Opheffing van de beperkte aansprakelijkheid van ondernemingen: de normaalste zaak van de wereldMensen stellen thuis andere prioriteiten dan op hun werk. Alsof hun huis in een andere wereld staat dan hun kantoor. Dat is misschien wel één van de merkwaardigste dingen van de moderne samenleving. Geen vader zal overwegen gif te storten in zijn achtertuin waar zijn eigen kinderen dagelijks spelen. Maar op zijn werk is dezelfde man – ja, toch vooral mannen – minder bezorgd over het lozen van het vuile afvalwater van zijn fabriek in een rivier die langs de tuinen van de vriendjes van zijn kinderen stroomt. Een andere vader pleit op kantoor voor een reclamecampagne om koffie drinken onder kinderen te stimuleren – een nieuwe markt, hogere afzet. Het is onwaarschijnlijk dat dezelfde vader thuis, na tafel, zijn kinderen een extra kopje koffie zal aansmeren in het belang van een hogere omzet. En dan hebben we het nog niet over het verschil in behandeling van je auto als die van jezelf of ‘van de zaak’. Ondernemers doen buitenshuis dingen die zij zelf binnenshuis krankzinnig zouden vinden.
Op de een of andere manier is er een morele kloof ontstaan tussen thuis en werk. Op het werk mag meer, gelden minder strikte grenzen, dan thuis. En die normvervaging leidt uiteindelijk tot excessen die soms het nieuws halen – Enron, Bhopal, Worldcom, Exxon Valdez en World Online – maar vaak ook niet. Het is de juridische structuur van ondernemingen die zulke misstanden uitlokt. Ondernemingen profiteren van een historisch voorrecht: beperkte aansprakelijkheid. Dat betekent dat de verantwoordelijkheid van de eigenaren van een bedrijf – de aandeelhouders – nooit verder strekt dan hun investering. En die opzet geeft ondernemingen de kans om hun verantwoordelijkheden – en kosten – door te schuiven naar andere delen van de samenleving.
Een voorbeeld: in 1979 bracht de Amerikaanse autofabrikant General Motors een nieuw model, de Chevrolet Malibu, op de markt, waarbij de brandstoftank ongebruikelijk ver naar achteren was geplaatst. In de protoypefase werd duidelijk dat daardoor het risico van brand bij een botsing aanmerkelijk groter werd. General Motors besefte zich dat – zoals later tijdens een rechtszaak bleek uit een intern memorandum van de autofabrikant. In het memo werd berekend dat het per auto 2,40 dollar zou kosten om de benzinetank veiliger te maken, maar dat het goedkoper zou zijn om eventuele schadevergoedingen aan slachtoffers te betalen. General Motors deed niets. De rechter in de rechtszaak waarbij in 1999 een miljarden schadevergoeding werd toegekend aan een vrouw die met haar kinderen ernstige brandwonden had opgelopen na een ongeluk met een Chevrolet Malibu, verwoordde het zo: de plaatsing van de benzinetank was bedoeld om ‘de winst te maximaliseren ten koste van de openbare veiligheid’. Ofwel: de beperkte aansprakelijkheid van General Motors had tot gevolg dat de onderneming kosten kon afwentelen op de samenleving. De heersende wetgeving liet een bedrijf – dat uiteindelijk een groep mensen is die gezamenlijk een activiteit ontplooien – tot een absurde, onmenselijke afweging komen die elk van de betrokkenen in haar of zijn privé leven nooit straffeloos kan maken.
Een individu dat bewust schade aan een ander toebrengt, loopt het risico in de gevangenis te belanden. Maar als een onderneming schade veroorzaakt, gebeurt er vrijwel niets. Misschien wordt het bedrijf veroordeeld tot het betalen van een boete – mogelijk een gigantische boete, die dan vaak weer wel, oh paradox, fiscaal aftrekbaar is. Misschien krijgt het te kampen met een boycot van consumenten. Aandeelhouders zullen koersverlies lijden en hun aandelen waarschijnlijk verkopen. En ook al kunnen commissarissen en directeuren tegenwoordig worden vervolgd voor wanbeleid, in de praktijk komen zulke procedures zelden voor. Meestal vertrekt de top van een onderneming na een debacle simpelweg naar een nieuw bedrijf. De samenleving, het publiek blijft met de schade zitten en het bedrijf gaat onder een nieuwe leiding gewoon verder met zijn activiteiten.
Verlichte ondernemers hopen dat ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ de schande van zulke debacles zal uitwissen. Zij hopen dat een moreel reveil deze lelijke uitwassen van het kapitalisme zal wegnemen. Ofschoon elk initiatief dat het bedrijfsleven tot een grotere mate van verantwoordelijkheid aanspoort, steun en waardering verdient, kan deze nieuwe trend nooit werkelijk succesvol worden. Want – zoals Milton Friedman, die de Nobelprijs voor economie won, het ooit heel duidelijk schreef – de enige maatschappelijke verantwoordelijkheid die een onderneming heeft, is winst maken voor haar aandeelhouders. Ofwel: zolang de beperkte aansprakelijkheid van de aandeelhouders niet wordt opgeheven, zal een onderneming nooit een volledige maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen.
Maatschappelijk verantwoord ondernemen verandert weinig aan de principiële doelstelling van een onderneming om haar aandeelhouders te beschermen tegen de gevolgen van het handelen van die onderneming.
Binnen de huidige wetgeving is een moreel beroep op fatsoenlijk, verantwoord ondernemen als een smeekbede aan een tyrannieke vorst. De meeste koningen zullen pas luisteren als zij weten dat zij hun gezag kunnen kwijtraken. Zo zullen bedrijven pas echt verantwoordelijke spelers in de samenleving worden, als de spelregels van het economische verkeer worden gewijzigd. De heropvoeding van het bedrijfsleven kan pas werkelijk beginnen als in de regels van het ondernemingsrecht verantwoordelijkheden van bedrijven worden opgenomen die verder strekken dan het verzorgen van winst voor de aandeelhouders. Want het is opmerkelijk dat de geschiedenis bedrijven heeft gemaakt tot instituten die in de samenleving minder verantwoordelijkheden dragen dan gewone mensen. Deze aansprakelijkheidslacune in de moderne economie is een erfenis van de geschiedenis van het kapitalisme.
Tot in de zestiende eeuw waren Chinezen en Arabieren de meest succesvolle handelaren ter wereld. Ze waren rijker en ze hadden betere schepen dan hun Europese collega’s. Toen Vasco da Gama in 1497 als eerste Europeaan de Kaap de Goede Hoop rondde, vroegen zijn Afrikaanse gastheren – die gewend waren grote Chinese handelsschepen op bezoek te krijgen – zich af hoe hij het had gedurfd om met zulke armzalige bootjes de zee op te gaan. Maar in enkele daaropvolgende decennia verloren de Chinezen deze voorsprong. Waarom? Omdat in Europa een uiterst effectief systeem om inkomsten te verwerven, werd uitgevonden: de onderneming.
De onderneming, de vennootschap met aandeelhouders, is zonder twijfel de motor van het moderne kapitalisme. Alle economische vooruitgang, alle rijkdom en voorspoed, alle uitvindingen zijn tot stand gebracht met behulp van ondernemingen. Zonder bedrijven reden er geen auto’s, vlogen er geen vliegtuigen en kwam er geen benzine uit de pomp. De basis van dat succes werd gelegd in de zestiende en zeventiende eeuw. De eerste multinational in de wereld was de Hollandse Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) van 1602.
De Hollandse handelaren van die tijd hadden ontdekt dat zij grotere investeringen nodig hadden om hun risicovolle handelsexpedities naar Azië te financieren. Tot dan waren bedrijven partnerschappen. Mensen besloten om samen zaken te doen. Ze investeerden gezamenlijk en leidden ook gezamenlijk hun bedrijf. Directeuren en eigenaren waren dezelfde personen. Dat concept beperkte de omvang van investeringen: er was een grens aan het aantal partners dat met succes met elkaar kon samenwerken. De nieuwe Hollandse vinding was de ontkoppeling van eigendom en management van de onderneming. Er kwamen aandeelhouders die wel investeerden maar niet mee op zee gingen en ook geen andere dagelijkse betrokkenheid bij de onderneming hadden. Dankzij die constructie kon de VOC veel meer geld bij veel meer mensen ophalen voor haar activiteiten.
Er was nog één obstakel. De expedities die de VOC en haar Europese tijdgenoten ondernamen, waren uiterst riskant, vergelijkbaar in onze tijd met bijvoorbeeld ruimte-expedities. Schepen vergingen op de lange zeereizen en kwamen dan dus niet terug met hun lucratieve handelswaar. Ofwel: grote investeringen konden buiten de invloed van de investeerders verloren gaan en – erger nog – door een storm in de Stille Oceaan of door piraterij konden aansprakelijkheden ontstaan omdat bijvoorbeeld leveranciers niet konden worden afgelost of de levering aan kopers niet kon worden volbracht. In die tijd was het gebruikelijk dat schulden werden overgedragen van generatie tot generatie totdat zij werden afgelost. Dat gegeven vormde een belangrijke beperking voor investeringen. Aandeelhouders hadden weinig enthousiasme om te investeren in ondernemingen waarop zij geen invloed hadden en die hen – en hun nazaten – wel schulden konden opleveren. De oplossing van de VOC luidde: beperkte aansprakelijkheid. Investeerders, aandeelhouders, konden nooit meer verliezen dan hun inbreng. En dat creatieve en lucratieve systeem van een beperkte kans op verlies en een onbeperkte kans op winst geldt vandaag nog steeds – met alle gevolgen van dien voor de rechtvaardigheid in de maatschappij.
Natuurlijk is ook een individu in de praktijk niet onbeperkt aansprakelijk. Want ook al ben je aansprakelijk, als je het geld niet hebt, kun je niet voor veroorzaakte schade betalen. Vandaar dat verzekering verplicht is voor bepaalde activiteiten zoals auto rijden. Individuen hebben niettemin de neiging de sociale en wettelijke regels na te leven, omdat zij ook verwachten dat anderen dat doen. Iemand die altijd voordringt, roekeloos rijdt in het verkeer en misbruik maakt van de gastvrijheid van anderen, maakt zichzelf niet geliefd. Hij krijgt te maken met de gevolgen van zijn egoïstische gedrag. Het lijkt er daarentegen op dat een egoïstisch bedrijf, dat zich vooral richt op winstmaximalisatie en als gevolg daarvan kosten afwentelt op de samenleving, de normaalste zaak van de wereld is.
In de tijd van de VOC diende dat ‘bedrijfsegoïsme’ een algemeen, publiek belang. De koloniale plundering werd geacht in het algemene belang van de Hollandse welvaart te zijn – dat dat achteraf een verwerpelijke visie is, is een ander verhaal. Maar ondernemingen als de VOC werd door de staat het recht verleend om op de nieuwe manier – met aandeelhouders en beperkte aansprakelijkheid – te ondernemen als duidelijk was dat zij het publieke belang dienden. Bovendien ging het toen om – vanuit ons huidige perspectief – beperkte risico’s. De ergste schade was een gezonken of gekaapt schip en de beperkte aansprakelijkheid van de aandeelhouders betrof financiële schulden. Tegenwoordig zijn er hele andere belangen in het geding – milieu en volksgezondheid. Bedrijven bedienen processen die generaties kunnen beïnvloeden. Ondernemingen lozen giftig afval dat in de voedselketen terechtkomt. Farmaceutische fabrikanten brengen producten op de markt die over honderd jaar nog gevolgen hebben. Tankers met olie of chemicaliën kunnen natuurgebieden voor tientallen jaren verwoesten. Kerncentrales en chemische industrie in de buurt van steden. De onderneming is vandaag in potentie een van de gevaarlijkste vormen van menselijke activiteit. De lijst van potentiële ongelukken is lang, de verantwoordelijkheden dus groot – oneindig veel groter dan in de tijd van de VOC – maar de juridische ondernemingsvorm is dezelfde gebleven als in de zeventiende eeuw.
Eigenlijk is het zelfs nog makkelijker geworden voor het bedrijfsleven: de voorlieden van de VOC moesten nog onderhandelen met de staat over de beperking van de aansprakelijkheid van hun aandeelhouders, de moderne ondernemer stapt simpelweg naar de Kamer van Koophandel en vult een formulier in. Iedereen kan voor een vast bedrag een NV of een BV oprichten. Er is geen sprake meer van individuele onderhandelingen met de autoriteiten waarin ook over een tegenprestatie voor dit recht wordt gesproken. Sterker nog: niemand ervaart, dat hem een recht wordt verleend als hij een BV opricht.
Door dat automatisme is een onderneming méér geworden dan een groep mensen die gezamenlijk een activiteit ontplooien. Het is een soort ‘sociale technologie’ geworden met een eigen bestaan. Een onderneming kan voortbestaan als haar oprichters sterven. Directeuren gaan en komen, hetzelfde geldt voor werknemers. Via de beurs kan het eigendom van een onderneming diffuus en wijdvertakt raken. Onderdelen van een bedrijf kunnen worden verkocht. Bedrijven kunnen fuseren. Ondanks al die veranderingen ‘leeft’ de onderneming door zolang er maar genoegd geld wordt verdiend om de uitgaven te betalen. Maar die zelfstandige onderneming heeft geen ziel en voelt geen pijn. Als een onderneming iets of iemand schade toebrengt, kan hij geen spijt tonen en sorry zeggen. De anomalie is dat een onderneming wél de rechten heeft als een mens, maar niet de plichten.
Vandaar dat ondernemen op deze manier ook lang niet altijd zo vanzelfsprekend is geweest. Het concept van beperkte aansprakelijkheid werd in de negentiende eeuw nog eerder als zwakte dan als kracht gezien, omdat de betrokkenheid van de eigenaren minder werd geacht te zijn. In jaren twintig van de negentiende eeuw zei Sir Robert Peel, toen de rijkste Britse industrieel: ‘Het is onmogelijk om een fabriek op afstand te besturen tenzij de directeur een belang in het succes van de onderneming heeft.’ In de nieuwe wereld van Amerika werd de onderneming met beperkte aansprakelijkheid ook eerst met argusogen bekeken. De structuur werd geaccepteerd voor bijvoorbeeld de aanleg van de spoorwegen waarmee het algemene belang duidelijk werd gediend, naar niet in algemene zin. De gouverneur van New Hampshire, Henry Hubbard, zei in 1842 nog stellig: ‘In het verkeer tussen mensen bestaat een directe verantwoordelijkheid en ook als het kapitaal toeneemt voorbij het vermogen van enkelingen, blijft de aansprakelijkheid bestaan. Er bestaat geen goed argument tegen dit uitgangspunt.’
Niettemin besloot het parlement van Massachusetts al in 1830 als eerste dat een onderneming zich niet bezig hoefde te houden met publieke werken om het privilige van beperkte aansprakelijkheid te worden verleend. Connecticutt volgde in 1837 en daarna gaat het snel. Abraham Lincoln waarschuwt nog in een brief uit 1864 dat ‘bedrijven op een troon zijn gehesen en dat een tijdperk van corruptie zal volgen totdat alle welvaart in de handen van een paar enkelingen is verzameld en de Republiek is verwoest.’
Sombere woorden, maar wie vandaag de pijnlijke kloof tussen arm en rijk in de wereld en de enorme negatieve impact van het moderne bedrijfsleven op de natuur beschouwt, kan achteraf slechts constateren dat Lincoln een visionair was. Door hebzucht ging het hek van de dam: de onderneming was als winst- en welvaartsmachine te lucratief. Het is bijna anderhalve eeuw later nauwelijks voorstelbaar hoe de wereld eruit zou hebben gezien zonder de onderneming met beperkte aansprakelijkheid. Vanzelfsprekend is er ook veel positieve vooruitgang dankzij ondernemingen bereikt. Toch is de ouderwetse structuur in deze tijd niet meer houdbaar. Als de invloed van bedrijven op de samenleving en op het dagelijks leven van de burgers niet beperkt is, kan ook de aansprakelijkheid van de eigenaren niet langer beperkt blijven.
Hoe zou de wereld eruit zien als aandeelhouders weer persoonlijk aansprakelijk zouden zijn voor het beleid van de onderneming waarvan zij mede-eigenaar zijn? Opheffing van de beperkte aansprakelijkheid is een drastische, maar uiterst effectieve stap in de strijd tegen de uitwassen van het moderne kapitalisme. In dat geval zouden aandeelhouders hun geld zorgvuldig investeren in ondernemingen. Zij zouden niet alleen kijken naar winstgevendheid van een bedrijf, maar vooral ook naar de wijze waarop wordt ondernomen. Zij zouden kiezen voor ondernemingen met een goede staat van dienst op gebied van mens en natuur. En zij zouden ook willen weten wie de andere aandeelhouders van de onderneming zijn, omdat zij samen met hen een verantwoordelijkheid zouden dragen.
Aandeelhouders zouden hun beleggingen ook niet meer spreiden over vele verschillende ondernemingen, maar juist concentreren om aandacht te hebben voor het bedrijf waarvoor zij verantwoordelijk zijn. Zij zouden betrokken zijn bij de onderneming en over de schouders van het management mee kijken naar de bedrijfsvoering. Zij zouden willen weten of de onderneming gebruikmaakte van kinderarbeid. En zij zouden willen weten hoe afvalwater wordt gezuiverd voordat het wordt geloosd. Opheffing van de beperkte aansprakelijkheid zou aandeelhouders dwingen verantwoordelijkheid te dragen voor de activiteiten van hun bedrijf. Mensen zouden weer verantwoordelijk zijn voor mensen. En de onverantwoordelijkheid die gepaard gaat met de huidige beperking van de aansprakelijkheid zou verdwijnen.
Wie durft dan nog noodzakelijke, grootschalige investeringen met de daarbij horende grote risico’s aan, zullen critici opwerpen. De vraag is logisch maar de uitdaging minder groot dan hij lijkt. Zeker voor de grote ondernemingen die ook de grootste invloed hebben op de samenleving valt het effect van het opheffen van de beperkte aansprakelijkheid mee. Lawrence Mitchell, hoogleraar in de rechtswetenschap aan de George Washington universiteit in Washington D.C., laat in zijn boek Corporate Irresponsibility een interessante berekening zien. Hij neemt het voorbeeld van Microsoft en schrijft (in 2001) dat er ruim vijf miljard (om precies te zijn: 5.355.377.000) aandelen van dat bedrijf in de handel zijn. Stel dat Microsoft failliet gaat en ook nog eens tien miljard dollar aan schulden – een enorm bedrag – achterlaat, dan betekent dat dat de aandeelhouders per aandeel twee dollar moeten bijdragen om de schulden te vereffenen en de schade aan de samenleving weg te nemen. Mitschell schrijft: ‘Je moet je op zijn minst afvragen of die prijs voor het opheffen van de beperkte aansprakelijkheid te hoog is als meer verantwoordelijk gedrag in het bedrijfsleven het gevolg ervan zou zijn.’
Microsoft is een onderneming die veel onrust en financiële schade kan veroorzaken, maar software is niet direct levensbedreigend. Maar neem een ander voorbeeld: Union Carbide dat door nalatig onderhoud en falend management in 1984 de giframp in het Indiase Bhopal veroorzaakte waarbij 22.000 dodelijke slachtoffers vielen. Na veel juridisch touwtrekken betaalde Union Carbide in 1989 uiteindelijk 470 miljoen dollar schadevergoeding aan de Indiase regering. Een schijnbedrag gezien de hoeveelheid mensen die erbij waren betrokken, naast de doden nog minimaal 100.000 gewonden (Ter vergelijking: de vrouw van de Chevrolet Malibu kreeg voor haar gezin ongeveer een miljard dollar uitgekeerd). Destijds waren er 155 miljoen aandelen Union Carbide in omloop: de schade bedroeg dus ongeveer 3 dollar per aandeel. Het is bijna onvoorstelbaar dat de aandeelhouders Union Carbide sinds 1984 in totaal bijna 25 dollar dividend per aandeel kregen uitgekeerd totdat de onderneming in 2001 werd overgenomen door Dow Chemical. Al was maar de helft van dat bedrag naar Bhopal gegaan, dan zag het leven voor de gewonden en nabestaanden van de giframp er nu drastisch anders uit.
Zou het drama van Bhopal zich niet hebben voorgedaan als er geen beperkte aansprakelijkheid voor ondernemingen had gegolden? Met regels kun je niet alle risico’s uitsluiten. Je kunt ook niet alle auto-ongelukken voorkomen. Regels zijn ook geen alternatief voor moraliteit en gezond verstand. Maar zoals de introductie van de beperkte aansprakelijkheid tot onverantwoord en onmenselijk handelen heeft geleid, zo is het eenvoudig te voorspellen dat de opheffing ervan tot belangrijk meer verantwoordelijk, menselijk en zorgvuldig gedrag in de maatschappij zal leiden.
De wijziging van één regel kan het kapitalisme de menselijkheid en rechtvaardigheid teruggeven die het nu zo duidelijk ontbeert. Vaders en directeuren zullen weer dezelfde mensen zijn – en alle achtertuinen even schoon.Bronnen: John Micklethwait en Adrian Wooldridge: The Company: A Short History of a Revolutionary Idea (Weidenfeld & Nicolson, 2003); Lawrence E. Mitchell: Corporate Irresponsibility, America’s Newest Export (Yale University Press, 2001); Marjorie Kelly: The Divine Right of Capital: Dethroning the Corporate Aristocracy (Berrett Koehler, 2001); Dean Ritz (red.): Defying Corporations, Defining Democracy (Apex Press, 2001).
Bron