Foggia - Napoli 1-1
11 april 2006
Napoli, la nostra unica fede. Napels, ons enige geloof. La nostra unica fede is een wekelijkse column over de wedstrijden van voetbalclub Napoli. Na het faillissement speelt het ooit machtige Napels voor het tweede seizoen in de hel van het betaalde voetbal, de Serie C. De trotse Napolitanen willen maar een ding. Zo snel mogelijk terugkeren in de Serie A. Ter vergelding van al die jaren vernedering door de rest van Italië.
Die blik. Die blik op de bussen in de bocht. Die blik jaagt door mijn hoofd op dinsdagavond 11 april. Voor mijn ogen zweven flitsen van beelden. Korte, herhalende flitsen, een beeld en dan weer zwart. Als een diareeks. De politieagent die zijn middelvinger opsteekt naar de passerende Napolitanen. De rookwolken van ontploffende vuurwerkbommen voor de ramen. De supporters die aan de betonnen trap hangen boven de vechtende menigte. Ik hoor geluiden in mijn hoofd. De klappende wieken van de helikopters, de schreeuwende mannen, de snerpende remmen van de bussen. We rijden stapvoets in de langgerekte bocht. Door het park, tussen de bomen rennen ME-ers en Foggia supporters. Mijn hoofd draait naar rechts, naar de sliert rijdende oranje bussen in de bocht. De deuren staan open, de ramen zijn stukgeslagen. In de deuren van alle bussen zie ik ons staan. Klaar voor de aanval. IJzeren staven en stokken in de handen. Bivakmutsen op. We zijn geen supporters. We zijn soldaten.
In de krant staan grijze wolken met bliksemflitsen getekend. Ik sla haar dicht en kijk naar buiten. De hemel is strakblauw, de zon speelt in haar oneindige wolkenloze ruimte. We zoemen over de snelweg. Cavallo als altijd stoer achter het stuur, Genni en Maurizio zitten achterin. Het is stil want er gaan broodjes rond. Er wordt geproefd. Cavallo neemt grote happen, kauwt en maakt morrende, instemmende geluiden. Ook wiegt hij af en toe zijn hand op en neer met gespreide vingers. Via de achteruitkijkspiegel kijkt hij Genni aan die net zijn tanden zet in een stokbrood mozzarella met tomaten. Genni kent Cavallo’s taal. Hij zegt: ‘MUMMWAE MMRREAAT’. Er vliegen kruimels uit zijn mond. Even later is het dan echt officieel. De moeder van Cavallo heeft vandaag het lekkerste broodje klaargemaakt. Er wordt overleg gepleegd in het Napolitaans. Dan geeft Genni met me het half aangevreten broodje in de handen en knikt. Drie paar ogen kijken me vol verwachting aan. Ik neem het broodje aan. Na een hap steek ik het in de lucht om het door te geven, maar de gezichten staan onverbiddelijk. Er wordt driftig nee geschud, het staat vast. Vandaag mag ik het broodje van de beste moeder opeten. Sommige geschenken hoeven niet veel geld te kosten om waardevol te zijn.
De oom van Maurizio heeft tweeduizend euro gewonnen met de voetbalpool. Het is het gesprek van de dag. Maurizio kent de wedstrijden waarop hij heeft gewed uit zijn hoofd.
‘Ascoli X, Milan 1, PSV X, Boegom 1….’
‘Bochum?’
‘Ja, Boechum. Die Duitsers.’
‘Maar Maurizio, die spelen toch in de tweede divisie?’
‘Ja.’
‘Wedden ze in Napels ook op de wedstrijden in de Duitse tweede divisie?’
‘Ja. Ook op de Nederlandse tweede divisie.’
‘Ook op de Nederlandse tweede divisie?’ Mijn mond valt open van verbazing.
‘Ja, ik heb twee weken geleden nog op Stoermvoegols Tilstar – Helmoend Sport gewed.’
‘Ja’, voegt Genni toe. ‘En ik op Fenlo – Go Ahaad Egles’.
‘Venlo – Go Ahead Eagles! Wat hebben die gemaakt dan?’
‘Fenlo heeft 3-0 gewonnen’, zegt Genni stellig.
Ik besef dat zojuist een Napolitaan mij de uitslag heeft verteld van VVV – Go Ahead Eagles. Wonderlijk.
Cavallo is ondertussen erg geinteresseerd in het winnen van tweeduizend euro met de voetbalpool.
‘Maurizio, hoeveel had je oom ingezet?’
‘Honderd euro.’
‘Is dat niet veel?’
‘Nee, want hij heeft samen met mijn andere oom een bv opgericht.’
Cavallo knikt. Hij heeft het begrepen. Ik niet.
‘Hij heeft een bv opgericht in gokken op voetbalwedstrijden?’
‘Ja, logisch.’, Maurizio antwoordt ongeduldig, geirriteerd.
‘Maar is dat niet best wel risicovol om daar een onderneming voor op te richten?’
Maurizio zucht. Hij zet aan voor een laatste uitleg.
‘Nee want hij speelt ook poker. Hij gokt al jaren, hij is erg professioneel, snap je?’
Ik snap het.
In Napels kun je geluk studeren.
Als we de snelweg bij Candela afrijden is het nog dertig kilometer. Direct na de afslag stuiten we op een politieblokkade. We moeten onze toegangskaarten voor het uitvak laten zien, anders mogen we er niet door. De provinciale weg van Candela naar Foggia is vandaag alleen van de 1200 meegereisde Napolitanen. Een machtig gevoel. In de auto wordt het langzaam stiller. De verhalen over het afgelopen weekeinde stokken, de spanning voor de wedstrijd en hetgeen ons te wachten staat stijgt. Na een lange stilte zegt Cavallo plots; ‘Foggiane di merda’. Dan zwijgt hij weer, diep verzonken in gedachten, zijn ogen op de weg gericht.
Bij het binnenrijden van de stad wordt onze rij auto’s klemgereden door politiebussen. Ze leiden ons terug naar de ringweg. Uiteindelijk komen we uit op een grote kiezelparkeerplaats. Er staan gedeukte oranje bussen klaar in kaarsrechte rijen. Om de bussen staan honderden ME-ers paraat. Echt paraat. Knuppels en schilden in de hand. In de buurt van de bussen is een nauwe sluis gemaakt van dranghekken waar de supporters een voor een doordruppelen. De toegangskaarten worden gecontroleerd. De controle gaat te langzaam. De massa voor de sluis neemt toe en er wordt hard geduwd. De ME-ers duwen met hun schilden de supporters terug achter de hekken. De sfeer wordt vijandig en het dreigt snel uit de hand te lopen. Ik zie onze leiders, zowel die van de Curva A als van de Curva B. Ze zoeken de hoofdagent op het terrein van de bussen. De ME-ers openen een dranghek om de groep leiders door te laten. De groep loopt kalm naar de hoofdagent en spreken hem aan. Wat later draait de hoofdagent zich om. Hij roept naar de ME-ers in de sluis. Ze knikken en stappen achteruit. Er is een beslissing genomen. De kaartcontrole is opgeheven.
Een paar honderd meter voor het stadion wordt er plots hard geschreeuwd in de bus.
‘MAZZATE MAZZATE’ (RELLEN RELLEN).
Er wordt naar de chauffeur geroepen dat de poorten open moeten. Het duurt te lang, vanuit de bussen achter ons komen al supporters langszij gerend. Iemand slaat de glazen noodvergrendeling kapot en de deuren klappen open. Door de druk van de golf mensen slingert me de bus uit. Op straat is het oorlog met de ME. Maar de politie is goed georganiseerd, direct wordt de uitgang richting de stad afgesloten door een kordon. Ze slaan de supporters richting uitvak. Onze groep van 1200 man is ondertussen veranderd in een schoppende, stenen en vuurwerk gooiende massa. De voorste gelederen hebben de ingang van het uitvak inmiddels al bereikt. In de verte zie ik ook daar de stokken van ME-ers in de lucht vliegen. De ingang is te klein en te nauw voor de paniekerige meute. Net na de ingang is een smalle, stenen trap die naar het uitvak leidt. Door de klappen bij de trap komt er een golf van vluchtende supporters weer achteruit gerend, terwijl de achterste gelederen juist naar voren willen vluchten. Ik kijk om me heen en zoek Genni, Cavallo en Maurizio kwijt. Rationeel neem ik een moment op het gevaar in te schatten. In ieder geval niet naar voren, niet naar de stenen trap. Er is paniek. Het is te nauw, te verstikkend, er zijn teveel rode hoofden. Vanaf de stenen trap worden er supporters van beneden naar boven getild. Ze ploppen uit de drukkende massa. Ik zie mensen zich vastklampen aan uitstekende armen en handen. Ze zweven door de lucht en worden naar boven getrokken. Ik probeer strategisch achterin te blijven, waar de ME-ers nog steeds de ruimte verkleinen door naar voren te stappen, richting de ingang, maar ze slaan nog maar af en toe. Ik loop nu niet meer op eigen kracht, maar wordt hardhandig naar voren geschoven door een ME-schild. Ik kijk de ME-er achter mij in de ogen en knik in richting de ingang, waar de chaos nog steeds groot is, waar het gevaarlijk is. Hij knikt terug. Het geeft me vertrouwen.
In het stadion staan de supporters van Foggia op de banken. Het hele stadion zingt. Ook de mannen in pakken op de eretribune. Ook de vrouwen en kinderen. Ze zingen over de haat voor de Napolitanen. Aan de overzijde wordt een spandoek over de mensenhoofden gerold. Het is een boodschap. Voor ons.
‘NAPOLITANI BASTARDI!’
Aan de lange zijde zie ik andere spandoeken.
‘BENVENUTO IN ITALIA’ (Welkom in Italie). En ‘VESUVIO PENSARCI TU’ (Vesuvius regel jij het maar, verwijzing naar de actieve vulkaan aan de rand van Napels).
Er wordt ook gevoetbald. Maar daar houden we ons niet mee bezig. Ook moeten we van de leiders meer dan eens met onze rug richting veld en de rest van het stadion gaan staan. We zijn namelijk te goed om de supporters van Foggia in het gezicht aan te kijken. De wedstrijd stelt weinig voor. In de eerste helft krijgt Foggia geen penalty waar het die wel had verdiend. Napels speelt erg sober en futloos. In de tweede helft scoort Foggia 1-0 en het stadion barst uit haar voegen. We worden vernederd door het thuispubliek. Maar ondanks de achterstand en het slechte spel van Napels voel ik dat we niet gaan verliezen. Wanneer Calaio scoort met een fantastische kopbal ontploft ons vak. Na de 1-1 zijn beide ploegen tevreden. Foggia want het verliest niet van het grote Napoli. Napoli want het is nog maar een enkele pas verwijderd van het kampioenschap.
In de bus onderweg naar de parkeerplaats staar ik naar buiten. De ramen zijn uit de kozijnen geslagen. In het park rennen de Foggia supporters, ze gooien vuurwerkbommen naar de bussen. In een langgerekte bocht stoppen onze bussen. Ik zie de Napolitanen met bivakmutsen en gewapend met ijzeren staven richting het park stormen.
Ik sluit mijn ogen en luister naar geluiden van helikopters en doffe knallen. Het is teveel. De adrenaline maakt plaats voor minachting.
Nooit meer Foggia.