quote:
RESULTAAT (maximaal 20 woorden)
Kon.
1 Koninklijk
2 Koningen
kond·schap (de ~ (v.), ~pen)
1 [form.] inlichting, informatie
kon·fij·ten (ov.ww.)
1 in suiker inleggen
kon·ger·aal (de ~ (m.))
1 zeepaling
kong·si (de ~, ~s)
1 kliek
ko·nijn (het ~, ~en)
1 haasachtig zoogdier met lange oren en een klein wollig staartje
ko·nij·nen·berg (de ~ (m.))
1 kunstmatig aangelegde hoogte voor tamme konijnen, om daarin hun holen te graven
ko·nij·nen·blad (het ~)
1 [inf.] de grote weegbree
ko·nij·nen·hol (het ~)
1 hol waarin de konijnen zich onder de aarde ophouden
ko·nij·nen·pijp (de ~)
1 gang, door wilde konijnen in de grond gegraven
ko·nij·nen·pluim (de ~)
1 staartje van het konijn
ko·nij·nen·ziek·te (de ~ (v.))
1 ook voor mensen besmettelijke infectieziekte bij konijnen
ko·ning (de ~ (m.))
1 (~en) vorst, een rang lager dan keizer
2 [spel] schaakstuk dat door de tegenpartij veroverd moet worden
ko·nin·gin (de ~ (v.), ~nen)
1 de regerende vorstin van een koninkrijk
2 echtgenote van een koning
3 [spel] dame in het schaakspel
4 [biol.] het eierleggende vrouwelijke insect bij bijen, wespen, mieren en termieten
ko·nin·gin-moe·der (de ~ (v.), ~s)
1 moeder van de regerende koning of koningin
Ko·nin·gin·ne·dag (de ~ (m.))
1 [Ned.] feestdag ter gelegenheid van de verjaardag van de koningin [30 april]
ko·nin·gin·nen·brood (het ~)
1 [biol.] het voedsel voor de larve waaruit een koningin moet groeien
ko·nin·gin·nen·cel (de ~)
1 [biol.] grotere cel voor de larve van een toekomstige koningin
ko·nin·gin·nen·hap·je (het ~)
1 [Belg.] pasteitje van bladerdeeg met een vulling van kip, gehaktballetjes en champignons
ko·nin·gin·nen·ha·ring (de ~ (m.))
1 de eerste in een seizoen aangebrachte haring, waarvan een vaatje aan de Koningin wordt gezonden