Ach zo betaalde ik als lid van mijn studentenvereniging met mijn contributie en bierconsumptie ook voor subsidies aan wintersportreizen waaraan ik nooit deelnam en ook aan het schrijven van almanakken die ik nooit las.quote:Op vrijdag 5 augustus 2011 23:18 schreef Klopkoek het volgende:
[..]
Het heette misschien alleen niet altijd zo.
Zag een tijdje geleden een mooie docu op de Belg over de vele doden tijdens de begindagen van de Formule 1. Ooit kwam toen de politieke vraag op tafel wie moest gaan betalen voor de veiligheid op de banen (je kunt zeggen: je kiest er zelf voor om te racen maar dat is veel te simpel). Dat werden de circuiteigenaren. In feite ook een soort belasting. Er kwam geen overheid aan te pas maar het principe is hetzelfde.
Hier zijn betoog: http://www.sp.nl/nieuws/s(...)n-publiek-belang.pdf .quote:Het neoliberalisme leidt tot hernieuwde feodale verhoudingen
Frank Ankersmit
Tekst: Arjan Vliegenthart Foto: Reyer Boxem / Hollandse Hoogte
De historicus Frank Ankersmit is sinds jaar en dag een van de meest vooraanstaande liberale filosofen in Nederland. Hij gold jarenlang als een van de partij-ideologen van de VVD. Totdat de kredietcrisis hem partijloos maakte. Maar dat wil niet zeggen dat hij er geen meningen meer op na houdt. Spanning sprak met hem, over de scheiding tussen private en publieke belangen en de lessen van de kredietcrisis. ‘Met het neoliberalisme zijn we op weg naar een oligarchie, waar een kleine groep de staat opzadelt met het behartigen van hun eigen belangen.’
Q:Twee jaar geleden zegde u uw lidmaatschap van de VVD op. Wat was daarvoor de belangrijkste reden?
De belangrijkste reden was dat de VVD geen lessen wilde trekken uit de kredietcrisis en het failliet van het neoliberalisme. Als liberaal staat voor mij de heldere scheiding tussen publieke en private belangen centraal. Ik zeg met nadruk belangen, omdat het volgens mij daarom gaat. Vaak wordt er gesproken over de scheiding tussen staat en maatschappij (of staat en markt), maar dat is mij te staatsrechtelijk. Juist als we spreken over private en publieke belangen kunnen we onderzoeken waar we mee te maken hebben, dan hebben we als het ware een onafhankelijke variabele.
Zodra publieke belangen in private handen komen gaat het mis. De geschiedenis laat dat zien: denk aan de belastingpachters van het feodalisme en ancien régime die zich verrijkten ten koste van het publieke belang. Andersom geldt dat overigens ook. We hoeven maar aan het Sovjet-communisme te denken om in te zien dat het evenzeer in het publieke belang is dat private belangen niet in handen van de staat vallen. Terwijl een dergelijk regime de private belangen van de partijbonzen heel goed dienen kan.
Alleen wanneer we zaken goed scheiden, kunnen we problemen voorkomen. Publieke belangen horen door publieke instanties (de staat) behartigd te worden en private belangen door private instanties (de samenleving). Dat is het ideaal. Organiseert men het anders, dan gaat men ofwel richting feodalisme, ofwel richting totalitarisme. Deze les hebben de Nederlandse liberalen helaas niet geleerd uit de krediet-crisis.’
Q:Daarmee zijn wij bij een van uw centrale stellingen: het neoliberalisme heeft op een kwalijke manier publieke belangen geprivatiseerd. Hoe werkt dit in de praktijk?
‘Neem de financiële sector. Daar zijn door twintig jaar neoliberaal dereguleringsbeleid alle aspecten van het financiële bancaire systeem in contact met elkaar gekomen. Met alle ongewenste consequenties van dien. Een probleem in één deel van het financiële systeem besmet het hele systeem.
Dat hebben we met de kredietcrisis gezien. Speculerende bankiers gingen met het spaargeld van burgers aan de haal. Dat deden zij vanuit hun private belang en vanuit hun eigen optiek is het nog begrijpelijk ook. Het systeem maakte het mogelijk voor hen om zo te handelen. En omdat de bancaire sector in Nederland, maar ook in bijvoorbeeld Ierland en IJsland, zo groot was moest de overheid ervoor borg staan. Anders zou het bij ons en elders in het honderd lopen. Daarmee werden de private belangen van de bankiers met publieke middelen overeind gehouden.
Dat is de wereld op zijn kop. Daarom zeg ik als liberaal: zorg voor een heldere scheiding tussen private en publieke belangen. Maak waterdichte schotten tussen zakenbanken, die speculeren, en retailbanken, die ervoor zorgen dat het gewone economische verkeer kan plaatsvinden. Dat laatste is een publieke opgave. Richt daarnaast als overheid een rijkspostspaarbank op. Ik heb mijn geld daar veel liever, dan bij zo’n speculerende zakenbank.’
Q:Geldt deze vermenging van privatisering van publieke belangen alleen voor de bancaire sector of zijn er meer voorbeelden?
‘Er zijn veel meer voorbeelden, waar je ziet dat private belangen publiek georganiseerd worden. Of beter gezegd: waar door verzelfstandiging private belangen op een kwalijke manier vermengd worden met publieke opgaven. Kijk maar eens naar wat er nu met het onderwijs gebeurt. Ons onderwijssysteem krijgt steeds meer het karakter van private instanties. Met alle gevolgen van dien. Dan zie je verschijnselen die je in de private sector niet ziet: een explosieve groei van het aantal managers, die tot overmaat van ramp geen binding met de werkvloer hebben en die – als je even pech hebt – door exorbitante salarissen aan zelfverrijking doen. Zo wordt de staat gebruikt om een kleine groep te verrijken. Let wel, dit proces is niet zozeer het gevolg een van een politieke samenzwering of iets dergelijks. De betrokkenen zelf zijn zich vaak niet bewust van de processen die op dit terrein spelen. Zij zijn dergelijke salarissen normaal gaan vinden.
Dat leidt tot ironische, maar tegelijkertijd ook heel pijnlijke ontwikkelingen, Zoals een school die geld kreeg voor beter onderwijs, maar die daarmee naar de beurs ging. Dat ging heel prima: die school werd wel rijk, maar daar zijn scholen niet voor. Die moeten goed onderwijs geven, geen winst maken.’
Q:Hoe voorkom je dan dat scholen en andere publieke instellingen zich als private partijen gaan opstellen?
‘Voor de publieke en private sector gelden verschillende waarden en verschillende mechanismen. Voor beide sectoren is een plek, maar beide sectoren moeten ook hun grenzen kennen. De private sector wordt gekenmerkt door de noodzaak winst te maken, te concurreren, het leven van de concurrent zuur te maken, klantgericht te werken om ervoor te zorgen dat je als bedrijf overeind blijft. Voor heel veel zaken gaat dat ook prima. Maar niet voor publieke opgaven, zoals het onderwijs. Daar gelden andere waarden, die door het publieke belang worden ingegeven. De overheid moet iedereen gelijk behandelen, niet uit zijn op winst, maar responsief handelen richting haar burgers.
Dat zijn heel oude inzichten, die overigens niet alleen in democratische landen tot uiting hoeven te komen. Het zijn beginselen van goed openbaar bestuur. Dat had Ulpianus al door, een Romeins rechtsgeleerde aan het begin van de derde eeuw na Christus. Zijn stelling was dat de Romeinse staat verantwoordelijk was voor de publieke verantwoordelijkheden en dat dit met publiekrecht moest worden vastgelegd. Daar waar het ging om de relatie tussen individuen was het privaatrecht van toepassing.’
Q:Maar hoe bepaal je wat een publieke en wat een private aangelegenheid is?
‘Dat is voor een groot deel de uitkomst van een ideologische afweging. Maar het ideologisch debat is al langere tijd dood. Ere wie ere toekomst, de SP was de eerste en is de enige partij die nog serieus oppositie voert tegen het neoliberalisme en de politiek van de onvermijdelijkheid. Ik was – juist als liberaal – bijzonder getroffen door wat Emile Roemer onlangs in Buitenhof zei over de relatie tussen de private en publieke zaak. Het was me uit het hart gegrepen.’
Q:Hoe komt het dat de VVD, tot voor kort toch uw partij, niet gevoelig lijkt te zijn voor uw argumenten?
‘De VVD is van oudsher erg georiënteerd op het Amerikaanse en Britse liberalisme. In deze landen is een soort achttiende-eeuws liberalisme dominant, een soort van defensief liberalisme. In de achttiende eeuw streden de liberalen tegen de monarchie, die toen nog absolute macht had. De liberale strategie was erop gericht om deze macht zoveel mogelijk in te perken. De achttiende-eeuwse liberalen waren toen niet in staat om een rechtstreeks gevecht met de gevestigde orde om de regeringsmacht te winnen. Zo min mogelijk macht voor de koning en zo veel mogelijk ruimte voor vrije burgers was het devies. Daarin paste een kleine overheid. Je vindt dit liberale gedachtegoed nog terug in de Grondwet van de Verenigde Staten. Die kwam in 1787 tot stand en ademt nog het defensief liberalisme. Die Grondwet is bijna heilig geworden in de Verenigde Staten en daarmee ook een vorm van liberalisme dat een zo klein mogelijke overheid voor staat.
In de negentiende eeuw veranderde het liberale gedachtegoed. In Europa, Frankrijk voorop, werd de liberale beweging sterker en kon ze na de Franse Revolutie van 1789 de strijd met de gevestigde orde om de regeringsmacht wel aan. Het negentiende-eeuwse liberalisme is een scheppend liberalisme: met aandacht voor hoe de overheid vorm zou moeten krijgen. De liberale grondlegger van het huidige Nederlandse politieke systeem, Thorbecke, is daar een voorbeeld van. Thorbecke zag het belang van infrastructuur en spoorwegen. Hij heeft daarover nog geschreven – de geschiedenis zit vol met toeval – met mijn bet-overgrootvader, die toendertijd een katoenfabriek in Deventer had. Voor Thorbecke ging het om de vraag hoe we de staat zouden moeten inrichten en hoe we publieke belangen moeten waarborgen. In het defensief liberalisme is deze vraag nooit aan de orde geweest.
Rutte en zijn regering zijn erg van het defensieve liberalisme. Zij zijn absoluut geen opvolgers van de negentiende-eeuwse Nederlandse liberalen. De VVD vandaag de dag is de les van de Franse Revolutie vergeten. Die revolutie ging erom de publieke en private taken uit elkaar te trekken. Wat je nu onder het mom van het neoliberalisme ziet, is dat private belangen publiek gemaakt worden. Daarmee gaat het neoliberalisme tegen de kern van het liberalisme in.’
Q:Volgens u is de kredietcrisis een keerpunt in de geschiedenis – net als 1789, de beide wereldoorlogen en de val van de Muur dat waren. Als dat zo zou zijn, zouden we dat ook moeten merken. Doen we dat wel?
‘Nee, en dat is bijzonder ergerlijk. De politiek, in Nederland en daarbuiten, ziet niet goed onder ogen wat de consequenties zijn. Wat je ziet is dat er wel maatregelen worden genomen, maar ik verwacht weinig van regelgeving. Regelgeving heeft altijd lekken en banken zullen zoeken naar lekken en deze gebruiken. Daarom is het zo ongelooflijk belangrijk dat het debat over de kredietcrisis op gang komt. Maar dat gebeurt niet.
Kijk maar eens naar het regeerakkoord. Daar staat het onomwonden. We moeten hard bezuinigingen, 18 miljard. Maar hoe het komt dat we nu moeten bezuinigen, staat er niet. De bezuinigingen worden als een onvermijdelijkheid gepresenteerd. De regering zegt: er zal stringent beleid moeten worden gevoerd, wat iedereen hard raakt, maar naar de achtergronden van de crisis kijken we niet. En dat is symptomatisch voor het huidige tijdsgewricht. Het is de politiek van de onvermijdelijkheid, die een ernstige bedreiging voor onze democratie is.’
Q:Hoe komen we hier uit?
‘Bewustwording is in dit opzicht de eerste stap. Om het maar hard te zeggen: erkennen dat we gechanteerd worden. En dat dit beleid in het belang is van een kleine groep. We zeggen vaak dat we in een representatieve democratie wonen, maar dat klopt niet. We leven in toenemende mate in een oligarchie, een stelsel waarin een kleine groep het voor het zeggen heeft en waarin deze groep door middel van publieke organisaties zijn eigen belang veiligstelt. In dat opzicht zijn we op weg terug naar het feodalisme waar de staat garant staat voor het belang van een bepaalde, private groep.
In dat opzicht ben ik ontsteld over hoe de Tweede Kamer op dit moment met zich laat sollen. Als je kijkt hoe de regering de Kamer informeert. Onlangs verscheen er een proefschrift over hoe slecht, laat en onvolledig de regering het parlement informeert. En niemand wordt daar boos over. Dat parlementariërs zich zo laten piepelen en niet zeggen: ‘Dit pikken we niet. Zonder informatie gaan wij niet het debat met de regering aan.’ Los van oppositie en coalitie zou daar veel grotere verontwaardiging moeten staan. Knoeien met informatie is knoeien met macht. Als de Tweede Kamer niet ingrijpt, gooien we onze democratie te grabbel.
Dat we tegelijkertijd ook experimenteren met burgerfora, participatieve democratie en referenda helpt ons niet vooruit. Dat zijn lapmiddelen. Dat is doen alsof je de relatie tussen kat en muis verandert door te zeggen dat de kat de muis nog steeds mag opeten, maar dat de muis protest mag aantekenen. Daar wordt geen bestuurder echt bang van.
Maar er is hoop. Onderzoek laat zien dat burgers bereid zijn om onder omstandigheden de publieke belangen voorrang te geven boven private belangen. In die zin zouden partijen veel meer werk ervan moeten maken om deze publieke belangen te mobiliseren. CDA en VVD doen dat op dit moment niet en zeggen: wij gaan voor economische groei, daar wordt onze private rijkdom groter van. Maar burgers willen meer en zijn bereid daaraan ook hun stem te verlenen.’
Damnquote:Op vrijdag 5 augustus 2011 21:49 schreef Hexagon het volgende:
[..]
Arolsen als Breivik?
Die vent is al bang op de lokale kermis Vriendin loopt te drammen dat ik in een snelle kermisattractie moet
quote:Hans Achterhuis ontmaskert de ideologie van het neoliberalisme – met al haar verleidelijke én verwoestende kanten – tegen de achtergrond van de kredietcrisis. Het neoliberalisme blijkt net zo utopisch als het communisme. De retoriek is welhaast identiek en de gevolgen zijn net zo desastreus. En tot ieders verrassing blijkt het neoliberalisme te leiden tot vertraging in de groei.’. Met deze prikkelende woorden wordt de achterkant van het boek De utopie van de vrije markt (2010) gesierd.
Het boek van Hans Achterhuis, een filosoof en theoloog die inmiddels is uitgeroepen tot Denker des Vaderlands, verschijnt in een tijd waarin de glorie van het marktgericht denken ideologieën als het communisme en het socialisme definitief van het politieke (wereld)toneel lijkt te hebben verdreven. Zo maakt Europa de laatste jaren een serieuze ‘verrechtsing’ door en lijken haar inwoners het pad van het neoliberalisme met ferme tred in te zijn geslagen. Dit alles in de veronderstelling dat de vrije markt het ultieme model vormt om politieke problemen op te lossen en de economie gezond te krijgen alsook te houden.
De denker Hans Achterhuis (1942) trekt deze veronderstelling ernstig in twijfel en toont op niet mis te verstane wijze aan dat hier slechts sprake is van een utopische belofte. Het adagium dat Achterhuis bij deze onderneming in gedachten houdt is afkomstig van Spinoza en houdt in dat de menselijke verhoudingen zonder vooringenomenheid moeten worden bestudeerd. Geconstateerd kan worden bij het lezen van De utopie van de vrije markt dat hij zich aan dit adagium houdt en daarbij ook zijn eerdere opvattingen en uitlatingen niet ontziet. Met enige regelmaat herziet Achterhuis zijn eerder ingenomen posities als gevolg van blinde vlekken en aannames die bij nadere studie niet langer houdbaar zijn gebleken.
De utopie van de vrije markt is opgebouwd uit vier grote delen.
Het eerste deel vormt de basis van het boek en geeft de grondgedachte van het neoliberalisme weer dat ontmaskerd wordt als utopie. Hierbij staat het gedachtegoed van de filosofe Ayn Rand, vooral tot uitdrukking gebracht in haar roman Atlas Shrugged (1957), centraal. In tegenstelling tot Europa heeft haar denken in Amerika bij de ‘gewone man’ onwaarschijnlijk stevig wortel geschoten. (De volgens Rand linkse intellectuele elite reageerde ronduit negatief op haar werk.) De hoeveelheid aandacht die Achterhuis aan haar filosofie besteedt komt voort uit het feit dat Achterhuis haar werk ziet als een popularisering van het denken van de econoom en neoliberaal Friedrich von Hayek; langs deze weg gaf Rand de neoliberale utopie, ‘de utopie van de begeerte’, gestalte. 1 Daar waar Hayek meent dat maatschappelijke verbeteringen tot stand moeten komen door aparte delen van die samenleving zeer gedoceerd te veranderen, deinst Rand er niet voor terug om radicaal met de bestaande traditie te breken. De behoefte aan een revolutie of radicale breuk met een bestaande situatie of traditie is één van de kenmerken van een utopie, zo kunnen we niet alleen van Achterhuis (De erfenis van de utopie) leren, maar ook van de Britse cultuurfilosoof Roger Scruton (Het nut van pessimisme en de gevaren van de valse hoop (2010), pp. 76-77). 2 3
Achterhuis deelt de lezer mee dat we volgens Rand alleen dienen te geloven ‘in een objectief kenbare werkelijkheid die met de menselijke rede te vatten is, waarbij het volgen van eigen belangen geen subjectieve keuze is, maar objectief gezien de meest redelijke optie is’; een denkwijze die als Objectivisme door het leven gaat. Het rationele eigenbelang komt het sterkst tot wasdom via scheppende activiteiten uitmondend in het produceren van eigendommen; dit alles slechts ter faveure van het individu en in eerste instantie zeker niet ten voordele van de samenleving. Het overleven van de mensheid is volgens Rand gebaseerd op zeer succesvolle producenten, zo laat Achterhuis ons weten. In de ideale wereld van Rand draait alles om produceren, concurreren en handel. Niets, maar dan ook niets, gebeurt uit altruïsme, medemenselijkheid of vriendschap.
Deze ideologie inclusief een ultrakapitalistisch mensbeeld, bracht Alan Greenspan, leerling van Ayn Rand en lange tijd de president van de Amerikaanse Federal Reserve Bank, ertoe om een financiële politiek te voeren die, geheel tot zijn eigen verbazing, uiteindelijk leidde tot een wereldomvattende kredietcrisis. ‘Hoe een utopisch geloof letterlijk blind kan maken voor de harde feiten, blijkt uit de diepe overtuiging waarmee Alan Greenspan alle economische gegevens die op een kredietcrisis wezen, bewust negeerde.’, zo luiden de woorden van Hans Achterhuis op de achterzijde van De utopie van de vrije markt. De kredietcrisis, met de crisis op de huizenmarkt in haar kielzog, bewijst dat marktwerking alleen, dus met uitsluiting van overheidsingrijpen, niet de benodigde antwoorden levert op onze politieke en economische problemen.
Het gehele eerste deel van het boek van Hans Achterhuis kan gezien worden als een tekst die de leemte opvult in het kennisbestand van ons Europeanen ten aanzien van de grondslag van het heersende kapitalisme in Amerika. Vanaf deze plaats, dank daarvoor!
Het tweede deel van De utopie van de vrije markt is te beschouwen als een rondgang door de economische geschiedenis van de mensheid. We leren hiervan dat het goede leven zich niet alleen veelal buiten de markt afspeelt, maar ook buiten de staat. Achterhuis vestigt terecht de aandacht op de onontkoombaarheid van wederkerigheidsrelaties die nodig zijn voor het bestaan van een gemeenschap. Wetenschappelijk onderzoek van de laatste jaren, zoals dat van de primatoloog Frans de Waal bijvoorbeeld, laat zien dat niet alleen fenomenen als eigenbelang, egocentrisme, begeerte, concurrentie en strijd een overlevingswaarde hebben maar dat samenwerking, altruïsme en wederkerigheid qua overlevingswaarde voor een gemeenschap hier niet voor onderdoen. (Het werk van Frans de Waal komt slechts eenmaal via de bespreking van het werk van Aafke Komter kort ter sprake in het boek van Achterhuis.) Hans Achterhuis kan ten aanzien van een doordenking van deze thematiek verder op weg worden geholpen.
Neurowetenschappelijk onderzoek, zoals o.a. uitgevoerd door Antonio Damasio, laat nl. zien dat rationaliteit, redelijkheid en normativiteit zonder gevoelsleven, waaronder de ‘ik-beleving’ en de ‘ik-ander-beleving’ (algemener ‘subject-object-beleving’), niet mogelijk is. Niet alleen gevoelens die ten grondslag liggen aan strijdlustig gedrag en marktgericht denken maar ook gevoelens die nodig zijn voor de totstandkoming van wederkerigheidsrelaties en altruïsme spelen hierbij een cruciale rol. De opvatting van Ayn Rand, dat het volgen van eigen belangen geen subjectieve keuze is, maar objectief gezien de meest redelijke optie is, wordt dus vanuit recent wetenschappelijk werk niet ondersteund. Bij het maken van keuzes ten behoeve van een goed en redelijk leven spelen zowel subjectieve als objectieve aspecten een rol. Rand heeft geen oog voor de invloed van emoties die spelen bij de manifestatie van de subjectieve emotiemoralen (zoals die recentelijk ook zijn beschreven door Jan Verplaetse in zijn boek Het morele instinct. Over de natuurlijke oorsprong van onze moraal (2008) ). De objectieve rationele ethiek, zoals bijvoorbeeld die van Immanuel Kant (1724-1804) of Jeremy Bentham (1748-1832), vormen een aanvulling en/of een correctie op de subjectieve emotiemoralen maar vervangen deze niet.
Aangezien Ayn Rand met haar Objectivisme de pretentie heeft een volledig en volwaardig filosofisch systeem te bieden, zo leren we van Achterhuis, kan er dus ook op haar metafysica/ontologie en epistemologie de nodige kritiek worden geleverd. 4 De in ontologisch opzicht subjectieve zijde van het bestaan, het domein van het subjectieve denken, emoties en gevoelens, 5 inclusief de invloed ervan op onze (wetenschappelijke) theorievorming en ons handelen, wordt qua metafysische status in het werk van Rand ernstig tekort gedaan. 6 Deze grote omissie in het werk van Rand kan vermoedelijk medeverantwoordelijk worden gehouden voor haar utopisch denken op het terrein van haar politieke en sociale filosofie. 7 Tot zover de aanvullende opmerkingen op het onderzoek van Achterhuis.
Het derde deel van De utopie van de vrije markt is gewijd aan het denken over de vrije markt. Achterhuis werkt deze thematiek uit door het werk van achtereenvolgens Aristoteles, Thomas More, John Locke, Adam Smith, Jeremy Bentham, Karl Marx, Ēmile Durkheim en John Maynard Keynes te behandelen. Hier zal worden afgezien deze exercitie nog eens dunnetjes over te doen. Maar dat Achterhuis deze bespreking op vruchtbare en doeltreffende wijze uitvoert mag worden gezegd.
Het vierde deel van De utopie van de vrije markt heeft als titel ‘De gerealiseerde utopie van de vrije markt’. Hierin worden economische en politieke zaken aan de orde gesteld die zeer actueel zijn en roepen om een adequate duiding. Achterhuis slaagt erin om onderwerpen als ‘hebzucht en bonussen’, de marktwerking in de zorg en de gehele neoliberale teneur waarmee we op dit moment op het politieke en economische wereldtoneel geconfronteerd worden, in een passend perspectief te plaatsen. Achterhuis verleent de titel ‘De neoliberale tsunami’ aan dat deel in dit hoofdstuk waarin hij de hulpverlening aan de bevolking op Sri Lanka bespreekt aan de hand van het werk van Naomi Klein. We staan hier iets langer bij stil omdat in deze bespreking de desastreuze gevolgen van de utopie van de vrije markt op zeer markante wijze zichtbaar worden.
Het is schrijnend om te lezen hoe de fysische tsunami gebruikt is om de neoliberale agenda op te dringen aan de bevolking van Sri Lanka; een bevolking die na deze ‘hulpverlening’ zelf is gaan spreken over een ‘tweede tsunami’ die het land getroffen heeft. Het in één klap verdwijnen van de bestaande instituties, wetten, langzaam tot stand gekomen gebruiken en verzamelde wijsheden, hielpen de condities scheppen om dit gebied geheel opnieuw langs neoliberale Washington Consensus op te bouwen ten koste van de lokale bevolking en hun cultuur. De hulpverlening, die niets anders bleek te zijn dan een ongevraagde en opgedrongen neoliberale missie met aantoonbaar negatieve gevolgen voor de hulpbehoevenden, is te classificeren als de uitvoering van een utopisch programma die alleen mogelijk werd door een radicale breuk met het verleden.
Tot slot, de epiloog van De utopie van de vrije markt. Na het vallen van de Berlijnse Muur is het voormalig socialistische en communistische bolwerk bekend komen te staan als zijnde een utopie. Nu ontmaskert Hans Achterhuis het marktgericht denken, zoals vormgegeven in het neoliberalisme, ook als een utopie. Wat rest ons nog te denken over een gerechtvaardigde sociale en politieke filosofie. Gelukkig wijst Achterberg in zijn epiloog een weg die in de toekomst bewandeld zou kunnen worden. Hij pleit voor een herstel van de verhouding tussen markt, staat en burgermaatschappij (‘civil society’). Deze burgermaatschappij bestaat uit mensen ‘die zelf hun verantwoordelijkheid nemen en marktpartijen (evenals overheidsdienaren) op persoonlijke titel aanspreken en zo nodig tot de orde roepen. Dan gaat het dus om persoonlijke initiatieven, waar mogelijk versterkt door institutionele platforms voor moreel beraad.’.
In zijn pleidooi voelt Achterhuis zich gesteund door het werk van Aristoteles en diens deugdenethiek. Volgens deze oude Griekse denker hebben we naast praktische wijsheid, moed, zelfbeheersing en maatgevoel ook rechtvaardigheid nodig waarbij het algemeen belang centraal staat. Echter, de deugdenethiek van Aristoteles mag misschien een belangrijk deel van het slotstuk van het boek van Achterhuis vormen, maar is geenszins het sluitstuk van de dialoog over deze materie. Immers, de ethiek van Aristoteles is onder filosofen bepaald niet onbesproken gebleven en vraagt om nadere studie wanneer het gaat om deze in ons huidig tijdsgewricht op waarde te schatten. Laat de verschijning van het boek van Achterhuis het startpunt zijn voor een nieuw debat over staatsinrichting en de wijze waarop de globalisering, o.a. op het gebied van de economie, vorm moet worden gegeven.
Een al eerder gemaakte algemene opmerking en lofprijzing is dat Achterhuis in staat is zijn opvattingen en door hem eerder ingenomen posities openlijk te herzien. Dit komt de geloofwaardigheid van zijn boek ten goede. Zo schrijft hij bijvoorbeeld in alle intellectuele kwetsbaarheid:
“De dystopische trekken van de neoliberale utopie tekenden zich in de loop van mijn onderzoek wel steeds duidelijker af: verschraling van menselijke relaties omdat de hele wereld tot een markt wordt gereduceerd, gewelddadige onteigening en ontworteling van grote groepen mensen, toenemende sociale ongelijkheid, uitsluiting van burgers die de concurrentiestrijd op de markt niet aankunnen, afbraak van de politieke macht van gemeenschappen, een paradoxale toename van toezicht en controle. Deze dystopische schaduwkanten liegen er niet om. Maar bij al deze negatieve punten bleef ik geloven dat de vrijmaking van de markt in elk geval economisch haar beloften zou hebben waargemaakt in de vorm van een wereldwijde groei van economie en welvaart, hoe ongelijk die welvaart ook mocht zijn verdeeld.” (p. 296).
Achterhuis laat vervolgens aan de lezer zien hoe hem, tijdens het voortschrijden van zijn onderzoek, de schellen van de ogen vielen.
Al met al is het boek van Hans Achterhuis inderdaad ‘een ware eye-opener’ zoals Dirk Verhofstadt in Liberales schrijft. Daarnaast zou het misschien ook gepositioneerd kunnen worden als fundament voor het partijprogramma van (paarse) partijen zoals D66 (en GroenLinks). Het betreft hier in ieder geval een zeer opmerkelijk en bijzonder leerzaam boek dat eigenlijk verplichte kost zou moeten zijn voor alle politici, beleidsmedewerkers, ondernemers, burgers en stemgerechtigden, kortom, voor iedereen.
De oorspronkelijke liberale stroming wordt gedragen door denkers als John Locke, Adam Smith, Jeremy Bentham en Ludwig von Mises. Naast Hayek kan ook de econoom Milton Friedman gezien worden als één van de architecten van het neoliberalisme. Achterhuis houdt hem direct en indirect verantwoordelijk voor veel pogingen om de utopie van het vrijemarktkapitalisme te realiseren. ↩
In tegenstelling tot neoliberalen zijn conservatieve denkers als Hume, Smith, Burke, Oakeshott en Scruton uitstekend in staat om een combinatie van het vrije marktdenken en een traditionele maatschappijvisie te verdedigen. ↩
De kritiek van Scruton op utopieën komt in de volgende frase helder tot uitdrukking: “Karl Popper bestempelde het vermijden van weerlegging als het kenmerk van pseudowetenschap; hij zag falsifieerbaarheid als de ruggengraat van de wetenschappelijke methode en van de manier waarop wij, rationele wezens, onderhandelen over het leven, ‘zodat onze hypotheses sterven in plaats van wijzelf’, zoals zijn fameuze uitspraak luidde (Popper 1972, p. 248). Maar de utopistische immuniteit voor weerlegging is naar mijn overtuiging een immuniteit op een dieper niveau dan de immuniteit die Popper signaleerde in de pseudowetenschappen van zijn tijd. Want ze paart zich aan het besef dat de utopie onmogelijk is. Onmogelijkheid en onweerlegbaarheid gaan onbekommerd hand in hand.” (Scruton 2010, pp. 69-70). (In het boek Objective Knowledge: An Evolutionary Approach (1972) dat Popper schreef, ontwikkelde hij een driewereldentheorie met als doel objectieve theorievorming, zoals dat in echte en goede wetenschap plaatsvindt, van het subjectieve denken te onderscheiden.) ↩
Ayn Rand streeft een filosofisch systeem na met daarin een metafysica, epistemologie, ethiek, esthetiek en politieke filosofie. ↩
In feite betreft het de gehele inhoud van Poppers wereld 2. ↩
Theorievorming (conceptueel) vindt plaats in Poppers wereld 3 en ons handelen in Poppers wereld 1. (Epistemologisch beschouwd zijn de werelden 1 en 3 toegankelijk vanuit het 3e persoonsperspectief terwijl wereld 2 alleen toegankelijk is vanuit het 1e persoonsperspectief.) Rands Objectivisme hoort ook thuis in wereld 3 en heeft eveneens een substraat van subjectieve gevoelens en subjectieve (ongeconceptualiseerde) gedachten die van invloed zijn. ↩
Deze beweringen zijn gebaseerd op de informatie over Ayn Rand zoals die via het boek van Achterhuis tot de lezer komt. ↩
Dat is leuk maar dan zouden ze eerst eens aan zelfreflectie moeten doen (en de PvdA ook). D66 van nu is niet meer hetzelfde als onder Wolffensperger en GroenLinks is niet meer dan van Rosenmoller.quote:Daarnaast zou het misschien ook gepositioneerd kunnen worden als fundament voor het partijprogramma van (paarse) partijen zoals D66 (en GroenLinks).
Grappige is dat in de beeldvorming links nog gezien wordt als de Nieuw Linkse hippies uit de jaren 70, terwijl zij sinds de jaren 90 niet meer en niet minder zijn als de bandwagon van het neoliberalisme. De beeldvorming lijkt in niets op de realiteit van het mede door links gevoerde beleid de afgelopen 20 jaar. Nog steeds zie je een nauwelijks verholen ideologische haat tegenover alles wat links is of er op lijkt in bepaalde kringen, met dan als reactie de conclusie dat de overheid nog kleiner moet worden, dat er nog minder toezicht moet bestaan, nog meer privatisering en en nog meer deregulering, ...zodat uiteindelijk als het aan die lieden ligt de door de neoliberale politiek veroorzaakte crisis alleen nog groter wordt... alleen zien ze dat niet door hun ideologische blinde vlek.quote:Op zaterdag 6 augustus 2011 12:07 schreef Klopkoek het volgende:
[..]
Dat is leuk maar dan zouden ze eerst eens aan zelfreflectie moeten doen (en de PvdA ook). D66 van nu is niet meer hetzelfde als onder Wolffensperger en GroenLinks is niet meer dan van Rosenmoller.
Eén stukje eruit gelicht:quote:Op zaterdag 6 augustus 2011 11:53 schreef Klopkoek het volgende:
Mooi kort en bondig stuk van Chomsky vandaag.
http://www.truth-out.org/america-decline/1312567242
quote:For financial institutions the primary concern is the deficit. Therefore, only the deficit is under discussion. A large majority of the population favor addressing the deficit by taxing the very rich (72 percent, 27 percent opposed), reports a Washington Post-ABC News poll. Cutting health programs is opposed by overwhelming majorities (69 percent Medicaid, 78 percent Medicare). The likely outcome is therefore the opposite.
The Program on International Policy Attitudes surveyed how the public would eliminate the deficit. PIPA director Steven Kull writes, “Clearly both the administration and the Republican-led House (of Representatives) are out of step with the public’s values and priorities in regard to the budget.”
The survey illustrates the deep divide: “The biggest difference in spending is that the public favored deep cuts in defense spending, while the administration and the House propose modest increases. The public also favored more spending on job training, education and pollution control than did either the administration or the House.”
The final “compromise” – more accurately, capitulation to the far right – is the opposite throughout, and is almost certain to lead to slower growth and long-term harm to all but the rich and the corporations, which are enjoying record profits.
!!!quote:The House Appropriations Committee cut the budget request for the Securities and Exchange Commission, the prime barrier against financial fraud. The Consumer Protection Agency is unlikely to survive intact.
Ik vind dat een goed boek, maar niet zo goed als het Rijk der Schaarste. Ik weet niet of je het gelezen hebt, maar ik kan éénieder hier het van harte aanraden, zeker ook in het licht van de discussie over het liberalisme.quote:Op zaterdag 6 augustus 2011 12:03 schreef Ryan3 het volgende:
En hier dan nog maar eens de boekbespreking van Hans achterhuis' boek: De utopie van de vrije markt', maar dan van deze site: http://www.worldforthinke(...)e-van-de-vrije-markt.
[..]
Hij neemt het mee om de stelling "de moderne maatschappij heeft de schaarste niet overwonnen maar juist gecreëerd" te onderbouwen. Die vorm van begeerte is onderdeel van het rijk der schaarste.quote:Op zaterdag 6 augustus 2011 13:33 schreef Klopkoek het volgende:
Heeft Achterhuis dat ge-copy-paste van Rene Girard of geeft hij daar een draai aan?
http://en.wikipedia.org/wiki/Ren%C3%A9_Girard
http://www.civismundi.nl/index.php?p=artikel&aid=1436quote:Het begrip ‘mimetische begeerte’ van René Girard (1978) is belangrijk voor een goed begrip van de statuswedloop. Het is door het ongebreidelde proces van ‘mimesis’ (imitatie, nabootsing) dat de mens in de eindeloze spiraal van de statuswedloop verzeilt raakt. Oproepen tot zelfbeperking en soberheid monden meestal uit in een machteloos moralisme (Achterhuis 1988, blz. 108). Het (s)preken over ‘normen en waarden’ zet weinig zoden aan de dijk. Het zijn niet alleen de zogenaamde ‘primitieve’ culturen die de problemen van permanente rivaliteit en sociale cohesie niet hebben opgelost, maar ook de moderne Westerse cultuur worstelt nog steeds met het voortdurende statusgevecht. Moderne bankiers en topmanagers rivaliseren constant om hoge salarissen en bonussen, en veronachtzamen het (althans gedeeltelijk) door hen veroorzaakte gebrek aan sociale cohesie in de moderne consumptiemaatschappij.
Keizer (2008) merkt op dat naast grondig inzicht in de economische logica van concurrentie en samenwerking, en de sociale logica van rivaliteit en solidariteit, we ook inzicht in de psychologische logica nodig hebben. Volgens hem gaan onder overdreven economische concurrentie en sociale rivaliteit psychologisch zwakke en angstige persoonlijkheden schuil, en onder samenwerking en solidariteit sterke, zelfbewuste persoonlijkheden. Het (veelal onbewuste of onderbewuste) psychologische proces van de mimetische begeerte ligt ten grondslag aan de economische en sociale processen die de moderne markteconomie sturen. ‘Volwassen’ economische samenwerking en sociale solidariteit vooronderstellen psychologisch gezonde persoonlijkheden. ‘Volwassen’ gedrag betekent hier ecologisch en maatschappelijk verantwoord gedrag. Psychologisch gezonde of volwassen persoonlijkheden hebben de mimetische begeerte (althans gedeeltelijk) getranscendeerd, maar dit ‘overstijgen’ van de mimetische begeerte is geen vanzelfsprekende zaak. Omdat deze begeerte waarschijnlijk evolutionair bepaald is en dus in onze nature zit, en de nurture component van conventionele sociale en culturele conditionering tot op heden niet sterk genoeg is gebleken om de mimetische begeerte in te dammen, zijn andere maatregelen nodig.
Die verandering vindt plaats op basis van de selfish gene, om het zo maar even te zeggen: de drang om je in positieve zin te willen onderscheiden van je medemens, om zo je voortplantingskansen te vergroten. Stom voorbeeld: mode. Elk jaar weer wat nieuws om mee op te vallen. Mimetische begeerte treedt op als anderen zien dat je succes hebt, en willen wat jij hebt dankzij dat succes. Waarop de cyclus weer opnieuw begint.quote:Op zaterdag 6 augustus 2011 14:01 schreef Klopkoek het volgende:
Owja zo, dat heb ik wel vaker gelezen: mensen die beweren dat de tijden van schaarste in feite over zijn maar kunstmatig in stand wordt gehouden (o.a. door het monetaire systeem).
Wat ik wel interessant vind aan de theorie van mimetische begeerte is dat wordt betoogt dat egoïsme niet inherent in het atomische subject zit maar biologisch probeert te verklaren hoe de mens als zoogdier daartoe wordt gebracht. Alleen: als mensen geneigd zijn om elkaar te imiteren, hoe vindt dan verandering plaats volgens deze theorie? Dat is me niet helemaal helder.
Ik weet niet of je de theorie van de selfish gene (zoals Dawkins hem in de lucht slingerde) goed weer geeft maar laat dat maar zitten.quote:Op zaterdag 6 augustus 2011 14:13 schreef AgLarrr het volgende:
[..]
Die verandering vindt plaats op basis van de selfish gene, om het zo maar even te zeggen: de drang om je in positieve zin te willen onderscheiden van je medemens, om zo je voortplantingskansen te vergroten. Stom voorbeeld: mode. Elk jaar weer wat nieuws om mee op te vallen. Mimetische begeerte treedt op als anderen zien dat je succes hebt, en willen wat jij hebt dankzij dat succes. Waarop de cyclus weer opnieuw begint.
Niet echt, ik weet het, dank je.quote:Op zaterdag 6 augustus 2011 14:23 schreef Klopkoek het volgende:
[..]
Ik weet niet of je de theorie van de selfish gene (zoals Dawkins hem in de lucht slingerde) goed weer geeft maar laat dat maar zitten.
Iedereen wil in geringe mate afwijken van de rest, zolang hem of haar dat maar positief onderscheid. Als jij met je afwijkende gedrag succesvoller kan zijn in wat je doet, wordt dat gedrag begeerlijk. Naarmate er meer mensen succesvol zijn met het vertonen van dat afwijkende gedrag zullen er meer mensen aan het kopiëren slaan. Uiteindelijk wordt het gedrag dat in eerste instantie afweek dus mainstream.quote:Het aparte is: ooit moet er iemand zijn die wil afwijken van de rest. Die niet de heersende mode volgt, niet anderen begerig kopieert. Welke mechanismen zitten hier achter? Jezelf positief willen onderscheiden klinkt leuk maar volgens de theorie van de mimitische begeerte zou de massa jou dan niet druppelsgewijs willen volgen en eerder geneigd zijn om de dominante mode blijven aan te hangen.
Het blijft een beetje algemeen inderdaad, maar succes in allerlei varianten, op allerlei gebieden, op allerlei aggregatieniveaus. De versierder die met zijn ongeschoren gezicht net wat mannelijker overkomt en dus meer vrouwelijke aandacht krijgt, het bedrijf dat een beter product ontwikkelt en dus meer verkoopt, het leger dat zich anders organiseert en daardoor de slag wint. Allen zien ze zich spoedig gekopieerd in de hoop het succes te kunnen evenaren.quote:Op zaterdag 6 augustus 2011 15:01 schreef Klopkoek het volgende:
Maar wat is volgens deze theorie succes? Is succes iets wat staat te wachten om op te rapen of is dat iets wat juist door kopieer-gedrag wordt bepaald?
Heeft mode iets te maken met 'succes'? Op zeer basaal niveau vergroot een modetrend niet direct je overlevingskansen. Als iemand een nieuw kledingstuk aan doet dan kan dat door buitenstaanders niet direct gelinkt worden in de zin van "hé, daarmee kan ik me beter redden" waardoor de vraag waarom modetrends zo snel veranderen open blijft.
Dat komt natuurlijk ook omdat echte alternatieven ontbreken of in het verleden al hebben afgedaan.quote:Op zaterdag 6 augustus 2011 15:16 schreef KoosVogels het volgende:
Er verschijnen steeds meer boeken en artikelen in de media waarin men constateert dat het neoliberalisme tot de huidige situatie heeft geleid. Verder wordt onderstreept dat de situatie enkel verslechter wanneer we op dezelfde voet doorgaan. Tegelijkertijd zie ik nog steeds geen veranderingen aan de horizon. Geen enkele regering lijkt voornemens om het roer om te gooien. Sterker, kwakkelende overheden worden nog steeds aangemoedigd om het neoliberalisme te omarmen. Het is dus weliswaar goed dat de problematiek door steeds meer mensen worden herkend en erkend, maar zolang veranderingen uitblijven hebben we er nog geen reet aan.
Inderdaad, en dus is iets als succes ook onderhevig aan de waardering van de ander. Dat bedoelde ik een beetje.quote:Op zaterdag 6 augustus 2011 15:14 schreef AgLarrr het volgende:
[..]
Het blijft een beetje algemeen inderdaad, maar succes in allerlei varianten, op allerlei gebieden, op allerlei aggregatieniveaus. De versierder die met zijn ongeschoren gezicht net wat mannelijker overkomt en dus meer vrouwelijke aandacht krijgt, het bedrijf dat een beter product ontwikkelt en dus meer verkoopt, het leger dat zich anders organiseert en daardoor de slag wint. Allen zien ze zich spoedig gekopieerd in de hoop het succes te kunnen evenaren.
Maar goed, dat is niet helemaal het fundementele principe van mimetische begeerte. Bij mimetische begeerte gaat het om het begeren wat een ander heeft, omdat die ander het heeft. Het is niet het object, het is de waarde die het object krijgt middels de ander.
|
|
| Forum Opties | |
|---|---|
| Forumhop: | |
| Hop naar: | |