2.4.5 Conclusie
De groep oudere niet-westerse allochtonen is nog relatief klein en bestaat
voornamelijk uit personen van de eerste generatie. De migratiegeschiedenis
van de verschillende niet-westerse bevolkingsgroepen is heel verschillend,
wat haar weerslag heeft op de sociaal-economische positie op latere
leeftijd. Turkse en Marokkaanse mannen zijn veelal als laaggeschoolde
gastarbeider naar Nederland gekomen. Daarbij hebben ze relatief vaak
zware arbeid moeten verrichten. Dit uit zich in de leeftijd van 45 tot 65
jaar in een hoog percentage arbeidsongeschikten. Hun kwetsbaarheid op
de arbeidsmarkt vertaalt zich ook in een hoger aandeel personen dat rond
moeten komen van een bijstandsuitkering.
Groepen met veel ouderen die als asielmigrant naar Nederland zijn gekomen,
hebben slechts een korte migratiegeschiedenis. Vanwege hun leeftijd
en reden van migratie zijn de kansen op werk niet groot. Zij zijn dan ook
vaak aangewezen op een bijstandsuitkering. Iraanse ouderen hebben van
deze groep migranten nog het best een plek op de arbeidsmarkt veroverd.
Hier zal een rol spelen dat Iraniėrs van de groepen asielmigranten het
hoogste opgeleid zijn (SCP/WODC/CBS, 2005). Andere groepen migranten
kennen weer een andere migratiegeschiedenis, en hun arbeidsmarktparticipatie
op latere leeftijd loopt uiteen. Kaapverdianen zijn tussen het 45e en
65e levensjaar van alle herkomstgroepen het vaakst werkzaam.
De ontwikkelingen op sociaal-economisch terrein over de jaren heen
laten een gunstig beeld zien, vooral voor 45- tot 65-jarigen uit de klassieke
herkomstgroepen. Zelfs in een periode van laagconjunctuur stijgt bij hen
het aandeel werkenden onder de vrouwen en blijft het stabiel onder de
mannen. Alleen Antilliaanse mannen lieten in deze periode een daling
zien van het aandeel personen met werk als belangrijkste inkomstenbron.
In samenhang met het stijgende aandeel werkenden daalt het aandeel
uitkeringsafhankelijken onder de 45- tot 65-jarigen. Vooral tijdens de
hoogconjunctuur rond het jaar 2000 daalde het aandeel bijstandsontvangers.
Tijdens de daaropvolgende laagconjunctuur bleef het aandeel
uitkeringsafhankelijken vrij stabiel. Met een aantrekkende economie is de
kans groot dat de 45- tot 65-jarigen hun positie op de arbeidsmarkt verder
zullen verbeteren.
De migratiegeschiedenis heeft ook een grote invloed op de sociaal-economische
positie na het 65e levensjaar. Hoe langer men in Nederland woont,
des te meer rechten men heeft opgebouwd voor het AOW-pensioen. Juist
de 65-plussers uit groepen met veel asielmigranten, die het kortst in
Nederland verblijven, hebben weinig AOW opgebouwd en moeten vaak
voornamelijk rondkomen van een bijstandsuitkering. Ook onder andere
niet-westerse herkomstgroeperingen zijn relatief veel personen te vinden
bij wie het pensioen wordt aangevuld met een bijstandsuitkering. Zeker
bij de groepen die al langer in Nederland verblijven, vormt het pensioen
echter wel het grootste bestanddeel van de inkomsten van de groep 65-
plussers.
http://www.cbs.nl/NR/rdon(...)vancriminaliteit.pdfEdit:
Niet-westers allochtone jongeren maken zowel in het onderwijs als op
de arbeidsmarkt vorderingen, maar over de jaren heen gaat dit nog langzaam.
Tussen de generaties zijn de verschillen vaak groot. Op bijna alle
terreinen loopt de tweede generatie jongeren de achterstand van de eerste
generatie op autochtonen sterk in. Ook lijken de ontwikkelingen over de
jaren heen onder de tweede generatie meer op die onder autochtonen.
Tweede generatie jongeren hebben dan ook een duidelijke voorsprong op
de eerste generatie: zij zijn in Nederland geboren en getogen, en daarom
beter voorbereid op de Nederlandse samenleving. Wel missen zij vaak van
huis uit ondersteuning voor hun positie in de Nederlandse samenleving,
omdat hun ouders doorgaans niet in Nederland zijn opgegroeid. Tijdens
hun schoolperiode wordt dit ook niet gecompenseerd door veel contacten
met autochtone leeftijdsgenoten, omdat ze vaak in klassen zitten met veel
niet-westers allochtone medeleerlingen (zie hoofdstuk contacten). Wellicht
dat dit spanningsveld bijdraagt aan de hogere criminaliteit onder
tweede generatie jongeren (zie ook Driessen et al., 2002).
Ondanks de achterstand van de groep eerste generatie jongeren op de
arbeidsmarkt is hun uitkeringsafhankelijkheid van 1999 tot en met 2004
sterk afgenomen. Ook waren bij hen de gevolgen van een aantrekkende
economie duidelijk te zien.
Allochtone jongeren van beide generaties vormen nog wel een kwetsbare
groep op de arbeidsmarkt, zoals blijkt uit de ontwikkelingen tijdens economische
laagconjunctuur. Allochtone jongeren, in het bijzonder van
de eerste generatie, zijn vaker werkzaam in economisch gevoelige (lager
gekwalificeerde) banen en sectoren, zoals de uitzendbranche. Dit hangt
voor een groot deel ook weer samen met een lager onderwijsniveau. Als
allochtone jongeren hun onderwijsachterstand op autochtonen inlopen,
zal ook hun sociaal-economische positie verder verbeteren.
vandezelfde site, maar dan over de jongeren
[ Bericht 12% gewijzigd door naatje_1 op 13-06-2010 18:05:56 ]