus gereserveerd voor een beperkte groep mensen. Denk aan Friesland, Baskenland etc.
Identiteit = een gebied waarmee een groep mensen zich identificeert en waarmee ze zich onderscheiden van de buurlanden. Ieder land heeft zijn eigen symbolen, denk aan klompen, Deltawerken, molens, tulpen of coffeeshops.
Bij punt 5B: functionaliteit. Leven de van vroeger opgelegde grenzen echt bij de plaatselijke bevolking? Of moeten er nieuwe grenzen komen en dus een bestuurlijke herindeling?
Bij punt 5C: fysiek-ruimtelijke structuur. Hiermee bedoelt de minister zowel de fysisch-geografische grenzen, als de door de mens gemaakte grenzen. Maar altijd draait het om de gevolgen: compartimentering of decompartimentering.
Compartimentering = het onderverdelen van de geografische ruimte. Een rivier snijdt een landschap of stad in tweeën. Door het verdrag (afgeleid van verdraagzaamheid) van Schengen heeft de EU binnen- en buitengrenzen gekregen.
Decompartimentering = het opruimen van grenzen, de barričres kleiner maken en dus minder versnippering van de ruimte. Bij rivieren door het aanleggen van bruggen en tunnels, bij de EU de binnengrenzen, hier heb je geen grenscontroles meer.
Bij subdomein B:
Bij punt B1: vervlechting in de landbouw en dus EU-maatregelen.
Hierbij behoren de volgende begrippen: garantieprijs, quota en superheffing. Waarom? Het kostenniveau van onze EU-landbouwproducten is hoger dan dat op de wereldmarkt, want de gemiddelde EU-boerderij is kleiner dan die in de Verenigde Staten of in Australië. Dus beschermen we onze boeren. Bij binnenkomst van buitenlandse producten gebruiken we importheffing en bij export van onze producten exportsubsidies. Argument: wij moeten wat ons voedsel betreft niet te afhankelijk worden van het buitenland (denk aan de energie-sector).
Gevolgen: maatregelen zoals garantieprijzen, quota en superheffingen.
Garantieprijs = de minimumprijs die een boer krijgt voor een product. Dit is gunstig voor de boeren: iedere boer ging van dit product meer produceren, daar kwamen overschotten van, zoals de boterberg, melkplas en vleesberg. De EU reageerde hierop met de volgende maatregelen:
Quota = bepaalde hoeveelheden van een product mogen gemaakt worden, denk aan de melkquotum. Geldt ook voor de EU-vissers.
Superheffing = een boete die een boer/visser krijgt als hij te veel produceert/vangt.
Bij punt B2
· Vervlechting in de industrie
Eén van de belangrijkste pijlers van de EU is open concurrentie. Met het wegvallen van de binnengrenzen, ontstond een open markt die nu 27 landen omvat. Hoe krijgen alle bedrijven in deze landen gelijke kansen? Doordat:
1. De EU kartelvorming (geheime prijsafspraken) bestrijdt
2. De EU (te) grote fusies kan verbieden
3 De EU goedkeuring moet verlenen als één van de 27 landen staatssteun wil bieden aan een bedrijf in dat land.
Bij punt B3
· Vervlechting van de diensten
Diensten zijn een groeimarkt en maken een groot deel uit van de Europese economie (in 2001 werkten er in de landbouw 7.100.000 mensen, in de industrie 44.100.000 en in de diensten 116.000,000). Daarom moet de vrije markt voor diensten versterkt worden, want ze is innovatief, kennisintensief en een grote banenmotor. Waarom lukt dat vrije verkeer van diensten dan toch niet zo goed? Er zijn drie redenen:
1. Grote bureaucratische rompslomp. Probeer maar eens na je eindexamen in een ander EU land te gaan studeren.
2. Hoge kosten.
3. Angst dat andere, vooral Oostbloklanden goedkoper kunnen werken (Poolse vrachtwagenchauffeurs op Nederlandse wagens).
Bij punt B4
Dit zijn de basispunten voor de oprichting van de EU geweest. Nu moeten alle 27 landen zich er intern aan houden.
Bij punt B5
Hoe stelt de EU zich op wat de buitengrenzen betreft? Let op de volgende drie begrippen:
Exclusieve economische zone (EEZ) = de eerste 200 zeemijlen vanaf de kust van het land dat aan zee grenst. Alle vissen die er rondzwemmen en alle bodemschatten in dit gebied zijn van dat land. Omdat Nederland een grotere kustlengte heeft dan Duitsland, hebben we het voordeel van onze Noordzeeolie en -gas.
Protectionisme = de tariefmuren die de EU opgeworpen heeft voor producten van buiten de EU. Iedereen die wel eens een cd/dvd uit de Verenigde Staten besteld heeft, weet hiervan.
Regionale specialisatie = een regio legt zich toe op die producten die er goedkoop gemaakt kunnen worden. Maar als dit gebied niet zo goed ontwikkeld is, (EU-mensen spreken doodleuk van een gebied met een handicap) moet het beschermd worden.
Bij punt B6A
Ontwikkeling in de deelgebieden van de EU, vooral de zwak ontwikkelde gebieden. Zij krijgen grote aandacht en grote sommen geld tot steun bij het sterker en welvarender maken. Denk aan gebieden met een hoog werkloosheidspercentage, oude industriegebieden en zeer dun bevolkte gebieden.
Bij punt B6B
Relatie EU en Oost-Europa. Merkwaardig punt, alsof de minister dit uit het oude programma heeft overgeschreven zonder te weten dat sinds 2004 de meeste Oostbloklanden nu tot de EU behoren. Jij kent alle 10 landen die er toen bij gekomen zijn: Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slowakije, Slovenië en Tsjechië. Onderstreep in deze alfabetische volgorde de voormalige Oostbloklanden. Per 1 januari 2007 zijn er weer 2 bijgekomen: Bulgarije en Roemenië. Hier ligt ook de oostelijke buitengrens van de EU en over die grens heen zijn natuurlijk nog andere Oostbloklanden. Zoek ze op.
Bij punt B6C
Hier worden drie relaties genoemd:
1. Ontwikkelingslanden. Hierbij horen twee begrippen:
· ACP-landen = de 71 landen in A (Afrika), C (Caraďbisch gebied) en P (Pacific = Stille Oceaan gebied), waarmee de EU in 1989 een overeenkomst (Lomé) tot een ontwikkelingssamenwerking heeft gesloten en handelsafspraken heeft gemaakt. Deze voormalige koloniën zijn vaak sterk afhankelijk van één exportproduct. Doel: ze beter te laten concurreren op de wereldmarkt. Ze krijgen veel geld van de EU hiervoor.
· Lomé-akkoorden = om de 5 jaar spreken de EU en de ACP-landen verdragen af over handel en de ontwikkelingsgelden.
2 Japan. Er is een sterke band gegroeid tussen de EU en Japan. Ieder jaar is er overleg op topniveau over het aanhalen van de politieke, culturele, maar vooral economische banden. In de periode 1993-2004 groeide de Japanse export naar de EU met 40% en de EU-export naar Japan met 15%. Voor Japan is de EU het één na grootste exportgebied, wij staan bij hen op de 5e plaats.
3 NAFTA= North American Free Trade Association, de vrijhandelszone bestaande uit Canada, Mexico en de Verenigde Staten. Verdrag stamt uit 1994. De NAFTA is niet zoals de EU een verstrengeling van landen op allerlei gebieden maar meer een internationaal verdrag voor
a: Importtarieven onderling te verlagen (tolunie);
b: Investeringen en bezittingen over en weer mogen nu;
c: Intellectuele eigendomsrechten respecteren van elkaars producten.
De NAFTA en de EU zijn de twee grootste handelsblokken ter wereld. Logisch dat ze toenadering zoeken.