1 Inkomstenbelasting 20041.1. Tarieven 4
1.1.1 Tarief Box 1 (belastbaar inkomen uit werk en woning) 4
1.1.2 Tarief Box 2 (belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang) 5
1.1.3 Tarief Box 3 (belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) 5
1.2 Heffingskortingen 5
1.2.1 Bedragen heffingskortingen 5
1.2.2 Algemene heffingskorting 5
1.2.3 Arbeidskorting 6
1.2.4 Kinderkorting 6
1.2.5 Aanvullende kinderkorting 6
1.2.6 Combinatiekorting 6
1.2.7 Aanvullende combinatiekorting 6
1.2.8 Alleenstaande-ouderkorting 6
1.2.9 Aanvullende alleenstaande-ouderkorting 7
1.2.10 Jonggehandicaptenkorting 7
1.2.11 Ouderenkorting 7
1.2.12 Aanvullende ouderenkorting 7
1.2.13 Toetrederskorting 7
1.2.14 Overgangsrecht invorderingsvrijstelling 7
1.2.15 Korting voor maatschappelijke beleggingen 8
1.2.16 Korting voor beleggingen in durfkapitaal 8
1.3 Aanslaggrens voor de inkomstenbelasting 8
1.4 Teruggaafgrens loonbelasting en premie volksverzekeringen (T-biljet) 8
1.5 Werknemersaftrek 8
1.5.1 Reisaftrek 8
1.5.2 Zeedagenaftrek 9
1.6 Eigenwoningforfait 9
1.7 Aftrek hypotheekrente na verhuizing; bijleenregeling 10
1.8 Bijtelling privé-gebruik auto van de zaak 10
1.9 Kinderopvang 10
1.10 Buitengewone uitgaven 12
1.10.1 Drempels buitengewone uitgaven 12
1.10.2 Kleding en beddengoed 12
1.10.3 Reiskosten ziekenbezoek 12
1.10.4 Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid 12
1.10.5 Uitgaven wegens chronische ziekte 12
1.10.6 Uitgaven wegens chronische ziekte van kinderen 13
1.10.7 Uitgaven wegens ouderdom 13
1.11 Aftrek levensonderhoud voor kinderen 13
1.12 Weekenduitgaven gehandicapte kinderen 14
1.13 Scholingsuitgaven 14
1.14 Kapitaalverzekering eigen woning 14
1.15 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen: lijfrente en andere premies 14
1.16 Kamerverhuurvrijstelling 15
1.17 Giftenaftrek 15
1.18 Investeringsaftrek 15
1.18.1 Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek 15
1.18.2 Energie-investeringsaftrek 15
1.18.3 Milieu-investeringsaftrek 16
1.18.4 Filminvesteringsaftrek 16
1.18.5 Desinvesteringsbijtelling 16
1.19 Scholingsaftrek 16
1.20 Ondernemersaftrek 16
1.20.1 Zelfstandigenaftrek 17
1.20.2 Aftrek speur- en ontwikkelingswerk 17
1.20.3 Meewerkaftrek 17
1.20.4 Stakingsaftrek 18
1.21 Oudedagsreserve 18
1.22 Extra lijfrentepremie-aftrek bij stakende ondernemers 18
1.23 Box 3 18
1.23.1 Heffingvrij vermogen 18
1.23.2 Toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen 19
1.23.3 Ouderentoeslag 19
1.23.4 Vrijstelling maatschappelijke beleggingen 19
1.23.5 Vrijstelling beleggingen in durfkapitaal 19
1.23.6 Vrijstelling voor een uitvaartverzekering 19
1.23.7 Kapitaaluitkering uit levensverzekering; overgangsrecht 19
1.23.8 Schulden 20
Eindejaarspersbericht downloaden
Download het gehele Eindejaarspersbericht als zip-bestand of als PDF-bestand.
Op dinsdag 16 december 2003 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het afsluitende pakket aan voorgestelde wijzigingen in de belastingwetgeving voor het komende jaar. In dit persbericht geeft het ministerie van Financiën een overzicht van de belangrijkste cijfermatige wijzigingen in de rijksbelastingen per 1 januari 2004.
De inflatiecorrectie voor 2004 leidt tot een bijstelling van de daarvoor in aanmerking komende bedragen met 2,4%. In de tekst zijn tussen haakjes de bedragen vermeld zoals die gelden voor 2003.
1 Inkomstenbelasting 2004
Tarieven
1.1.1 Tarief Box 1 (belastbaar inkomen uit werk en woning)
2004 voor personen jonger dan 65 jaar:
Belastbaar inkomen meer dan
doch niet meer dan
belastingtarief
tarief premie volksverzekeringen
totaal tarief
heffing over totaal van de schijven
-
¤ 16.265
1,00%
32,40%
33,40%
¤ 5.432
¤ 16.265
29.543
7,95%
32,40%
40,35%
10.789
29.543
50.652
42 %
42 %
19.654
50.652
52 %
52 %
2003 voor personen jonger dan 65 jaar:
Belastbaar inkomen meer dan
doch niet meer dan
belastingtarief
tarief premie volksverzekeringen
totaal tarief
heffing over totaal van de schijven
-
¤ 15.883
1,70%
31,45%
33,15%
¤ 5.265
¤ 15.883
28.850
7,20%
31,45%
38,65%
10.276
28.850
49.464
42 %
42 %
18.933
49.464
52 %
52 %
2004 voor personen van 65 jaar en ouder:
Belastbaar inkomen meer dan
doch niet meer dan
belastingtarief
tarief premie volksverzekeringen
totaal tarief
heffing over totaal van de schijven
-
¤ 16.265
1,00%
14,50%
15,50%
¤ 2.521
¤ 16.265
29.543
7,95%
14,50%
22,45%
5.501
29.543
50.652
42 %
42 %
14.366
50.652
52 %
52 %
2003 voor personen van 65 jaar en ouder:
Belastbaar inkomen meer dan
doch niet meer dan
belastingtarief
tarief premie volksverzekeringen
totaal tarief
heffing over totaal van de schijven
-
¤ 15.883
1,70%
13,55%
15,25%
¤ 2.422
¤ 15.883
28.850
7,20%
13,55%
20,75%
5.112
28.850
49.464
42 %
42 %
13.769
49.464
52 %
52 %
Premiepercentages volksverzekeringen:
AOW 17,90%
ANW 1,25%
AWBZ 13,25%
Totaal 32,40%
1.1.2 Tarief Box 2 (belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang)
De belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang bedraagt 25%.
1.1.3 Tarief Box 3 (belastbaar inkomen uit sparen en beleggen)
De belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt 30%.
1.2 Heffingskortingen
1.2.1 Bedragen heffingskortingen
Heffingskorting
personen jonger dan 65 jaar
personen van 65 jaar en ouder
2004
2003
2004
2003
Algemene heffingskorting
¤ 1.825
¤ 1.766
¤ 848
¤ 813
Arbeidskorting (maximaal)
- tot 57 jaar
- 57, 58 of 59 jaar
- 60 of 61 jaar
- 62 jaar of ouder
1.213
1.454
1.694
1.935
1.104
1.339
1.574
1.809
899
833
Kinderkorting
110
41
52
20
Aanvullende kinderkorting
- inkomen lager dan ¤ 28.097
- verhoging bij drie of meer
kinderen
- inkomen lager dan ¤ 29.807
547
64
363
534
63
354
255
30
169
247
30
164
Combinatiekorting
224
214
105
99
Aanvullende combinatiekorting
290
135
Alleenstaande-ouderkorting
1.381
1.348
642
621
Aanvullende alleenstaande ouderkorting (maximaal)
1.381
1.348
642
621
Jonggehandicaptenkorting
531
518
Ouderenkorting
418
346
Aanvullende ouderenkorting
248
242
Korting maatschappelijke beleggingen
1,3%
![]()
1,3%
![]()
1,3%
![]()
1,3%
Korting beleggingen in direct durfkapitaal
1,3%
![]()
1,3%
![]()
1,3%
![]()
1,3%
![]()
van de vrijstelling in box 3
1.2.2 Algemene heffingskorting
Iedere belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting. Partners hebben ieder zelfstandig recht op deze heffingskorting. Zij kunnen deze korting niet overdragen aan hun partner. Als één van de partners geen of weinig inkomsten heeft en dus zijn eigen heffingskorting niet (helemaal) gebruikt, kan hij onder bepaalde voorwaarden (een deel van) het bedrag rechtstreeks uitbetaald krijgen door de Belastingdienst. Weinig inkomen houdt hier in: het totaalbedrag van salaris, uitkering of pensioen is lager dan ongeveer ¤ 5.400 en er is geen ander inkomen. Voorwaarde voor uitkering is dat de partner van belastingplichtige voldoende inkomen heeft en voldoende belasting betaalt.
1.2.3 Arbeidskorting
Een belastingplichtige heeft recht op arbeidskorting als hij één van de volgende soorten inkomsten heeft: loon of salaris, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Het moet gaan om inkomsten uit tegenwoordige arbeid.
De hoogte van de arbeidskorting is afhankelijk van het gezamenlijk bedrag van de hiervoor bedoelde inkomsten uit tegenwoordige arbeid (de arbeidskortingsgrondslag). Voor ouderen vanaf 57 jaar geldt een hogere arbeidskorting.
1.2.4 Kinderkorting
Een belastingplichtige heeft recht op kinderkorting als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan;
· er behoort in 2004 meer dan zes maanden een kind tot het huishouden van de belastingplichtige en dit kind is bij aanvang van het kalenderjaar jonger dan 18 jaar; en
· dit kind is tijdens die periode op het woonadres van belastingplichtige of dat van zijn partner ingeschreven en wordt door één van beide in belangrijke mate onderhouden; en
· het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner is niet hoger dan
¤ 59.612 (¤ 58.214).
1.2.5 Aanvullende kinderkorting
Een belastingplichtige heeft in 2004 recht op de aanvullende kinderkorting van ¤ 363 (¤ 354) als voor hem de kinderkorting geldt en het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner in 2004 niet hoger is dan ¤ 29.807 (¤ 29.108).
Bij een gezamenlijk verzamelinkomen dat niet hoger is dan ¤ 28.097 (¤ 27.438) wordt de aanvullende kinderkorting verhoogd tot ¤ 547 (¤ 534). Daarnaast wordt deze aanvullende kinderkorting nog extra verhoogd met ¤ 64 (¤ 63) als er in het huishouden drie of meer kinderen zijn.
1.2.6 Combinatiekorting
Een belastingplichtige heeft recht op de combinatiekorting als:
· hij inkomen uit tegenwoordige arbeid heeft waarvoor meer dan ¤ 4.306 (¤ 4.206) wordt ontvangen, of de belastingplichtige komt in aanmerking voor de zelfstandigenaftrek voor ondernemers;
· en er behoort in 2004 gedurende tenminste 6 maanden een kind tot zijn huishouding dat bij aanvang van het kalenderjaar jonger is dan 12 jaar;
· en tijdens die periode op hetzelfde woonadres is ingeschreven als de belastingplichtige.
Als beide ouders aan de voorwaarden voldoen, hebben ze allebei recht op deze korting.
1.2.7 Aanvullende combinatiekorting
Met ingang van 1 januari 2004 komt er voor de minstverdienende partner die recht heeft op de combinatiekorting een nieuwe heffingskorting, de aanvullende combinatiekorting. Deze nieuwe heffingskorting geldt eveneens voor de werkende alleenstaande ouder die recht heeft op de combinatiekorting. De aanvullende combinatiekorting bedraagt in 2004 ¤ 290.
1.2.8 Alleenstaande-ouderkorting
Een belastingplichtige heeft recht op de alleenstaande-ouderkorting als hij in 2004 meer dan zes maanden:
· geen partner heeft; en
· een huishouding voert met een kind dat hij in belangrijke mate onderhoudt en dat op hetzelfde woonadres ingeschreven moet staan; en
· deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt.
1.2.9 Aanvullende alleenstaande-ouderkorting
Een belastingplichtige heeft recht op de aanvullende alleenstaande-ouderkorting als hij:
· recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting; en
· tegenwoordige arbeid verricht; en
· tot zijn huishouden behoort, gedurende een periode van meer dan zes maanden, een kind dat bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres is ingeschreven.
De hoogte van de aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3% van de inkomsten uit werkzaamheden buiten de huishouding, maar maximaal ¤ 1.381 (¤ 1.348).
1.2.10 Jonggehandicaptenkorting
In de regeling van de jonggehandicaptenkorting is een wijziging aangebracht. De jonggehandicaptenkorting geldt met ingang van 2004 voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (een zogenoemde Wajonguitkering), tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. Tot en met 2003 geldt de eis dat men daadwerkelijk een Wajonguitkering heeft genoten. Met ingang van 2004 komt men dus ook voor de jonggehandicaptenkorting in aanmerking, als weliswaar recht bestaat op een Wajong-uitkering maar geen uitkering wordt ontvangen, vanwege het hebben van een andere uitkering of ander inkomen uit arbeid.
1.2.11 Ouderenkorting
Een belastingplichtige heeft recht op de ouderenkorting als hij op 31 december 2004 65 jaar of ouder is en een verzamelinkomen heeft van niet meer dan ¤ 30.303 (¤ 29.592).
1.2.12 Aanvullende ouderenkorting
Een belastingplichtige heeft recht op de aanvullende ouderenkorting als hij:
· recht heeft op de ouderenkorting; en
· recht heeft op een AOW-uitkering voor alleenstaanden.
1.2.13 Toetrederskorting
Als men vóór 2003 vanuit een uitkeringssituatie (zoals bijstand of WAO, WAZ en Wajong) of gesubsidieerd werk, toetrad tot de arbeidsmarkt bestaat onder bepaalde voorwaarden recht op een toetrederskorting van ¤ 2.269, verdeeld over drie jaren (¤ 1.361 in het eerste jaar en ¤ 454 in het tweede en derde jaar). De toetrederskorting is op 1 januari 2003 afgeschaft. Belastingplichtigen die vanaf die datum toetreden tot de arbeidsmarkt hebben daarom geen recht op toetrederskorting. Wel worden in 2003, 2004 en 2005 nog de tranches verrekend waarop men recht heeft gekregen door het toetreden tot de arbeidsmarkt vóór 1 januari 2003.
1.2.14 Overgangsrecht invorderingsvrijstelling
De inkomensgrens voor de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting voor belastingplichtigen met een partner, is met terugwerkende kracht, tot 1 januari 2003, verhoogd van ¤ 5.239 naar ¤ 5.582. Voor de kalenderjaren 2004 en 2005 is de inkomensgrens vastgesteld op ¤ 5.833. De groep alfahulpen die voorheen recht had op de (afgeschafte) invorderingsvrijstelling, blijft hierdoor tot en met 2005 in aanmerking komen voor een tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting. In 2004 bedraagt de verhoging nog 47% (60%) van het bedrag van de berekende tijdelijke verhoging. De tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting is een algemeen geldende regeling. De regeling beperkt zich dus niet tot alfahulpen, maar geldt voor iedereen met een beperkt inkomen.
1.2.15 Korting voor maatschappelijke beleggingen
Deze korting geldt voor de belastingplichtige die belegt in maatschappelijke beleggingen (groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen) en bedraagt 1,3% van het bedrag dat daarvoor gemiddeld is vrijgesteld op grond van de bepalingen in box 3.
1.2.16 Korting voor beleggingen in durfkapitaal
Deze korting geldt voor de belastingplichtige die belegt in direct durfkapitaal en in culturele beleggingen. De korting bedraagt 1,3% van het bedrag dat daarvoor gemiddeld is vrijgesteld op grond van de bepalingen in box 3.
1.3 Aanslaggrens voor de inkomstenbelasting
Voor de aanslaggrens voor de inkomstenbelasting geldt in 2004 het volgende criterium:
indien het verschil tussen de verschuldigde inkomstenbelasting en het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op de heffingskortingen zijn vastgesteld (voorheffingssaldo) meer bedraagt dan ¤ 217 (¤ 211) volgt een aanslag.
1.4 Teruggaafgrens loonbelasting en premie volksverzekeringen (T-biljet)
De grens voor teruggaaf op verzoek, op grond van teveel ingehouden loonbelasting en premie volksverzekering over het belastingjaar 2004 is ¤ 13 (¤ 12).
Naast de voorheffingen moeten ook in aanmerking worden genomen de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op de heffingskorting zijn vastgesteld (gezamenlijk genoemd: voorheffingssaldo). Als dit voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet of met niet meer dan ¤ 13 (¤ 12) overtreft, dan volgt geen aanslag.
1.5 Werknemersaftrek
1.5.1 Reisaftrek
Voor het regelmatig woon-werkverkeer met het openbaar vervoer kan de reisaftrek van toepassing zijn. Voor deze aftrek gelden een aantal voorwaarden:
· de belastingplichtige moet beschikken over een openbaar-vervoerverklaring (of een reisverklaring); en
· de per openbaar vervoer afgelegde enkele reisafstand moet meer dan 10 kilometer bedragen; en
· de belastingplichtige moet regelmatig (doorgaans minimaal één keer per week of minimaal 40 dagen in 2004) tussen zijn woning en zijn werkplek heen en weer reizen per openbaar vervoer.
Reiskosten openbaar vervoer:
Enkele reisafstand woon-werkverkeer in km
aftrekbedrag in 2004
aftrekbedrag in 2003
meer dan
niet meer dan
0
10
-
-
10
15
¤ 386
¤ 376
15
20
516
503
20
30
867
846
30
40
1.075
1.049
40
50
1.404
1.371
50
60
1.561
1.524
60
70
1.732
1.691
70
80
1.791
1.749
80
-
1.816
1.773
Voor de belastingplichtige die op drie, twee of één dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden reist per openbaar vervoer bedraagt het aftrekbedrag indien de reisafstand niet meer bedraagt dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag. Als de enkele reisafstand groter is dan 90 kilometer: ¤ 0,20 (¤ 0,20) per kilometer vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar maximaal ¤ 1.816 (¤ 1.773).
1.5.2 Zeedagenaftrek
Voor de kapitein, scheepsofficier of scheepsgezel van een zeeschip in de zin van de Zeebrievenwet die in verband met zijn werkzaamheden doorgaans tenminste 180 dagen per jaar aan boord van een dergelijk zeeschip of in een buitenlandse haven of havenplaats verblijft, bedraagt de zeedagenaftrek ¤ 4 per zeedag. Daarbij tellen niet mee:
· reizen met een reisduur van 14 dagen of minder, tenzij gedurende de reis een buitenlandse haven is aangedaan die voor de vervoerde zaken of personen het karakter van haven van bestemming of vertrek heeft,
· reizen waarbij vertrek en aankomst in een Nederlandse haven op dezelfde dag liggen,
· dagen waarbij het schip in een Nederlandse haven ligt.
1.6 Eigenwoningforfait
Het forfaitpercentage van de WOZ-waarde van de eigen woning bedraagt:
2004:
Als de WOZ-waarde meer is dan
maar niet meer dan
bedraagt het forfaitpercentage
--
¤ 12.500
nihil
¤ 12.500
25.000
0,30%
25.000
50.000
0,50%
50.000
75.000
0,65%
75.000
en hoger
0,85%
2003:
Als de WOZ-waarde meer is dan
maar niet meer dan
bedraagt het forfaitpercentage
--
¤ 12.500
nihil
¤ 12.500
25.000
0,30%
25.000
50.000
0,45%
50.000
75.000
0,60%
75.000
en hoger
0,80%
Het berekende eigenwoningforfait kan niet hoger zijn dan ¤ 8.500 (¤ 8.200).
1.7 Aftrek hypotheekrente na verhuizing; bijleenregeling
De regeling van de hypotheekrenteaftrek voor de eigen woning is met ingang van 2004 gewijzigd.
Indien door verhuizing naar een nieuwe duurdere woning de hypotheekschuld wordt verhoogd, wordt de aftrek van de hypotheekrente voortaan alleen toegestaan voorzover de hypotheekverhoging nodig is om het verschil tussen de aankoopprijs van de nieuwe woning (inclusief verwervingskosten) en de opbrengst van de oude (na aftrek van kosten) te financieren.
Indien er een goedkopere woning wordt aangeschaft, kan men de rente over maximaal de hoogte van hypotheekschuld van de verkochte woning af blijven trekken (uiteraard tot maximaal de aankoopsom van de nieuwe woning).
De nieuwe regeling is niet van toepassing indien men voor 1 januari een onherroepelijke verplichting tot verkoop van de eigen woning of tot aankoop van de nieuwe woning is aangegaan.
1.8 Bijtelling privé-gebruik auto van de zaak
De regeling voor privé-gebruik auto van de zaak is ingrijpend gewijzigd. Vanaf 2004 geldt het volgende. Als het privé-gebruik meer bedraagt dan 500 kilometer per jaar, dan moet men tenminste 22% van de catalogusprijs van de auto bijtellen. Bij een privé-gebruik van 500 kilometer of minder hoeft er geen bijtelling plaats te vinden. Het bewijs dat sprake is van een dergelijk laag privé-gebruik kan worden geleverd aan de hand van een rittenregistratie of op andere wijze, zoals –onder bepaalde voorwaarden - een verklaring van de werkgever. Deze regeling geldt eveneens voor bestelauto’s, met uitzondering van bestelauto’s die alleen gebruikt kunnen worden voor het vervoer van goederen.
Woon-werkverkeer wordt met ingang van 2004 geheel aangemerkt als zakelijk verkeer.
1.9 Kinderopvang
Als een belastingplichtige zelf de kosten voor kinderopvang draagt, en voldoet aan de volgende voorwaarden kunnen de uitgaven boven de drempel afgetrokken worden:
· de belastingplichtige verricht (buiten het huishouden) betaalde arbeid en deze werkzaamheden leveren meer dan ¤ 3.707 (¤ 3.620) aan inkomen op. Als de belastingplichtige een partner heeft gelden aanvullende voorwaarden; en
· er wordt voldaan aan bepaalde administratieve voorwaarden; en
· het betreft alleen opvang die voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen.
Als de beroepsmatige opvang plaatsvindt op 4, 3, 2, of 1 dag per week, bedraagt de drempel 4/5, 3/5, 2/5, 1/5 van het bedrag in de tabel.
Als belastingplichtige slechts een deel van het jaar kinderopvang heeft gehad, mag de berekende drempel met een evenredig bedrag verlaagd worden.
Onder buitenschoolse opvang wordt verstaan: kinderopvang die zowel voor als na schooltijden en tijdens de schoolvakanties plaatsvindt.
Onder naschoolse opvang wordt verstaan: kinderopvang die zowel na schooltijd als tijdens de schoolvakanties plaatsvindt.
In bepaalde situaties moeten of mogen voor de berekening van de aftrek, de uitgaven voor kinderopvang en de inkomens van partners en huisgenoten worden samengevoegd.
Drempel voor kosten kinderopvang in 2004:
verzamelinkomen
niet voor aftrek in aanmerking komend bedrag per jaar ter zake van kinderopvang bij:
meer dan
doch niet meer dan
opvang gedurende meer dan vijf uur per dag, niet zijnde buitenschoolse of naschoolse opvang
opvang gedurende vijf uur per dag of minder, niet zijnde buitenschoolse of naschoolse opvang
voor het eerste kind
voor elk volgend kind
voor het eerste kind
voor elk volgend kind
-
¤ 26.350
¤ 50
¤ 50
¤ 29
¤ 29
¤ 26.350
29.850
438
438
254
254
29.850
33.350
825
825
479
479
33.350
36.850
1.213
1.005
704
583
36.850
40.350
1.601
1.150
929
667
40.350
43.850
1.988
1.297
1.153
752
43.850
47.350
2.376
1.455
1.378
844
47.350
50.750
2.764
1.615
1.603
937
50.750
54.100
3.151
1.754
1.828
1.017
54.100
57.500
3.539
1.892
2.053
1.097
57.500
60.850
4.120
2.030
2.390
1.177
60.850
64.200
4.701
2.168
2.727
1.257
64.200
67.550
5.282
2.303
3.064
1.336
67.550
70.900
5.865
2.303
3.402
1.336
70.900
74.300
6.446
2.303
3.739
1.336
74.300
77.650
7.026
2.303
4.075
1.336
77.650
7.607
2.303
4.412
1.336
Drempel voor kosten kinderopvang in 2004:
verzamelinkomen
niet voor aftrek in aanmerking komend bedrag per jaar ter zake van kinderopvang bij:
meer dan
doch niet meer dan
buitenschoolse opvang
naschoolse opvang
voor het eerste kind
voor elk volgend kind
voor het eerste kind
voor elk volgend kind
-
¤ 26.350
¤ 35
¤ 35
¤ 28
¤ 28
¤ 26.350
29.850
302
302
241
241
29.850
33.350
569
569
454
454
33.350
36.850
837
693
667
553
36.850
40.350
1.105
794
881
633
40.350
43.850
1.372
895
1.093
713
43.850
47.350
1.639
1.004
1.307
800
47.350
50.750
1.907
1.114
1.520
888
50.750
54.100
2.174
1.210
1.733
965
54.100
57.500
2.442
1.305
1.946
1.041
57.500
60.850
2.843
1.401
2.266
1.117
60.850
64.200
3.244
1.496
2.586
1.192
64.200
67.550
3.645
1.589
2.905
1.267
67.550
70.900
4.047
1.589
3.226
1.267
70.900
74.300
4.448
1.589
3.545
1.267
74.300
77.650
4.848
1.589
3.864
1.267
77.650
5.249
1.589
4.184
1.267
1.10 Buitengewone uitgaven
(in verband met ziekte, invaliditeit, overlijden, arbeidsongeschiktheid, chronische ziekte, ouderdom en adoptie)
1.10.1 Drempels buitengewone uitgaven
De kosten voor ziekte, invaliditeit en dergelijke komen voor aftrek in aanmerking voor zover zij meer bedragen dan een bepaalde drempel. Het gaat dan om kosten van belastingplichtige zelf, zijn fiscale partner en zijn kinderen jonger dan 27 jaar en tot het huishouden van belastingplichtige behorende ernstig gehandicapte personen van 27 jaar of ouder en van tot zijn huishouding behorende zorgafhankelijke ouders, broers of zusters.
De drempels zijn als volgt voor 2004:
verzamelinkomen van
verzamelinkomen tot
drempel
-
¤ 6.804
¤ 762
¤ 6.804
¤ 53.000
11,2% van het verzamelinkomen
¤ 53.000 of meer
-
¤ 5.936
De drempels zijn als volgt voor 2003:
verzamelinkomen van
verzamelinkomen tot
drempel
-
¤ 6.643
¤ 744
¤ 6.643
¤ 51.750
11,2% van het verzamelinkomen
¤ 51.750 of meer
-
¤ 5.796
Als de belastingplichtige het hele jaar een partner heeft gehad, moeten de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner worden samengevoegd.
1.10.2 Kleding en beddengoed
Het bedrag voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed die als uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit worden aangemerkt, bedraagt ¤ 320 (¤ 310). Indien wordt aangetoond dat deze extra uitgaven meer bedragen dan ¤ 640 (¤ 620) wordt het bedrag van ¤ 320 (¤ 310) verhoogd tot ¤ 800 (¤ 775).
1.10.3 Reiskosten ziekenbezoek
Het bedrag voor uitgaven ter zake van reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij de aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, is gesteld op ¤ 0,18 (¤ 0,18). Voorwaarde is dat de enkele reisafstand meer is dan 10 kilometer.
1.10.4 Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid
Deze uitgaven worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige die hiervoor in aanmerking komt, bij het begin van het kalender jaar jonger is dan 65 jaar. Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op ¤ 776 (¤ 757).
1.10.5 Uitgaven wegens chronische ziekte
De regeling voor de vaste aftrek voor uitgaven wegens chronische ziekte is met ingang van 2004 gewijzigd. Voor deze vaste aftrek van ¤ 776 (¤ 757) komt men in aanmerking indien in het kalenderjaar voor een bedrag van meer dan ¤ 307 aan bepaalde specifieke ziektekosten wordt betaald.
Indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek lager is dan ¤ 29.543, wordt het bedrag van deze specifieke ziektekosten verhoogd met 65% (vermenigvuldigingsfactor).
De toepassing van de vermenigvuldigingsfactor werkt niet mee voor de drempel van ¤ 307 aan specifieke uitgaven die toegang geven tot het chronisch zieken forfait.
1.10.6 Uitgaven wegens chronische ziekte van kinderen
De regeling voor de vaste aftrek voor uitgaven wegens chronische ziekte van kinderen is met ingang van 2004 gewijzigd. Ouders/verzorgers van chronisch zieke kinderen kunnen per chronisch ziek kind in aanmerking komen voor een vaste extra aftrek van ¤ 776 (¤ 757). Het forfait geldt dus niet meer voor alle chronisch zieke kinderen tezamen. Voor deze vaste aftrek komt men in aanmerking indien in het kalenderjaar voor het kind voor een bedrag van meer dan ¤ 307 aan bepaalde specifieke ziektekosten wordt betaald.
Indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek lager is dan ¤ 29.543, wordt het bedrag van deze specifieke ziektekosten verhoogd met 65% (vermenigvuldigingsfactor).
De toepassing van de vermenigvuldigingsfactor werkt niet mee voor de drempel van ¤ 307 aan specifieke uitgaven die toegang geven tot het chronisch zieken forfait.
1.10.7 Uitgaven wegens ouderdom
Uitgaven ter zake van ouderdom worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar 65 jaar of ouder is. Het in aanmerking te nemen bedrag is gesteld op ¤ 776
(¤ 757).
1.11 Aftrek levensonderhoud voor kinderen
Uitgaven voor kosten van levensonderhoud voor kinderen jonger dan 30 jaar zijn aftrekbaar als voor het kind geen recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de AKW en het kind geen recht heeft op studiefinanciering of een met AKW of studiefinanciering vergelijkbare regeling. Als de kosten in belangrijke mate drukken op de belastingplichtige, komen deze voor aftrek in aanmerking tot een bedrag van:
a. ¤ 270 per kalenderkwartaal indien het kind jonger is dan 6 jaar;
b. ¤ 330 per kalenderkwartaal indien het kind 6 jaar of ouder, maar jonger dan 12 jaar is;
c. ¤ 399 per kalenderkwartaal indien het kind 12 jaar of ouder, maar jonger dan 18 jaar is;
d. ¤ 330 per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of ouder is.
De kosten van het onderhoud van een kind worden geacht in belangrijke mate op de belastingplichtige te drukken, indien de op de belastingplichtige drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste ¤ 386 per kwartaal beloopt.
Het bedrag vermeld onder d. wordt verhoogd tot ¤ 660 indien de kosten van het levensonderhoud grotendeels (voor meer dan 50%) op de belastingplichtige drukken en de kosten van de belastingplichtige voor het kind tenminste ¤ 660 bedroegen.
Indien het kind niet tot het huishouden van de belastingplichtige behoort, wordt het bedrag onder d. vermeld verhoogd tot ¤ 990 indien deze kosten geheel (100%) of nagenoeg geheel (90% of meer) op de belastingplichtige drukken en de kosten van belastingplichtige voor het kind tenminste ¤ 990 bedroegen.
Als belastingplichtige het gehele jaar een fiscale partner heeft of een deel van het jaar een partner heeft maar wel kiest voor het gehele jaar fiscaal partnerschap en beiden doen uitgaven voor levensonderhoud voor een kind jonger dan 30 jaar worden deze uitgaven samengevoegd. Als belastingplichtige een deel van het jaar een fiscale partner heeft en niet heeft gekozen voor het gehele jaar fiscaal partnerschap dan wordt het in aanmerking te nemen wettelijk bedrag gesteld op de helft als beiden uitgaven voor levensonderhoud van een kind in aanmerking nemen.
Er bestaat geen aanspraak op aftrek uitgaven levensonderhoud als het recht op kinderbijslag is uitgesloten op grond van de Wet beperking export uitkeringen die op 1 januari 2000 in werking is getreden.
1.12 Weekenduitgaven gehandicapte kinderen
Voor de extra uitgaven voor de verzorging thuis van doorgaans in een inrichting verblijvende ernstig gehandicapte kinderen van 30 jaar en ouder geldt de volgende aftrek:
¤ 9 per dag van verzorging van het kind door de belastingplichtige;
¤ 0,18 per kilometer voor het vervoer van het kind per auto door de belastingplichtige over de reisafstand tussen de plaats waar het kind doorgaans verblijft en de plaats waar de belastingplichtige doorgaans verblijft. Als belastingplichtige een deel van het jaar een fiscale partner heeft en niet heeft gekozen voor het gehele jaar fiscaal partnerschap dan wordt het in aanmerking te nemen wettelijk bedrag gesteld op de helft als beiden weekenduitgaven gehandicapte kinderen in aanmerking nemen.
1.13 Scholingsuitgaven
Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door belastingplichtige zelf volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Voor de aftrek van de uitgaven geldt een drempel van ¤ 500 en een maximum van ¤ 15.000. Als belastingplichtige recht heeft op aftrek van de vaste bedragen in het kader van de wet studiefinanciering wordt het maximum daarmee verhoogd.
1.14 Kapitaalverzekering eigen woning
Voor de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning (box 1) kunnen de volgende vrijstellingen van toepassing zijn:
· Bij 15 tot en met 19 jaar premiebetaling: maximaal ¤ 31.200 (¤ 30.500);
· Bij 20 jaar of meer premiebetaling: maximaal ¤ 137.500 (¤ 134.500).
De totale vrijstelling kan nooit meer bedragen dan ¤ 137.500 (¤ 134.500) per belastingplichtige gedurende zijn leven.
1.15 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen: lijfrente en andere premies
Premies voor lijfrenten zijn onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar. Indien is voldaan aan de voorwaarden voor lijfrentepremie-aftrek, gelden vervolgens voor de hoogte van de premie-aftrek de volgende regels:
· Premies zijn aftrekbaar voor zover de belastingplichtige een pensioentekort heeft en jonger is dan 65 jaar. De hoogte van het aftrekbare bedrag moet bepaald worden aan de hand van de jaarruimte of reserveringsruimte. Met ingang van 2004 is bij de berekening van de jaarruimte het inkomen en de pensioenaangroei van het voorafgaande kalenderjaar bepalend;
· De jaarruimte bedraagt maximaal ¤ 24.687 (¤ 24.109);
· De reserveringsruimte bedraagt in het jaar van aftrek ten hoogste 17% van de premiegrondslag met een maximum van ¤ 6.244 (¤ 6.097). Voor de belastingplichtige die op 1 januari 2004 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt het maximumbedrag van ¤ 6.244 (¤ 6.097) verhoogd tot ¤ 12.335
(¤12.045).
· Met ingang van 2004 geldt voor de jaar- en reserveringsruimte een terugwentelingstermijn van 3 maanden. Om voor premie-aftrek in 2004 in aanmerking te komen moeten de lijfrentepremies dus voor 1 april 2005 zijn betaald.
Premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering, premies WAZ en premies van lijfrenten voor meerderjarige invalide(klein)kinderen zijn niet gebonden aan een maximaal aftrekbedrag.
· De maximale premiegrondslag bij de berekening van de jaarruimte is ¤ 145.219 (¤ 141.815).
· De in te bouwen AOW-franchise bij de berekening van de jaarruimte is ¤ 10.571 (¤ 10.571).
· Het maximaal bedrag van de jaaruitkering voor overbruggingslijfrenten is ¤ 62.414 (¤ 60.951) en voor
tijdelijke oudedagslijfrenten is het maximaal bedrag van de jaaruitkering ¤ 18.727 (¤ 18.288).
1.16 Kamerverhuurvrijstelling
De vrijstelling voor kamerverhuur bedraagt in 2004 ¤ 3.710 (¤ 3.595).
1.17 Giftenaftrek
Voor giften die niet in de vorm van periodieke uitkeringen zijn gedaan (de zogenaamde andere giften) geldt een drempel van ¤ 60 of als dat meer is 1% van het verzamelinkomen (vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek). Tevens geldt voor deze giften een maximum van 10% van dat inkomen. Bij partners geldt dat zij hun “andere giften” en hun verzamelinkomens moeten samenvoegen.
Onder voorwaarden zijn giften in de vorm van periodieke uitkeringen volledig aftrekbaar.
1.18 Investeringsaftrek
De belastingplichtige die investeert in bedrijfsmiddelen kan (naast de afschrijvingen) een deel van het investeringsbedrag van de winst aftrekken, de zogenoemde investeringsaftrek.
Deze aftrek kan de vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek, van milieu-investeringsaftrek en van filminvesteringsaftrek.
1.18.1 Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
De belastingplichtige die in een kalenderjaar investeert in bedrijfsmiddelen, kan een aangewezen percentage van het investeringsbedrag van de winst over dat jaar aftrekken.
Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:
meer dan
maar niet meer dan
bedraagt het percentage
-
¤ 2.000
0
¤ 2.000
33.000
25
33.000
65.000
22
65.000
96.000
19
96.000
127.000
16
127.000
159.000
13
159.000
191.000
11
191.000
223.000
8
223.000
254.000
5
254.000
286.000
3
286.000
–
0
Bij een samenwerkingsverband worden de investeringen voor het hele samenwerkingsverband samengenomen.
1.18.2 Energie-investeringsaftrek
Voor ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe is verklaard dat sprake is van energie-investeringen (investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie) geldt de energie-investeringsaftrek. Hieronder kunnen tevens worden begrepen de kosten van een advies dat (mede) op die investering betrekking heeft ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen.
De energie-investeringsaftrek bedraagt 55% bij een bedrag aan energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan ¤ 2.000 (¤ 2.000). Als bedrag aan energie-investeringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen ¤ 106.000.000 (¤ 103.000.000). Bij een samenwerkingsverband worden de investeringen voor het hele samenwerkingsverband samengenomen.
Investeringen kunnen voor zowel de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek als de energie-investeringsaftrek in aanmerking komen.
1.18.3 Milieu-investeringsaftrek
Voor ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als milieu-investeringen (investeringen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu) geldt de milieu-investeringsaftrek. Hieronder kunnen tevens worden begrepen de kosten van een milieu-advies.
Bij een bedrag aan milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan ¤ 2.000 (¤ 2.000) bedraagt de milieu-investeringsaftrek:
voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I: 40%
voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II: 30%
voor milieu-investeringen die behoren tot categorie III: 15%
De milieu-investeringsaftrek is van toepassing naast de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Heeft de ondernemer gekozen voor de energie-investeringsaftrek, dan komt de investering niet tevens in aanmerking voor de milieu-investeringsaftrek.
1.18.4 Filminvesteringsaftrek
Belastingplichtigen die in 2004 als commanditair vennoot investeren in een film, moeten voor 1 januari 2005 een verzoek om een verklaring voor de filminvesteringsaftrek of willekeurige afschrijving film indienen. Senter (ministerie van Economische Zaken) kan een verklaring voor de filminvesteringsaftrek afgeven indien het nog resterende budget van 2003 dit toelaat. Voor 2004 komt er geen nieuw budget ter beschikking. De Europese Commissie dient hieraan nog goedkeuring te verlenen. Na goedkeuring zal deze maatregel bij Koninklijk Besluit in werking treden, zonodig met terugwerkende kracht.
1.18.5 Desinvesteringsbijtelling
Een ondernemer die in een jaar bedrijfsmiddelen van de hand doet (desinvesteert) waarin hij binnen vijf jaar daarvoor heeft geïnvesteerd, moet, als hij met die desinvestering een bepaalde drempel overschrijdt, een bedrag aan de winst toevoegen gelijk aan het destijds genoten investeringsaftrekpercentage over het bedrag van de desinvestering. Daarbij kan de desinvesteringsbijtelling niet hoger zijn dan de destijds genoten investeringsaftrek.
De desinvesteringsdrempel is voor 2004 vastgesteld ¤ 2.000. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag in 2003.
1.19 Scholingsaftrek
De scholingsaftrek wordt per 1 januari 2004 afgeschaft.
1.20 Ondernemersaftrek
De ondernemersaftrek is het gezamenlijke bedrag van:
· de zelfstandigenaftrek;
· de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk;
· de meewerkaftrek; en
· de stakingsaftrek.
1.20.1 Zelfstandigenaftrek
De zelfstandigenaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt.
Bij een winst in 2004 van:
meer dan
maar niet meer dan
bedraagt de zelfstandigenaftrek
-
¤ 12.850
¤ 6.585
¤ 12.850
14.905
6.122
14.905
16.965
5.660
16.965
48.595
5.045
48.595
50.650
4.604
50.650
52.710
4.118
52.710
54.765
3.634
54.765
–
3.194
Bij een winst in 2003 van:
meer dan
maar niet meer dan
bedraagt de zelfstandigenaftrek
-
¤ 12.550
¤ 6.430
¤ 12.550
14.555
5.978
14.555
16.570
5.527
16.570
47.455
4.926
47.455
49.460
4.496
49.460
51.475
4.021
51.475
53.480
3.548
53.480
–
3.119
Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met ¤ 1.941 (¤ 1.895) (startersaftrek).
1.20.2 Aftrek speur- en ontwikkelingswerk
De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en die in het kalenderjaar ten minste 625 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek bedraagt ¤ 11.000 (¤ 5.331).
Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk is toegepast, wordt de aftrek speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met ¤ 5.500 (¤ 2.666).
1.20.3 Meewerkaftrek
De meewerkaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en van wie de partner zonder enige vergoeding arbeid verricht in een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.
Bij arbeid van de partner die gedurende het kalenderjaar een aantal uren in beslag neemt
gelijk aan of meer dan
maar minder dan
bedraagt de meewerkaftrek
525
875
1,25% van de winst
875
1225
2 % van de winst
1225
1750
3 % van de winst
1750
4 % van de winst
1.20.4 Stakingsaftrek
De stakingsaftrek geldt voor de ondernemer die in het kalenderjaar winst behaalt met of bij het staken van één of meer gehele ondernemingen waaruit hij als ondernemer winst geniet en bedraagt ¤ 3.630 eenmaal per leven.
Voor belastingplichtigen die op 31 december 2000 ondernemer waren en dit nog steeds zijn, wordt de stakingsaftrek verhoogd tot ¤ 10.346 (¤ 13.704) voor ondernemers van 55 jaar of ouder en tot ¤ 5.808
(¤ 6.897) voor ondernemers jonger dan 55 jaar. De verhoging wordt verminderd met een eerder genoten stakingsvrijstelling en stakingsaftrek.
1.21 Oudedagsreserve
De ondernemer die aan het urencriterium voldoet en die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, kan bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst over dat jaar toevoegen aan de oudedagsreserve. Dit betekent dat hij elk jaar een bepaald bedrag als aftrekpost ten laste van de winst mag brengen.
De toevoeging aan de oudedagsreserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst, maar niet meer dan ¤ 10.799 (¤ 10.545).
Deze toevoeging wordt verminderd met de ten laste van de winst gekomen pensioenpremies.
De toevoeging bedraagt ten hoogste het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar te boven gaat.
1.22 Extra lijfrentepremie-aftrek bij stakende ondernemers
De extra ruimte aan lijfrentepremie-aftrek bij ondernemers die hun onderneming of een gedeelte van hun onderneming staken bedraagt maximaal:
¤ 396.054 (¤ 386.771) bij:
· overdrachten door ondernemers van 60 jaar of ouder;
· overdrachten door invalide ondernemers;
· het staken van de onderneming door overlijden.
¤ 198.031 (¤ 193.389) bij:
· overdrachten door ondernemers van 50 tot 60 jaar;
· overdrachten door ondernemers indien de lijfrente-uitkeringen direct ingaan.
¤ 99.020 (¤ 96.699):
· in de overige gevallen.
Met ingang van 2004 is bij de berekening van de ruimte voor de lijfrentepremieaftrek het inkomen en de pensioenaangroei van het voorafgaande kalenderjaar bepalend. Ondernemers mogen in het jaar dat zij (een deel van) hun onderneming staken op verzoek daarvan afwijken en bij de berekening van de lijfrentepremieaftrek er voor kiezen om de gegevens van het kalenderjaar zelf te gebruiken. In het opvolgende kalenderjaar, waarin weer uitgegaan moet worden van de gegevens van het voorafgaande kalenderjaar, mag de stakingwinst niet nogmaals bij de berekening van de ruimte voor de lijfrentepremieaftrek in aanmerking worden genomen.
1.23 Box 3
1.23.1 Heffingvrij vermogen
Bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen heeft een belastingplichtige recht op een heffingvrij vermogen van ¤ 19.252 (¤ 18.800). Het heffingvrije vermogen kan onder voorwaarden worden overgedragen aan de partner.
1.23.2 Toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen
Het heffingvrije vermogen kan worden verhoogd met de toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen indien de belastingplichtige als ouder op 31 december 2004 het gezag uitoefent over een minderjarig kind. De toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen bedraagt ¤ 2.571 (¤ 2.510) per minderjarig kind. Indien de belastingplichtige een partner heeft, wordt deze toeslag bij de oudste partner in aanmerking genomen, tenzij zij gezamenlijk anders verzoeken.
1.23.3 Ouderentoeslag
Het heffingvrije vermogen kan onder voorwaarden worden verhoogd met de ouderentoeslag. De hoogte van de ouderentoeslag wordt als volgt berekend:
Bij een inkomen uit werk en woning - vóór inachtneming van de uitgaven voor kinderopvang en de persoonsgebonden aftrek - van:
meer dan
maar niet meer dan
bedraagt de ouderentoeslag
-
¤ 13.024
¤ 25.484
¤ 13.024
18.119
12.742
18.119
-
nihil
· Om in aanmerking te komen voor de ouderentoeslag mag de gemiddelde rendementsgrondslag (na aftrek van het heffingvrije vermogen) niet meer bedragen dan ¤ 254.784 (¤ 248.812).
De ouderentoeslag kan onder voorwaarden worden overgedragen aan de partner.
· Als je het hele jaar dezelfde fiscale partner hebt dan mag de gezamenlijke gemiddelde rendementsgrondslag (na aftrek van het heffingvrije vermogen) niet meer bedragen dan ¤ 509.568
(¤ 497.624) om in aanmerking te komen voor de ouderentoeslag.
1.23.4 Vrijstelling maatschappelijke beleggingen
Van de vermogensrendementsheffing zijn vrijgesteld maatschappelijke beleggingen tot een gezamenlijk maximum van ¤ 51.390 (¤ 50.185).
Maatschappelijke beleggingen zijn bepaalde in de Wet IB 2001 omschreven groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen.
De vrijstelling voor maatschappelijke beleggingen kan onder voorwaarden worden overgedragen aan de partner.
1.23.5 Vrijstelling beleggingen in durfkapitaal
Van de vermogensrendementsheffing zijn vrijgesteld beleggingen in durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van ¤ 51.390 (¤ 50.185).
Beleggingen in durfkapitaal zijn bepaalde in de Wet IB 2001 omschreven directe en indirecte beleggingen. Hieronder vallen ook de culturele beleggingen.
De vrijstelling voor beleggingen in durfkapitaal kan onder voorwaarden worden overgedragen aan de partner.
1.23.6 Vrijstelling voor een uitvaartverzekering
De vrijstelling voor een uitvaartverzekering of een andere overlijdensrisicoverzekering in box 3 bedraagt
¤ 6.244 (¤ 6.097).
1.23.7 Kapitaaluitkering uit levensverzekering; overgangsrecht
Voor op 14 september 1999 bestaande kapitaalverzekeringen kan onder voorwaarden een vrijstelling van maximaal ¤ 123.428 van toepassing zijn. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag in 2003. Deze vrijstelling kan onder voorwaarden worden overgedragen aan de partner.
1.23.8 Schulden
Voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen worden schulden in aanmerking genomen voor zover de gezamenlijke waarde meer bedraagt dan ¤ 2.700 (¤ 2.600). Indien de belastingplichtige een partner heeft, moet - ongeacht de toedeling van bezittingen en schulden - een schuldendrempel van ¤ 5.400 (¤ 5.200) in aanmerking worden genomen.