Ik heb m'n tijdritfiets bij m'n ouders gestald en op m'n kamer een fiets aan de muur en een op de grond staan

[/quote]
In het kolenhok“‘EEN RACEFIETS?’ Het werd vol afgrijzen en met stemverheffing uitgesproken toen ik mijn ouders vertelde dat ik de dertig gulden, die ik met vakantiewerk had verdiend, had uitgegeven aan een tweedehands racefiets. Ze konden er niet over uit en ze vonden het ook niet goed. Ik kreeg te horen dat ik dat ding als de sodemieterij moest terugbrengen naar de verkoper en mijn geld terugvragen. ‘Ben je nou helemaal van lotje getikt?’ Ik moet er bedremmeld bij hebben gestaan, met de fiets die ik diezelfde dag van ene Kees had gekocht, een wielrenner die bij een bedrijfsongeval vier vingers was kwijtgeraakt en zodoende de remmen niet goed meer kon bedienen. Ik was de gelukkige die zijn schat mocht overnemen en zo voelde ik dat ook. Direct na aankoop van die kanariegele fiets – een echte Aandewiel – was ik naar huis gespurt in de volle overtuiging dat mijn ouders mijn enthousiasme zouden delen. Maar wat een teleurstelling. Mijn wereld stortte in bij zoveel onbegrip. Ik was er kapot van en in mijn bedje diep onder de dekens schreide ik die avond bittere tranen.
De volgende dag fietste ik met de rechter broekspijp in mijn sok gepropt terug naar Kees om de transactie ongedaan te maken. Terwijl ik me bezorgd afvroeg of hij daartoe wel bereid zou zijn, probeerde ik te genieten van de laatste meters op een echte racefiets en in een bocht zette ik nog eens goed aan. Dat had ik niet moeten doen want de fiets gleed onder me vandaan en ik schoof enkele meters over het wegdek. Toen ik de schade bekeek zag ik dat de achterband van de velg was geraakt, omdat – naar ik later pas begreep – de fiets te lang niet was gebruikt en de kit, waarmee de tube op de velg was gelijmd, was uitgedroogd. Verder was-ie onbeschadigd, wat niet gold voor mijn broek waar ter hoogte van de knie een flinke scheur in zat. Ik stond dus wanhopig voor twee problemen: hoe vertel ik het Kees en kun je dan nog wel je geld terugvragen, en hoe vertel ik het mijn moeder van die broek. Onoplosbaar, dacht ik en bij het huis van Kees aangekomen durfde ik niet eens aan te bellen. Ik ging terug naar huis om daar het leugentje op te hangen dat Kees de fiets niet terug wilde nemen en ik hem dus wel moest houden. Ook het andere probleem dacht ik te kunnen oplossen door mijn zus te vragen of ze er niet een lapje op kon naaien. Handig knipte ze een strookje uit het omslag en naaide dat op de scheur. Ik vond het er goed uitzien, maar mijn moeder zag het onmiddellijk. Ze pakte de broek en deed het werk van mijn zus nog eens over, ondertussen jammerend over het feit dat ik niks nut was, dat het geld haar niet op de rug groeide, en dat het eeuwig zonde was om voor zo’n rotjoch geld uit te geven. Voor straf werd mijn fiets verbannen naar het kolenhok en die avond bad ik onze lieve heer op mijn blote knietjes om pa en ma op andere gedachten te brengen.
Mijn gebed werd twee dagen later al verhoord toen mijn ome Arie op bezoek kwam. Dit familielid stond in hoog aanzien bij mijn ouders omdat hij niet alleen een eigen zaak en een auto bezat, maar ook nog eens bekend stond als kunstenaar. Het verhaal van mijn racefiets en de kapotte broek werd in geuren en kleuren aan ome Arie verteld en die wist wel raad, zei hij. Ik moest voor straf een nieuwe broek betalen en het geld daarvoor kon ik bij hem verdienen. Hij kon wel een hulpie gebruiken, zei hij, terwijl hij mij een knipoog gaf. Op mijn vrije woensdag- en zaterdagmiddagen kon ik bij hem aan de slag en dat zou drie piek per middag opleveren, genoeg om na een paar weken een nieuwe broek te kunnen kopen en de racespulletjes die ik verder nodig had om een echte wielrenner te worden. Mijn ouders werden direct enthousiast voor de wielersport. De fiets mocht direct van het kolenhok naar mijn kamertje verhuizen, mijn moeder toverde haar zwarte directoire om tot een racebroek en van mijn shirt van de voetbalclub, maakte ze een prachtig wielertruitje. Het frame van mijn fiets schuurde ik kaal en lakte het vervolgens in de kleuren rood, wit en blauw. Ome Arie zorgde voor de finishing touch door er als een volleerd letterschilder de woorden ‘Cauberg Course’ op aan te brengen. Ik trainde me een ongeluk, ik droomde van een overwinning in niets meer of minder dan de Tour de France en ik hunkerde naar de eerste koers.
Die eindigde echter in een drama, want bij het ingaan van de laatste ronde raakte een andere jongen met zijn voorwiel de vleugelmoer van mijn achterwiel en daar lag Jantje. Achtervork en wiel waren volledig naar de filistijnen. Ik pakte mijn gehavende karretje op, gooide het over mijn schouder en zette het op een rennen naar de aankomstlijn om de race te volbrengen. Het huilen stond me nader dan het lachen, want om de schade te laten repareren zou ik weer weken moeten sparen en mijn wielercarrière leek al weer voorbij voordat die goed en wel was begonnen. De voorzitter van mijn wielerclub had het allemaal zien gebeuren en de man had innig medelijden met me. Zoveel medelijden dat hij spontaan aanbood de schade voor zijn rekening te nemen. Een engel van een man en hij heette ook nog zo. En zo zijn ome Arie en Jan Engel er verantwoordelijk voor geweest dat ik toch nog een aardige wielrenner ben geworden, hoewel een Touroverwinning er niet heeft in gezeten.