Etappe 18: Voiron - Orcières-Merlette, 185,2 kmWel, dit was dan weer zo'n rit die eigenlijk onmogelijk samen te vatten is. Ik zou amper weten waar ik moet beginnen. Bij Baptiste Veistroffer, die vrolijk begon aan te vallen om daarna heel hard gelost te worden? Zo'n dag was het wel, richting het eind van de Tour zakken steeds meer renners er gewoon doorheen. We reden van Chambéry naar Voiron en in het begin van de rit kwamen we wat klimmetjes tegen, op die klimmetjes was het oorlog. Ik heb een miljoen aanvallen gezien, een juniorenkoers was er niets bij. Het was mogelijk de laatste kans voor de sprinters, maar die kans leek vrij snel te vervliegen. Iemand als Van der Poel ging vrolijk aanvallen, hij leek weinig rekening te houden met Philipsen. Pedersen zagen we ook weer een miljoen keer aanvallen, de groene dommekracht houdt ervan om met zijn krachten te smijten. Wielrennen schijnt een merkwaardige sport te zijn, daar was de vorige rit wel weer een toonbeeld van. Het was chaos, het was onnavolgbaar. Op een gegeven moment reed er een grote groep weg met daarin Pogacar, maar Del Toro was niet mee. Die reed ineens 40 seconden achter de kop van de koers. Grappig genoeg durfde niemand daar gebruik van te maken. Je had daar als Decathlon iets mee kunnen doen, maar Decathlon begon pas met rijden op het moment dat Del Toro terug was. Tegen die tijd zagen we een kopgroepje vooraan met daarin onder meer Van der Poel, Decathlon besloot te rijden om met Kooij voor de rit te kunnen gaan. Pedersen was ondertussen na alle aanvallen gelost, maar hij keerde even later weer terug en weer wat later ging hij dan maar opnieuw in de aanval. Decathlon had het gat met de kopgroep kleiner weten te maken, voor Pedersen het signaal om de oversteek te maken. Hij kreeg wat renners met zich mee, waarna even later ook Alpecin wakker werd. Ze hadden Van der Poel vooraan, dat was prima, maar op het moment dat Pedersen ging moest Philipsen mee. Dat duurde wel even, maar uiteindelijk verscheen hij toch. En zo reden er meerdere groepjes achter elkaar, die een tijd later bij elkaar kwamen. Ook Kooij schoof mee, Decathlon kon tevreden zijn. UAE kon minder tevreden zijn, tegen die tijd was Adam Yates gelost. Lijkbleek, de Brit schijnt ziek te zijn, of ziek te zijn geweest. Dat virus mag hij voor de spanning in de Tour wel overdragen aan zijn ploeggenoten, maar dan wel een milde variant natuurlijk! Yates stond echt stil, hij kwam geen poot vooruit, het waren fascinerende beelden. Hij reed lang in z'n eentje rond, later ging Wellens hem dan toch maar helpen. Het zag er eigenlijk niet naar uit dat hij de finish zou halen, maar dat is dan toch gelukt. Al lijkt het me sterk dat hij in de laatste dagen nog een rol van betekenis gaat kunnen spelen.
In de kop van de koers was Pedersen dus weer naar de kopgroep gereden, even later ging hij er met een paar andere renners dan weer vandoor vanuit die kopgroep. Fuga de la fuga! Hij kreeg vijf renners met zich mee, waaronder Edward Planckaert. De ploeggenoot van Philipsen en Van der Poel hoefde niets te doen, maar de rest werkte graag met Pedersen mee. Met een minuutje voorsprong reden ze verder, waarna Alpecin even later dan toch maar besloot om de boel te controleren vanuit de achtervolgende groep. Voor het eerst deze Tour zagen we Emiel Verstrynge in beeld, hij had op het juiste moment een goede dag. In het peloton liet men ondertussen begaan, de kopgroep kreeg de zegen. In dat peloton zat ondertussen mijn vriend Bini weer, hij kende op een slecht moment een mindere dag. Deze rit had nog een kans voor hem moeten zijn, hij had moeten zitten daar waar Kooij en Philipsen zaten, maar nee, altijd tegen mij. Vooraan lekker het er een tijd op alsof dat kopgroepje van zes voor de zege zou gaan, maar Alpecin kreeg even later steun van Visma en toen kon het ineens weer alle kanten op. De kopgroep haalde in ieder geval wel de tussensprint, daar pakte Pedersen de volle buit. Na de tussensprint besloot Stuyven vanuit dat kopgroepje ineens in de aanval te gaan. Een ietwat merkwaardige keuze, het was nog meer dan 20 kilometer tot de finish en dat is in je eentje best ver. Als dat kopgroepje nog een tijdje rond was blijven draaien hadden ze het kunnen redden, maar dat feest ging door de aanval van Stuyven niet meer door. De Belg ging voortvarend te werk, maar richting de finish viel hij dan toch stil. Pedersen liet zich inlopen, hij moest een nieuw plan gaan verzinnen. Zo reden we gecontroleerd verder, in deze rit vol plotwendingen. In het begin van de rit ook een aantal valpartijen gezien, het was wel echt grande casino. In de absolute slotfase van de rit zat nog een klein klimmetje, een kilometer of twee aan een procent of vier. Op die klim sneuvelde Stuyven, hij strandde in de Tour weer eens in het zicht van de haven. Toch te snel vertrokken, te gretig. Op dat klimmetje zagen we dan weer aanvallen vanuit de kopgroep, uiteraard was Pedersen er met zijn domme hoofd weer bij. Simmons was uiteraard ook weer van de partij, maar de aanvallen op dit klimmetje werden gecounterd door Mathieu van der Poel. Zonder te ademen reed hij naar de aanvallers toe. Hij besloot op het wiel te blijven zitten, het was echt de controle met het oog op de sprint van Philipsen. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat hij de rit had gewonnen als hij op dat moment erop en erover was gegaan, maar bon, daar komen we nooit meer achter. Geen geslaagde aanvallen op dat klimmetje en dus reden we met de groep naar de finish toe. In de technische finale in Voiron was het Alpecin die het geweldig speelde. Na puik werk van Planckaert en Verstrynge onderweg was het nu de beurt aan Van der Poel, hij piloteerde Philipsen perfect door de laatste kilometer heen en na de laatste bocht op een meter of 300 van het eind trok hij de sprint keihard aan. Dusdanig hard dat er op Philipsen na niemand meer op het wiel zat. Dit was weer een ouderwetse lead-out van Mathieu, eentje waarna Philipsen nog maar drie trappen hoefde te doen om de zege binnen te hengelen. Wonderbenen bij Van der Poel, en ook eindelijk het juiste gevoel bij Philipsen. Nog geen rit gewonnen, dat begon te knagen, maar nu was de verlossing er.
Na een lastig begin kende de rit een vlak verloop, zonder de context van de rit is het niet gek om de naam Philipsen als winnaar te zien verschijnen. Het was alleen totaal geen normale sprint, Philipsen had er echt hard voor moeten werken. Eigenlijk de slag gemist, maar de boel toch nog recht kunnen zetten. Daarna het klimmetje weten te overleven en kunnen rekenen op een ijzersterke Van der Poel. Maar hij moest zelf ook sterk zijn, anders was hij ergens onderweg wel een keer afgehaakt. Een afgetekende zege, een fietslengte of vijf voor Mauro Schmid en Olav Kooij. De Nederlander wist zich via een omweg in de kopgroep te rijden, maar aan het eind van deze zware rit was de tank leeg. De tank was ook leeg bij Pedersen, na een miljoen aanvallen kwam hij in de sprint voor geen meter vooruit. Hij eindigde achter Huub Artz en Rick Pluimers, kun je nagaan. Matthews zat er ook nog, dit had normaal een rit en een sprint voor hem moeten zijn, maar het ging om de zege en dus werd hij slechts negende. Een vermakelijk etappe, met heel veel veranderende scenario's. Een paar keer dacht ik de uitkomst van de rit te kunnen raden, steeds zat ik er volledig naast. Zo kan zelfs een rit die gewonnen wordt door een sprinter leuk blijken te zijn, al laat Philipsen hier weer zien sprinter+ te zijn. Iets minder topsnelheid van Merlier, wel een stuk veelzijdiger. Weer een Belgische ritzege, met dank aan een Nederlander. Zonder Mathieu had de wereld er heel anders uitgezien. Zijn sprint was ook heel sterk, zonder Philipsen in de buurt had hij de rit op meerdere manieren kunnen winnen. Dan noemen we je dus de morele winnaar. Wel echt leuk om nog eens een onvoorspelbare rit te zien, het werd nu wel weer duidelijk dat wielrennen ook echt een tactisch steekspelletje kan zijn. Alpecin maakte uiteindelijk de juiste tactische keuzes, al scheelde het niet veel of Philipsen had de slag gemist. Het moet soms een beetje meezitten, ook dat is wielrennen. Maar toch, helemaal zelf afgedwongen. Groen is nu ineens ook weer spannend, het werd een baaldag voor Pedersen en Lidl-Trek. Als hij minder gretig was geweest had Philipsen de rit niet gewonnen, zo geestig is deze sport dan ook wel weer. Dankzij de onverzettelijke Pedersen maakt Philipsen van zijn magere Tour plots een goede Tour. Hoe dan ook een verdiende zege, eentje om in te kaderen. Dat kunnen we niet zeggen over de volgende rit. Er staat vermoedelijk weer een dag voor de vluchters op het programma. Dat zou op zichzelf wel weer vermakelijk kunnen worden, maar verder ben ik het in alles oneens met deze rit. Orcières-Merlette is geen topklim, dat als een veredelde soort unipuerto in je parcours opnemen is vragen om problemen. De strijd om de ritzege kan met wat geluk interessant worden, voor de klassementsrenners zal dit uitdraaien op een halve rustdag. We moeten nog even een dagje langer wachten voor de klassementsploegen kunnen proberen het uit elkaar vallende UAE een loer te draaien. Ondertussen kijken we nog maar eens naar een vluchtersrit, hopelijk weer vol onvoorspelbare ontwikkelingen, al ben ik bang dat het verloop van deze rit logischer zal zijn. Op de eerste klim rijdt een groepje weg en dat groepje gaat samen vechten om de ritzege op de slotklim, met in het middenrif van de rit een paar uur niets. Die angst mogen we met dit parcours koesteren, dit is geen goede etappe.
![697f5]()
![f73b9]()
Met Jasper Philipsen hebben we een nieuwe naam toegevoegd aan de erelijst van Voiron. Hij had vorig jaar in de Vuelta zijn naam al op deze lijst kunnen zetten, maar door miscommunicatie in de sprint ging dat niet door. Lead-out Planckaert zat hem per ongeluk in de weg, Ben Turner profiteerde. Nu was er van miscommunicatie geen sprake, Van der Poel trok furieus de sprint aan en zorgde ervoor dat de tegenstand al uit het wiel was gereden voor Philipsen aan de sprint begon. Voor de zekerheid stuurde Van der Poel helemaal uit naar de zijkant, nu zou Philipsen zeker niet in de weg worden gereden door een ploeggenoot. Philipsen kon het glansrijk afronden, niemand op de foto. De fout van een jaar eerder rechtgezet, soms biedt het leven je een tweede kans. Met Wout van Aert, Ben Turner en Jasper Philipsen nu drie mooie namen op de erelijst in deze stad waar ik gisteren al veel over heb verteld. Daags na de zege van Philipsen zijn we nog steeds in Voiron, waar ik niet veel extra informatie over te delen heb. In het roadbook zie ik dat ze hier ook nog een museum hebben, het Musée Mainssieux. Een museum waar je werken kunt vinden van de schilder Lucien Mainssieux, je kunt ook zijn collectie van het werk van andere schilders bewonderen. Zoals we tijdens Vive le Velo hebben kunnen zien vinden we in Voiron ook de Caves de la Chartreuse. Een distilleerderij en de grootste likeurkelder ter wereld. Bezoekers kunnen er de eeuwenoude geheimen en kruidenkennis van de kartuizer monniken ontdekken, boh! Van deze rit krijg ik wel zin om het op een zuipen te zetten, al zijn kruidenlikeurtjes doorgaans niet te hachelen. Valt me nu pas op dat we voor de deuren van chocolatier Bonnat zijn aangekomen, een voorzichtig gesponsorde finish bij een van de populairste trekpleisters van Voiron. Iedereen komt naar de stad voor een chocolaatje van Bonnat, een chocolatier die ook een vestiging in Parijs schijnt te hebben. Chocolade, likeur, de lokale bevolking zal gezellig dik zijn. Meer chocola kan ik er niet van maken, tijd om aan deze matige rit te gaan beginnen.
![GDQs678.jpeg]()
Na de start werken we een geneutraliseerd rondje af door Voiron en daarna gaan we een eindje buiten de stad beginnen aan wat voor mij persoonlijk de slechtste rit van deze Tour is. Wat niet wil zeggen dat het een slechte rit wordt, dit kan een zeer vermakelijke vluchtersrit worden. Maar het principe van deze etappe staat mij volledig tegen. Het is een bergrit met een aankomst bergop, maar dan wel een aankomst bergop waar niets gaat gebeuren. De aankomst bergop is te simpel, het is haast ondoenlijk om hier het verschil te maken. Goed, het lukt Pogacar tegenwoordig om de complete tegenstand overboord te gooien op de Cipressa, dan kan hij dat hier ook, maar de kans is buitengewoon klein dat hij dat hier gaat proberen. Hierna moeten we twee dagen naar Alpe d'Huez, de klassementsrenners gaan hier een extra rustdag van maken. Deze rit had je beter kunnen plaatsen tussen de twee aankomsten op Alpe d'Huez in, of je had deze rit überhaupt van een ander karakter moeten voorzien. Je had voorafgaand aan de slotklim zonder veel moeite een paar zwaardere beklimmingen kunnen toevoegen. Je had ervoor kunnen opteren om ergens onderweg een zware beklimming in het parcours op te nemen en daarna ergens beneden te finishen. Je had er een soort heuvelrit van kunnen maken met een paar korte en nijdige beklimmingen onderweg, je had zoveel opties kunnen bedenken, maar je hebt de optie gekozen waarvan je zeker weet dat het een rit voor de vluchters wordt met tussen de klassementsrenners een sprintje bergop. Dat vind ik een weggegooide dag, zeker in de laatste week. In 2020 gingen we ook al naar deze aankomst en toen werd dat een enorm saaie rit, geen idee waarom je dat dan zou herhalen. Ik vind deze rit echt een belediging voor de koers, als je ooit nog terugkeerde naar Orcières-Merlette had dat moeten zijn in een etappe met meer beklimmingen onderweg. De beste optie was geweest om gewoon ergens helemaal ander te vinden, met een totaal andere rit. Ondanks wat beklimmingen onderweg mag je deze rit wat mij betreft prima classificeren als unipuerto, waarbij de puerto aan het eind ook nog eens een veredelde loper is. Niet iedereen zal mijn grieven begrijpen, maar gevoelsmatig is dit een totaal weggegooide dag. De strijd om de ritzege kan interessant worden, maar zelfs dat valt waarschijnlijk nog wel tegen, omdat iedereen gaat wachten op de slotklim en de strijd beperkt zal blijven tot de laatste minuten van de dag. Ik denk zomaar terug aan de 10e rit van de Tour van 2022, toen we een soortgelijke rit kenden met aankomst bij het altiport van Megève. Een aankomst bergop, maar de favorieten bleven met 25 man bij elkaar. In de kopgroep zagen we dan weer een sprintje bergop tussen Magnus Cort en Nick Schultz. De strijd om de ritzege was nog wel vermakelijk, maar deze namen wil je toch niet vooraan in een bergrit? Omdat ik dit een enorme kutrit vind en omdat ik ook net wat minder tijd heb gaan we even door deze rit broezen. Na de neutralisatie gaan we van start net buiten Tullins, de grap is dat we de eerste kilometers van deze rit in tegengestelde richting het parcours van de Vuelta van vorig jaar volgen. Toen reden we na de Italiaanse start van Susa naar Voiron en in de finale reden we in de laatste grofweg 25 kilometer over dezelfde wegen als nu, alleen dan dus de andere kant op. Kan ik mooi m'n voorbeschouwing van vorig jaar gebruiken, alleen even de volgorde omdraaien. Na de neutralisatie beginnen we op een brede weg in een behoorlijk dichtbebouwde omgeving, in de eerste meters van de rit komen we meteen in het dorpje Fures uit en van Fures rijden we gelijk Tullins binnen. Dit levert in de eerste meters van de rit meteen een paar bochten op, een paar vluchtheuvels, en meer van dat soort werk. Wij kennen iemand die goede gevoelens heeft bij deze wegen, ONZE Koentje Bouwman won in de Dauphiné van 2017 een rit in Tullins, jawel! Hij was de snelste van een kleine vluchtgroep die nipt uit de greep van het peloton wist te blijven, dat was de leukste tijd van Team LottoNL-Jumbo. Toen het nog een stel kneusjes waren en iedere overwinning betekenis had, wat een tijden. Al zakken ze nu langzamerhand weer af richting dat niveau.
![xxl.jpg]()
Na de bochtige passage in Tullins komen we op een brede en rechte weg terecht die ons naar Saint-Quentin-sur-Isère gaat brengen. Paar rotondes onderweg, maar verder komen we hier niet veel tegen. Vlakke wegen, in de omgeving van de Isère. Voor we Saint-Quentin bereiken rijden we over de Isère, aan de andere kant van de rivier betreden we de Alpen. We slaan in het dorp waar we naast de Vuelta van vorig jaar ook in de Tours van 2022 en 2018 doorheen zijn gereden linksaf en daarna volgt er een lange tocht door de vallei van de Isère. We rijden rechtdoor Grenoble tegemoet, al bereiken we die stad net niet. In Saint-Quentin-sur-Isère hebben we zeven simpele kilometers afgewerkt, er volgen nu nog 17 extra simpele kilometers langs de Isère. Over de 17 kilometer voorbij Saint-Quentin-sur-Isère valt echt bar weinig te zeggen, in het begin van dit stukje route rijden we wat meer door de bossen, waarna we even later wat meer in de open velden met mooi zicht op de bergen uitkomen. We rijden nog een keer door een dorpje waar wat verkeersmeubilair ligt, maar verder gaat het gewoon heel erg rechtdoor zonder obstakels. Ik vermoed dat het op deze vlakke wegen nog even rustig zal blijven, de renners die vandaag de rit willen winnen kunnen het best maar wachten op de eerste klim van de dag. We rijden voorlopig over wegen die niet vlakker en rechter hadden kunnen zijn, alleen even opletten in de dorpjes die we passeren. Zo komen we na 20 kilometer uit in Noyarey, waar we onder een kabelbaan door mogen rijden. Opmerkelijk beeld, al is het ook opmerkelijk om overal bergen te zien liggen terwijl de weg volledig vlak is. Een rotonde hier, een vluchtheuvel, nouja, dat soort dingen. Van Noyarey rijden we naar Sassenage, een plaatsje waar ze beschikken over een kasteel én over een kicken grot. Bovendien ligt er een park dat naar Karl Marx is vernoemd, kennerspubliek. Nog weer een paar kilometer rechtdoor over kaarsrechte, brede en vlakke wegen, met vluchtheuvels als enige uitdaging. Na een kleine 24 kilometer bereiken we Sassenage, waar we gaan afwijken van het Vueltaparcours. We rijden voorbij Sassenage niet nog langer door de vallei, nee, we duiken de Vercors in. De Vercors (Massif du Vercors) is een plateau en regionaal natuurpark in de Franse departementen Isère en Drôme in Oost-Frankrijk. Het behoort tot de Voor-Alpen en ligt ten zuiden van een ander gelijkaardig massief van de Voor-Alpen: de Chartreuse. Het massief van de Vercors lacht ons in Sassenage al tegemoet, we zien enkele fraaie bergtoppen liggen. In Sassenage slaan we bij een rotonde rechtsaf en daarna loopt de weg direct omhoog, we beginnen aan een klim van 11,4 kilometer aan 5,4%. Het gaat vrij lang omhoog naar de top van de Côte d'Engins, waardoor ik deze rit eigenlijk geen unipuerto mag noemen. Er zijn echt wel andere beklimmingen onderweg, maarja, goed, dit is natuurlijk niet echt een klim om van je rit een bergrit te maken. Wel een klim om een mooie kopgroep weg te laten rijden, door deze klim zorgen we er in ieder geval voor dat we niet met een groep vol sprinters naar de finish trekken. In Sassenage komen we nog wat meer straatmeubilair tegen, daarna komen we buiten de stad op een brede weg in de bossen terecht. Deze weg is schitterend, moet ik heel eerlijk toegeven. We komen bijna nooit in de Vercors, maar als we er zijn valt het altijd op hoe mooi de Vercors is. Net als de Chartreuse, nog zo'n gebergte dat we helaas te vaak negeren. We rijden door de bossen, maar we kennen ook wat stroken waar er een fraai uitzicht is op de bergen in de omgeving. De brede weg slingert ondertussen buitengewoon gelijkmatig omhoog. We komen onderweg de nodige haarspeldbochten tegen, terwijl we ook wel eens door een klein dorpje rijden, ondertussen steeds klimmend zo rond de 5,5%. Een paar stroken waar het wat meer richting de 6% gaat, een keer een strook aan 6,5%, maar hogere percentages vinden we niet op deze Côte d'Engins. Een paar stroken aan vier procent toch ook, waardoor het gemiddelde uitkomt op 5,3%. Het is hier mooi en het is hier lastig genoeg om een leuke groep de kans te geven zich af te scheiden, al missen we op deze klim eigenlijk een paar steilere stroken. Even een paar kilometer richting de 8% tussendoor had de kans op een sterke kopgroep nog wat groter gemaakt, maar we zullen het met 6,5% moeten doen. Alsnog, een klim van dik 11 kilometer, met daarna nog een uitloper, dat biedt genoeg kans om oorlog te maken. Na 37 kilometer koers bereiken we de top van de Côte d'Engins, godbetert een klim van de eerste categorie.
![Engins.png]()
![iKydTqD.jpeg]()
![Mairie_et_village_Engins.JPG]()
![8W0S48V.jpeg]()
Op de top zijn we nog niet boven, klassiekertje. We bereiken het dorp Engins, maar voorbij dit dorp loopt de weg verder omhoog richting Lans-en-Vercors. Tussen Engins en Lans-en-Vercors rijden we zes kilometer verder over dezelfde, brede weg. Een prachtige weg, door de schitterende Vercors. De weg loopt vier kilometer aan iets van 2% omhoog, het blijft een beetje zeurend vals plat omhoog gaan. Daarna noteren we een kilometer aan 3% en vlak voor we door Lans-en-Vercors rijden gaat het nog even aan 4% omhoog. Een uitloper om jezelf alsnog in de kopgroep te rijden, mocht de vlucht tegen deze tijd nog niet vertrokken zijn. We rijden vooral door de bossen, maar vlak voor we Lans-en-Vercors bereiken rijden we ineens tussen een paar rotswanden door, de rotsen hangen hier haast over de weg heen. Een omgeving om stil van te worden, de organisatie had mij een groot plezier kunnen doen door deze rit integraal in de Vercors af te werken. Ik wacht nog altijd op de Mont-Noir, dat zou echt pure porno zijn. Enfin, na 43 kilometer komen we uit in Lans-en-Vercors en in dit plaatsje waren we in 2020 voor het laatst. Toen reden we tijdens de 16e rit van Le Tour-du-Pin naar Villard-de-Lans, in de Vercors. We reden naar de finish via de Montée de Saint-Nizier-du-Moucherotte, een andere toegangsweg richting de Vencors, een weg die voor ons dadelijk als exit uit de Vercors gaat dienen. Voorbij de klim reden we door Lans-en-Vercors heen, om een paar kilometer later uit te komen in het wintersportoord Villard-de-Lans. Dat werd een rit voor de vluchters en die dag was Lennard Kämna de sterkste vluchter. Hij reed weg op de klim van Saint-Nizier-du-Moucherotte en men zag hem pas na de finish weer terug. Blijft bijzonder dat Kämna ooit zo goed was, nu al jaren aan het kwakkelen. Dik contract bij Lidl gekregen, puur omdat hij een Duitser is, daar zullen ze inmiddels spijt van hebben. In Lans-en-Vercors is de Tour sowieso wel vaker geweest, in 1985 bijvoorbeeld. Toen eindigde hier zelfs een rit, gewonnen door Fabio Parra. Een van de eerste Colombianen die succes wist te boeken in Europa, we zijn inmiddels weer in een fase beland waarin de Colombianen langzaam uit Europa verdwijnen. De Dauphiné was hier dan weer in 2018. Na een lastige finale wist Alaphilippe Dan Martin en Geraint Thomas te kloppen in de sprint. Toen was ie nog goed, nu al een tijd een schim van zichzelf. In het nabijgelegen Villard-de-Lans, waar Kämna dus won in 2020, zagen we ook in 1988 en 1990 een rit eindigen. Twee keer een tijdrit, twee keer werd toen de Côte d'Engins bedwongen. Die klim is dus ook geen onbekende voor de koers. Delgado en Breukink als winnaars, straffe kost. Ik denk dat de beste klimmers van deze generatie zich nu niet gaan tonen op de Côte d'Engins. Enfin, we hebben Lans-en-Vercors bereikt en hier slaan we bij een rotonde linksaf, om daarna dwars door het dorp te rijden en vervolgens buiten het dorp koers te zetten richting Saint-Nizier-du-Moucherotte. We volgen nu in tegengestelde richting de route van de Tour van 2020, toen liep het voorbij de klim richting Saint-Nizier een paar kilometer licht omlaag naar Lans-en-Vercors, nu gaat het dus juist licht omhoog. We noteren een kilometer of zeven aan 2%, dat valt dus allemaal wel mee. In de eerste anderhalve kilometer buiten Lans-en-Vercors loopt het nog wel aan 4% omhoog, maar daarna is het meer dan twee kilometer zo goed als vlak. Daarna gaat het weer een tijd aan 2 à 3% omhoog en vervolgens is het in de laatste twee kilometer voor we Saint-Nizier-du-Moucherotte bereiken weer bijna volledig vlak. Eindeloos vals plat, alles bij elkaar gaat het in totaal een kilometer of 25 omhoog en dat moet volstaan om hier een respectabele kopgroep te laten ontstaan. De renners rijden over de Route des 4 Montagnes, een fraaie weg. Een wat meer open omgeving hier, waardoor we alle bergen in de omgeving goed kunnen bekijken. Een brede en goed geasfalteerde weg, die ons na 52 kilometer laat uitkomen in Saint-Nizier-du-Moucherotte. In de omgeving van dit dorp komen we de Nécropole de la Resistance tegen, ook wel bekend als het Memorial de Vercors. In de verte zien we de lokale berg liggen, de Moucherotte. Vooral de toppen van deze berg vallen op, de Trois Pucelles. Blijkbaar een populaire bestemming voor bergbeklimmers. Saint-Nizier-de-Moucherotte zelf is een toeristisch ingesteld dorpje, een toegangspoort tot de Vercors. Tijdens de winterspelen van 1968, die werden georganiseerd in Grenoble, werd in dit dorp het schansspringen afgewerkt. De schans schijnt er nog te staan, al doen ze er sinds 1980 niets meer mee. In het verleden is de Tour hier al een paar keer eerder geweest, voor de Tour van 2020 reden we er ook in 1989 doorheen. De Vercors wordt veel te weinig bezocht, dat lijkt me dan wel weer meteen duidelijk.
![saint-nizier-en-moucherotte-lans-en-vercors.png?v=1708269651]()
![Necropole_st_nizier_du_moucherotte_DSC_0027.jpg]()
![-upload-197128-1024x0.jpeg]()
![DNd7mss.jpeg]()
In Saint-Nizier-de-Moucherotte bereiken we het hoogste punt, we rijden dwars door dit dorp heen en komen hier wat vluchtheuvels en dergelijke tegen, waarna we buiten het dorp mogen gaan beginnen aan een wat langere afdaling. We gaan een kilometer of 12 afdalen richting Seyssins, de andere kant van de Montée de Saint-Nizier-de-Moucherotte loopt gemiddeld aan 6,5% omlaag. Een lastigere weg richting de Vercors dan de Côte d'Engins, kunnen we zeggen. De weg omlaag is breed en het asfalt is behoorlijk goed, al is het wel van dat asfalt met een oneindige hoeveelheid strepen, alsof iemand met een kwast wat extra teer op de weg heeft gesmeerd. Zal een reden hebben, zal ooit vast aan bod gekomen zijn, maar goed, dat valt tijdens deze afdaling in ieder geval op. Tijdens het begin van de afdaling hebben we zicht op de prachtige bergtoppen van Trois Pucelles, even later fietsen we voorbij de necropolis en hier moeten de renners opletten voor een aantal aanwezige vluchtheuvels, voor je het weet komt er een wit kruis bij. Verder naar beneden rijden we meer de bossen in en hier komen we zo nu en dan een haarspeldbocht tegen. Omdat we redelijk veel bochten tegenkomen mag je het een technische afdaling noemen, maar ik vind het hier eigenlijk wel meevallen. Tussen de bochten in gaat het steeds lang rechtdoor, de bochten zelf zien er eigenlijk ook nooit heel scherp uit. Het gaat onderweg een tijdje aan 8% omlaag, maar verder dalen we keurig zo rond de 6% af mede daarom voorzie ik hier weinig problemen. Bochten genoeg, zelfs een hoop haarspeldbochten, maar nee, eitje. Allemaal brede bochten en weinig onverwachte elementen, al komen we onderweg ook wel weer in een gehucht uit waar enkele vluchtheuvels liggen. Wat verder naar beneden zie ik wel een wat scherpere bocht naar rechts met midden in die bocht een kleine middenberm, dat is dan wel weer vrij lelijk, maar dat zijn de uitzonderingen. Verder gewoon op een geleidelijke manier omlaag over een brede weg door een fraaie omgeving, al staan we wel op het punt om de schitterende Vercors achter ons te laten. We rijden langs de Désert Jean-Jacques Rousseau af, een bebost valleigebied waar Jean-Jacques Rousseau ooit ging wandelen toen hij hier in 1768 verbleef. Het gebied staat bekend als een populaire, rustige wandelbestemming, we knallen er nu alleen op twee wielen met volle vaart doorheen. Bijna beneden komen we nog eens een hoop haarspeldbochten tegen, terwijl we beneden in de vallei Grenoble zien liggen. We komen na 64 kilometer uit in een van de voorsteden van Grenoble, Seyssins. Daar eindigde ooit een rit in de Dauphiné, in 2012, gewonnen door Cadel Evans.Voor we Seyssins bereiken komen we in de laatste bochten ook nog wat paaltjes tegen, hopelijk zijn die voor de gelegenheid even weggehaald. We springen ook over een drempel heen, rijden tussen een wegversmalling door en daarna slaan we bij een rotonde rechtsaf. Hierna loopt de weg anderhalve kilometer aan 5% omhoog in de richting van Claix. We bevinden ons in stedelijk gebied, en dat is te merken ook. Drempels, vluchtheuvels, rotondes, alles komt voorbij. Aan het eind van het afdaling is dat heel vervelend, tijdens het klimmetje is dat minder van belang. Via een weg vol rotondes die uiteindelijk wat rechter wordt rijden we na 68 kilometer Claix binnen, een dorpje dat we dus bereiken na een klim van anderhalve kilometer aan 5%. Tijdens de klim rijden we langs het Fort de Comboire, een kicken fort boven op een kicken rots. Dit fort zagen we ook in de Tour van 2020, onderweg naar Villard-de-Lans, en in de Vuelta van vorig jaar, onderweg naar Voiron. Toen reden we wel steeds in de tegengestelde richting, nu bekijken we dit bouwwerk eens vanuit een ander perspectief. In Claix heeft Stendhal nog een tijd gewoond, de schrijver van Het rood en het zwart. Franse klassieker.
![fort-de-comboire-2.jpg]()
![H6Ot8TK.jpeg]()
In het dorpje Claix slaan we bij een rotonde linksaf, we dalen vervolgens een dikke drie kilometer af richting Le Pont-de-Claix. In dit stukje in dalende lijn rijden we over een brede weg, maar we komen hier wel wat rotondes en vluchtheuvels tegen. Dalen in stedelijk gebied is geen sinecure, het aantal vluchtheuvels is niet te harden. Drempels, middenbermen, hier gaat vast wel iemand op z'n bek. Beneden komen we uit in een vallei en we gaan nu ook echt een aantal kilometer beneden blijven. In Le Pont-de-Claix slaan we bij een rotonde rechtsaf en daarna rijden we dik zeven kilometer bijna volledig rechtdoor in de vallei, op weg naar Vif. De weg loopt hier steevast heel minimaal omhoog, echt aan net iets meer dan 1%. De weg is recht, breed en bijna volledig vlak dus. We rijden nog steeds door een fraaie omgeving, op rechts zien we de Vercors liggen, daar waar we net waren. Onderweg rijden we door een stadje als Varces-Allières-et-Risset, waar wat stadsdingen liggen, maar op een rotonde na komen we in de kilometers die volgen eigenlijk niets tegen. Makkelijke kilometers, met tussen de bebouwing in een adembenemend landschap. De rit komt hier vermoedelijk even rot rust, de vlucht zal wel vertrokken zijn en UAE mag een gematigd tempo op kop gaan rijden. Wellicht dat er een andere ploeg gaat rijden omdat Pidcock weer eens in de kopgroep zit, maar alsnog zal het hier redelijk gecontroleerd zijn, neem ik aan. Kan ook zo zijn dat de vlucht nog steeds niet vertrokken is, dan hebben we prijs. De rechte weg eindigt na 78 kilometer in Vif en dat plaatsje kunnen we kennen, hier ging namelijk vorig jaar een rit van start. Tijdens de 18e rit reden we vorig jaar van Vif naar Col de la Loze, waar Ben O'Connor uiteindelijk zou winnen nadat hij redelijk laat in de rit aanviel en zomaar een paar minuten cadeau kreeg. In Vif, waar vorig jaar voor het eerst in de Tourgeschiedenis een rit van start ging, slaan we linksaf om vervolgens via een passage over een iets smallere stenen brug het centrum te betreden. Hier vinden we dan weer een hoop straatmeubilair, maar goed, hoort erbij. We knallen verder wel redelijk recht door het centrum heen, op een passage bij een rotonde na. In de verte zien we een hoge brug liggen en we zien ook een aantal bergen liggen, de kant van die bergen gaan we op. Vif is overigens het stadje van de gebroeders Champollion, Jacques-Joseph en Jean-François. Jean-François Champollion was een taalkundige en grondlegger van de egyptologie. Hij is beroemd doordat de ontcijfering van het Egyptische hiërogliefenschrift grotendeels aan hem te danken is, zijn oudere broer was dan weer geschiedkundige, taalkundige, paleograaf en bibliothecaris. De familie Champollion kwam niet uit Vif, eerder ergens uit Occitanië waarna ze naar Grenoble zouden verhuizen. De vrouw van Jacques-Joseph kreeg echter een huis in Vif cadeau en zodoende verbleven de broers uiteindelijk hier, waarna ze er later dan maar een museum van hebben gemaakt waar je alles kunt leren over het leven van de Champollions en natuurlijk ook wat kennis kunt vergaren over de egyptologie. Musée Champollion, voor de liefhebber. Zonder er veel aandacht aan te besteden rijden we nog eens drie kilometer rechtdoor verder over de brede weg, we rijden onder de hoge brug door en komen daarna uit in de buurt van Saint-Georges-de-Commiers. Na de rechte tocht komen we ineens een paar bochten tegen, vervolgens rijden we over de rivier de Drac en aan de andere kant van dit riviertje begint de weg eigenlijk meteen omhoog te lopen. We hebben een aantal kilometer in de vallei achter de rug, nu is het weer tijd om te klimmen. Via wat bochten rijden we over een wat smallere weg door het centrum van het fraai gelegen Saint-Georges-de-Commiers heen en na een tijdje al net wat meer dan vals plat omhoog te hebben slaan we aan de rand van het dorp rechtsaf, om op een weg terecht te komen die we een tijd gaan volgen. En al die tijd loopt de weg omhoog.
![panorama_vif.jpg]()
![1280px-Vall%C3%A9e_du_Drac_inond%C3%A9e_%C3%A0_St-Georges-de-Commiers.jpg]()
We zijn begonnen aan de Côte de Monteynard, een klim van 9,7 kilometer aan 5%. Dit klimmetje van tweede categorie begint op een niet al te indrukwekkende manier, voorbij Saint-Georges loopt de weg een kilometer of drie aan 4% omhoog, daarna gaat het zelfs een tijd aan slechts 2,5% omhoog. Door de bossen rijden we over een brede weg omhoog, waarbij we een dorpje als Notre-Dame-de-Commiers passeren, schitterend gelegen aan het gelijknamige meer. Een aangename omgeving om doorheen te fietsen, al komt de rit hier niet echt op gang. Veel toeristische plaatjes, weinig koers. De renners passeren hier en kunnen dan naar beneden neerkijken op dat meer, leuk. Voorbij Notre-Dame-de-Commiers komt de klim wel iets meer op gang, we noteren zowaar drie kilometer aan 6,5%. Iets lastiger, maar nog steeds niet heel denderend. Hierna gaat het twee kilometer aan 4,5% omhoog en dan bereiken we na 92 kilometer de top van de Côte de Monteynard, in het dorpje Monteynard. Een heel klein dorpje, ook weer in de buurt van een meer. In de buurt van dat meer vinden we twee zogenaamde
himalayan footbridges, een hangbrug voor voetgangers over het water heen. Heel gaaf, heel vet. Na de klim zijn we nog niet boven, dat is dan wel weer een dingetje. We rijden een kilometer verder vals plat omhoog, waarna de brede en op dit punt behoorlijk rechte weg een korte afdaling van anderhalve kilometer zal kennen. Pas de problème, tenzij je afgeleid wordt door het schitterende uitzicht dat we hier hebben. We komen steeds hoger en dus wordt het uitzicht steeds beter, je zou kunnen beweren dat de Alpen best mooi zijn. Na het korte stukje in dalende lijn, waar we eigenlijk vooral rechtdoor vals plat omlaag rijden, loopt de weg nog eens drie kilometer aan 5% omhoog naar de top van de Col de La Festinière. We komen uit in het dorpje La Motte-Saint-Martin en vanuit dit dorpje rijden we over een brede weg door de fraaie natuur op een niet al te ingewikkelde manier omhoog naar La Festinière. De weg hier heet Au Cours, maar ik heb wat moeite om me hier een serieuze koers voor te stellen. We passeren ook nog La Motte-d'Aveillans, waar wat vluchtheuvels liggen, maar verder komen we hier bijzonder weinig obstakels tegen. Via wat brede bochten omhoog in dit dorp, en daarna weer meer rechtdoor in de bossen. Zo bereiken we na een kleine 99 kilometer La Festinière, op 86 kilometer van de aankomst. Al over de helft van deze floprit, ik beuk er nog dommer doorheen dan Mads Pedersen.
![col-de-la-festiniere-saint-georges-de-commiers.png?v=1635967959]()
![tbI6b8V.jpeg]()
![1920px-Lac_de_Notre-Dame-de-Commiers_2016-06-04.jpg]()
Na de gecategoriseerde klim van Monteynard en de ongecategoriseerde klim van La Festinière beginnen we aan een stuk van de rit waarin het continu op en af zal gaan. We verzamelen hier flink wat hoogtemeters, naar het schijnt komen we volgens de organisatie in totaal zelfs uit aan bijna 4000 hoogtemeters, maar het gaat dus gewoon echt nergens ook maar één moment interessant worden. Voorbij La Festinière dalen we drie kilometer vals plat af over een brede en rechte weg die alleen een keer onderbroken wordt door een rotonde, spannend is anders. Daarna zal het een paar kilometer volledig vlak zijn terwijl we via Susville naar La Mure rijden. In Susville vinden we een oude mijn, tegenwoordig voorzien van een kicken muurschildering. Steenkool, dat zat hier blijkbaar in de grond. La Mure bereiken we even verderop na 104 kilometer koers. We rijden rechtdoor langs het spoor, door een omgeving vol bossen. Beetje opletten voor wat vluchtheuvels en als we eenmaal in La Mure zijn moeten we ook opletten voor enkele bochten en rotondes. In La Mure is de Tour één keer eerder geweest, in 2017 ging hier een rit van start die zou eindigen in Serre Chevalier. Daar boekte Primoz Roglic zijn eerste ritzege in de Tour, nadat hij wegreed op de Galibier. Een andere koers van de ASO, de Dauphiné, is hier in 2014 nog geweest. Toen eindigde een rit in dit dorp en die rit werd gewonnen door een van de vreemdste renners die ooit heeft rondgereden in het peloton, Simon Spilak. La Mure heeft in het verleden twee renners van enige betekenis voortgebracht, Anatole Novak en Thierry Bourguignon. Novak was een verdienstelijke knecht die zelfs nog ooit een rit in de Tour wist te winnen, Bourguignon genoot in zijn tijd vooral veel bekendheid omdat hij als clown van het peloton geliefd was bij de supporters. In La Mure zelf is niet zo gek veel te beleven, maar het kan wel een goede uitvalsbasis zijn, want in de omgeving valt er genoeg te zien. Zo ligt La Mure niet ver van Notre-Dame de la Salette, een van de meest drukbezochte bedevaartsoorden van Frankrijk. Ligt boven op een berg, daar kun je naartoe klimmen. Als je dat combineert met de ontzettend steile (maar helaas waarschijnlijk net iets te smalle) Col de Parquetout heb je de Franse variant van Mortirolo-Aprica te pakken. Parquetout is inmiddels gedebuteerd in de koers, ik hoop dat Gouvenou aantekeningen heeft gemaakt. De Col de Parquetout debuteerde vorig jaar in de Alpes Isère Tour, een 2.2-wedstrijdje. De klim kwam voor in een rit die zou eindigen in La Mure, de plek waar de renners zich op dit moment van de voorbeschouwing bevinden. De rit werd gewonnen door een van de grote nieuwe Franse talenten. Hij staat in de schaduw van Seixas, maar Aubin Sparfel is ook een regelrecht fenomeen. Vanuit La Mure heb je ook een uitstekend uitzicht op de bergen, waaronder La Pierre Percée, wat een opvallende verschijning is omdat er een gat in het midden zit. In La Mure kun je ook op de trein stappen, le Chemin de Fer de la Mure brengt je over een smalspoor door de bergen. In het voormalige mijnstadje, waar ze eveneens op zoek waren naar steenkool, staan ook nog een aantal musea. Daar vind je onder meer informatie over het verleden van het dorp en de streek. Gelukkig heeft La Mure ook nog een château, want anders tel je in Frankrijk niet mee.
![5753889835_077f349d39_b.jpg]()
Na de doortocht in La Mure loopt de weg een kilometer of vier omlaag aan een procent of zes. Over een brede weg dalen we af in een bosrijke omgeving, waar we op de Route Napoleon enkele haarspeldbochten tegenkomen. Dit zijn nog best stevige bochten, ondanks het feit dat de weg breed is en voorzien van prima asfalt. Aan de andere kant, op dit moment in de koers hoeft niemand zich druk te maken, we kunnen hier vermoedelijk op het gemakje omlaag. Met uitzicht op wat prachtige rotsen rijden we na talloze haarspeldbochten beneden over de rivier La Bonne, de korte maar krachtige afdaling is voorbij en aan de andere kant van het water beginnen we meteen aan de Côte des Terrasses. Een klimmetje van de derde categorie, het gaat 3,4 kilometer aan 6,6% omhoog. Over een brede weg gaat het vooral door de bossen omhoog, al passeren we tussendoor ook wat toeristische toestanden. Ineens een restaurantje in het midden van het niets, dat idee. Deze brede weg loopt via een aantal bochten op een vrij onregelmatige manier omhoog, zo komen we hier zowaar een paar stroken aan negen of zelfs tien procent tegen. Direct in het begin zit zo'n strook, vooruit, dit klimmetje is dan nog wel enigszins de moeite waard. Al blijft het gemiddelde steken op 6,6%, want tussen de steile stroken in gaat het ook een paar keer aan slechts vier procent omhoog. Na een strook aan 11% zwakt het richting de top helemaal af, waarna we in de gemeente Saint-Laurent-en-Beaumont na 113 kilometer het gehucht Les Terrasses bereiken. Hier ligt de top van de Côte des Terrasses, nog wel een aardig tussendoortje. Al gaat hier op een kilometer of 70 van de aankomst nog steeds niets gebeuren, je krijgt er alleen wel gratis weer een paar hoogtemeters bij cadeau. Voorbij deze Côte des Terrasses gaan we een eeuwigheid de Route Napoleon blijven volgen, we komen uit op een soort plateau waar het wat op en af zal gaan, zonder veel schokkende toestanden. Continu een brede en behoorlijk rechte weg, het is zo'n beetje de hoofdweg tussen Gap en Grenoble. De volgende rit gaat overigens van start in Gap en tijdens die rit zullen we deels over dezelfde wegen rijden, weliswaar in tegengestelde richting. In de kilometer voorbij de klim is het vlak en in deze kilometer zien we aan de linkerkant een weg liggen. Die weg slaan we morgen in, we komen dan uit de tegengestelde richting aanzetten. Nu rijden we in de richting van Gap, morgen komen we daar natuurlijk vandaan. Enfin, deze weg loopt na de vlakke kilometer een kilometer of twee omlaag zonder dat we een bocht tegenkomen. Wel wat vluchtheuvels op deze weg die in het dagelijks leven zeer druk is, best veel vluchtheuvels zelfs. Vooral in alle dorpjes die we passeren, er liggen hier nogal wat kleine gemeenschappen. Zo komen we bijvoorbeeld uit in La Salle-en-Beaumont, hier begint dan weer een stuk in stijgende lijn van een kilometer of vier. Omhoog aan net iets minder dan 4% gemiddeld, dat zijn dan weer de stroken die mijn gelijk bewijzen. Ach, het decor is wel mooi, ofzo. Prachtig uitzicht op de vallei voorbij La Salle-en-Beaumont, dat moet gezegd worden. Na dit klimmetje rijden de renners een kilometer of vijf over een glooiende weg, beetje op en een beetje af, maar vooral een beetje vlak. We rijden langs Quet-en-Beaumont, met nog steeds prachtige vergezichten, waarna we even verderop wat meer door de bossen via een paar haarspeldbochten anderhalve kilometer vals plat omhoog rijden naar Les Côtes-de-Corps. Voorbij dit plaatsje bevinden we ons in de buurt van de tussensprint van de dag. Die volgt drie kilometer verderop in Corps, gezellige naam. De Route Napoleon loopt richting Corps toe eerst een tijdje omlaag, zo goed als rechtdoor. Alle tijd om te genieten van de bergen in de verte, alle tijd om boos te zijn dat we de meeste van die bergen negeren. Op twee kilometer van de tussensprint beginnen we aan een strook vals plat, dat mag geen naam hebben. Na een kort stukje in dalende lijn komen we echt in Corps uit, waar we een bocht naar links zouden kunnen nemen. Na die bocht naar links zou je beginnen aan de Col de Parquetout, ik weet dat je meeleest Thierry. Geen Parquetout voor ons, zou sowieso de verkeerde kant van de klim zijn geweest, maar er gaat in Corps alsnog geklommen moeten worden. Geen zeven kilometer aan 10%, nee, we houden het op een kort klimmetje van 500 meter aan 6,5%. Op de top van dit klimmetje vinden we in Corps de tussensprint van de dag, na 129 kilometer koers. Een ideale tussensprint voor Pedersen, al mogen we ons de vraag stellen of het hem tijdens deze rit gaat lukken in de kopgroep terecht te komen. Dat zou dan toch net te zwaar moeten zijn, zeker met de inspanningen van gisteren in de benen. Blijft Pedersen natuurlijk, alles is mogelijk. Het is nodig ook, hij heeft voor het groen absoluut nog wat punten nodig en dat gaat de komende dagen ook geen sinecure worden. Op zaterdag ligt de tussensprint bijvoorbeeld na de Croix de Fer, succes ermee. Enfin, tussensprintje dus, op 56 kilometer van het eind. Een brede en rechte weg omhoog, en dan sprinten bergop.
![3fmz9Yc.png]()
![PSPGnOh.png]()
![1280px-Corps.jpg]()
![nbPcjRq.jpeg]()
Na de tussensprint rijden we via meerdere bochten door het gezellige centrumpje van Corps heen, een levendig toeristisch oord. Onder meer toeristisch omdat het in de buurt ligt van het Lac du Sautet, ook zitten we hier natuurlijk midden in de Alpen. In Corps verlaten we de route die morgen in tegengestelde richting gevolgd gaan worden, we blijven in tegenstelling tot morgen op de Route Napoleon en dat gaat enkele erbarmelijke kilometers opleveren. Althans, voor de koers. Voorbij Corps rijden we drie kilometer over een zo goed als vlakke weg en dat is natuurlijk flop, dat we langs rotswanden rijden met uitzicht op het Lac du Sautet is dan weer top. Veel bochten hier, maar aangezien het vlak is maakt dat weinig uit. Naderhand loopt de weg twee kilometer omlaag aan een procent of zeven, dat het hier nog steeds bochtig is wordt nu ineens wel relevant. Perfect te doen nog steeds, aangezien de weg hier zelfs nog een slag breder lijkt te zijn geworden. Zo zijn we snel beneden, in een schilderachtig decor. Na deze afdaling die steil lijkt maar door de brede weg geen reet voorstelt is het vier kilometer volledig vlak, immer geradeaus. Hierna loopt de weg dan weer twee kilometer iets meer dan vals plat omhoog richting Aubessagne, misschien zelfs wel iets van een procent of vier. In de verder hebben we steeds zicht op een imponerende bergtop, als het de bedoeling is om Frankrijk te verkopen lukt dat hier wel. Na deze klimmende strook is het vier kilometer volledig vlak, breed, recht, vlak, tijd genoeg om de omliggende bergen te bewonderen. Aan het eind van deze vlakke strook loopt de weg een kilometer omlaag, in deze kilometer komen we dan weer een tweetal bochtjes tegen, maar ook dat heeft weinig om het lijf. Als deze bochten voorbij zijn wordt het weer vlak, we volgen nu een kilometer of 12 dezelfde weg en deze weg is bijna continu recht. De weg begint vlak, daarna gaat het zoetjes aan vals plat omhoog. In de komende 12 kilometer komen we een meter of 200 hoger uit, reken maar uit. Langs de Drac gaat het heel minimaal vals plat omhoog, in een omgeving vol groene elementen. Een lange, saaie weg. Leuke omgeving, maar als kijker en als renner val je hier in slaap. Een processie richting de slotklim, en zelfs op die slotklim wordt het een processie richting de aankomst. We gaan een deel van deze rit ook weer in tegengestelde richting tijdens de volgende etappe afwerken, maar dan verlaten we deze weg al snel om de zware Col du Noyer te bedwingen, aan zo'n soort klim had ik vandaag ook behoefte. Na 153 kilometer komen we uit in La Fare-en-Champsaur, waar zowaar een rotonde ligt. Even wakker worden, en daarna weer snel in slaap vallen. Enkele makkelijke kilometers verderop slaan we een keer linksaf een andere weg in, kort na deze bocht loopt de weg zowaar een kilometertje aan 4% omhoog, een van de weinige keren dat deze vals platte route net iets meer dan vals plat is. Al snel wordt het weer vlak en dan rijden we via Saint-Laurent-du-Cros, paar bochtjes en een iets smallere weg hier, en Forest-Saint-Julien naar de finish toe. Na dat strookje aan 4% is het vervolgens eigenlijk doodleuk een kilometer of zeven volledig vlak, ik heb bitter weinig over deze weg te melden. Ik zou wel nog kunnen melden dat je vanuit Forest-Saint-Julien aan de gevreesde Col de Manse kunt beginnen, je weet wel, die col van Beloki. Vaste prik als we naar Gap gaan, maar we gaan niet naar Gap. Hier in de buurt ligt ook nog de klim naar Chaillol 1600, een wintersportoord. Hadden we kunnen gebruiken om deze rit enig cachet te geven, er loopt een brede weg omhoog en een brede weg omlaag, maar bon, Thierry vond deze zo goed als vlakke aanloop langs de Drac een beter idee. Ook de Col de Moissière ligt hier om de hoek, weer een beuker van een klim die om onduidelijke redenen nog steeds niet door de organisatie is ontdekt. Zoveel opties, en we krijgen dit. Een paar kilometer voorbij Forest-Saint-Julien, waar de weg ook weer wat smaller is en waar een vluchtheuvel ligt, komen we uit in La Haute Plaine, de hoge vlakte. Treffende naam. Al zal het restant van de rit voorbij dit plaatsje niet vlak zijn. De finale begint hier, en wat een kutfinale wordt het.
![4WAHFgQ.jpeg]()
Na 163,5 kilometer, op 22 kilometer van de aankomst, bereiken we La Haute Plaine. Hier sluiten we aan op de route van de Tour van 2020, toen we voor het laatst naar Orcières-Merlette gingen. Het restant van de rit is hetzelfde, ik sla mooi aan het kopiëren. In La Haute Plaine slaan we scherp rechtsaf, vervolgens laten we de vlakte achter ons. Er volgt zowaar een klimmetje, hetzelfde klimmetje als in 2020. Thierry had het de renners nog makkelijker kunnen maken door rechtdoor te blijven rijden op de hoofdweg, maar we pakken dan toch nog iets van een element van uitdaging mee. Het had een makkelijk kunnen blijven, in plaats daarvan duiken we de heuvels weer in. Het volgende klimmetje van de dag begint, de Côte de Saint-Léger-les-Mélèzes. Ongeveer drie kilometer aan ongeveer 7%, een echt klimmetje. Er zit zelfs een kilometer aan 8% in, blijkbaar. De weg omhoog is vrij breed, behoorlijk recht en loopt grotendeels door een bos. In de buurt van de top rijden door meer open terrein het dorpje Saint-Léger-les-Mélèzes binnen. Een heel klein dorpje, stuk of 300 inwoners. Wel een vakantiedorpje, we komen wat hotels en campings tegen. Een restant van een kasteel ook, niet slecht. Na 166 kilometer bereiken we de top van dit klimmetje van de derde categorie, nog minder dan 20 te gaan tot de finish. Na een rotonde in dit dorpje rijden we rechtdoor naar beneden, terug naar de grote doorgaande weg in de vallei. Ondanks de wat smallere weg is het een vrij makkelijke afdaling, de bochten zijn op één hand te tellen. Het gaat ook maar een kilometer of drie naar beneden, tot in Pont-du-Fossé. De lastigste bocht zit misschien nog wel helemaal aan het eind, als we eerst naar links en dan naar rechts moeten in dit dorpje met een opvallende brug, vandaar de naam.
![Nye5y3K.png]()
![Pont-du-Foss%C3%A9-4-720x460.jpg]()
In Pont-du-Fossé hebben de renners 170 kilometer afgewerkt, het is nog ongeveer 15 kilometer fietsen tot aan de finish. Nadat we over de brug gereden zijn rijden we rechtdoor het dorp uit, een aantal kilometer rijden we over de grote weg door de vallei. Een kilometer of vijf is het zo goed als vlak, als we over de volgende brug rijden en rechtsaf slaan richting Orcières begint de weg wel redelijk serieus omhoog te lopen. Drie kilometer aan 5%, toch wel. Telt niet mee voor de organisatie, maar in totaal komen we toch aan 10 kilometer aan 6%. In de buurt van Orcières gaat het heel kort naar beneden en dan begint na een bocht in het dorp de slotklim echt, volgens de organisatie althans. De ASO houdt het op zeven kilometer aan 6,7%. Gemiddelde komt wel hoger uit als je die drie kilometer aan 5% weglaat, toch blijft het misleiding. Tussen de huizen van Orcières door komen we de eerste haarspeldbochten tegen, in de laatste zeven kilometer van de rit gaan we heel wat van die dingen tegenkomen. Na een kilometer die nog te doen is aan 5,4% gaat het vervolgens wat steviger omhoog aan 8%. Een paar haarspeldbochten later gaat het wat minder steil omhoog, we gaan aan 6% verder. Daarna volgt er een kilometer aan 7,5%, het is wel zo dat we de steilste kilometer van de klim meteen al in het begin hebben gehad, als je iets wil moet je er daar meteen aan beginnen. Al volgt er nu nog een kilometer aan 7,5%, helemaal vlak is het hier ook weer niet. Het is wel een behoorlijk kale berg, de wind zou hier eventueel een rol kunnen spelen. Al fietsen we door al die haarspeldbochten wel steeds een andere kant op, richting de top wordt dat niet minder. Op twee kilometer van het eind wordt het wat makkelijker, het gaat een tijdje aan 6% omhoog. In de slotkilometer wordt het weer wat steiler, het gaat tot de finish aan 7% omhoog. We volgen heel lang de hoofdweg, maar als we eenmaal in het bovenste gedeelte van Orcières zijn slaan we op een meter of 500 van het eind linksaf, waarna we door de lokale winkelstraat rijden. Langs de Spar rijden we verder richting de parkeerplaats in het midden van het dorp. Op een flauwe bocht op een meter of 300 van het eind na gaat het verder rechtdoor, vrij steil omhoog. In de laatste meters zwakt het wel wat af. Met uitzicht op de skilift en een aantal hotels stopt na 185,5 kilometer de zeventiende rit. Ik zie dat ik in 2020 nog niet eens zo negatief was, misschien omdat het toen op dag vier de eerste aankomst bergop was. Maar goed, eigenlijk mogen we natuurlijk wel iets kritischer zijn: dit is een flopklim. Zo'n kilometer aan 8% in het begin is leuk en daarna twee kilometer aan 7,5% is ook wel aardig, maar het is heel moeilijk om daar een peloton uit elkaar te rijden. Lukte in 2020 in ieder geval niet. Nu zou Pogacar het waarschijnlijk wel kunnen, als hij zou willen, maar nee, mager bergje. Ook niet echt een mooie finishlocatie. Alles is hier minderwaardig aan.
![f55c3]()
![orcieres-merlette-1850.png?v=1629445366]()
![oJ0vNvk.png]()
![orcieres-merlette-1850-upload-18914-1024x0.jpg]()
![pGvXnQN.jpeg]()
Orcières-Merlette, ook wel bekend als Orcières 1850, is een skiresort een meter of 400 boven Orcières in het departement Hautes-Alpes. Het skiresort in de Alpen bestaat nog niet eens zo gek lang, pas in 1960 besloot men hier de boel te cultiveren. In 1962 werd de boel geopend, negen jaar later kwam de Tour al voor het eerst langs. De eerste aankomst boven in Orcières werd meteen de meest memorabele. Luis Ocaña kreeg het voor elkaar om een buitenaardse solo van 60 kilometer uit zijn benen te schudden. Hij won, met meer dan acht minuten voorsprong op Eddy Merckx. Merckx was in die jaren schier onklopbaar, maar kreeg in Orcières-Merlette een pandoering van jewelste om zijn oren. Het leek er sterk op dat hij de Tour eindelijk een keer niet zou winnen, Ocaña nam het geel over en had een royale voorsprong in het klassement. Merckx liet dat alleen niet zomaar gebeuren. De volgende rit ging van start in Orcières-Merlette, de renners mochten beginnen met een afdaling. Zou nu niet meer kunnen, vroeger was niet alles beter. Merckx ging in ieder geval in die afdaling meteen in de aanval en wist Ocaña te verrassen. Met een klein groepje wist Merckx zijn vlucht richting Marseille succesvol af te ronden, al won hij de rit niet, terwijl Ocaña de ganse dag in de achtervolging moest. Hij wist de schade te beperken tot twee minuten, niet slecht. Later die Tour zou het alsnog mis gaan, maar goed, dan loopt het verhaal een beetje uit. Sindsdien heeft men het alleen maar over Merckx en Ocaña als het over Orcières gaat, terwijl de Tour hier nochtans vaker is geweest. Het jaar daarna bijvoorbeeld, in 1972. Lucien Van Impe won toen nota bene, ook bij die gelegenheid zou er een dag later een rit van start gaan in het skigebied. Die rit werd dan wel weer gewonnen door Merckx. Tien jaar later keerde de Tour nog eens terug, het leverde Pascal Simon een overwinning op. De enige overwinning de oudste van de vier Simons in de Tour. De voorlaatste aankomst in Orcières-Merlette dateert van 1989, een individuele tijdrit met een aankomst bergop. ONZE Steven Rooks won, voor Marino Lejarreta en Miguel Indurain. De snelste beklimming kwam echter op naam van Gert-Jan Theunisse, pik je ook weer even mee. Sindsdien hadden ze in dit skigebied waar in het laagseizoen 700 mensen wonen geen koers meer gezien, tot in het coronajaar 2020. Op dag vier van die Tour, verreden in september, reden we van Sisteron naar Orcières-Merlette. Het was de eerste aankomst bergop van die ronde, het was een rit die je mag vergelijken met deze rit. Wel wat beklimmingen onderweg, maar nergens werd het spannend. Via Saint-Léger reden we naar Orcières-Merlette en daar zouden de favorieten met elkaar strijden om de ritzege. Het was Jumbo-Visma dat de lakens uitdeelde, Wout van Aert zette zichzelf op kop en onder zijn verschroeiende tempo moesten enkele renners lossen. Na een kilometer of twee nam Sepp Kuss het over en hij zorgde ervoor dat er nog wat renners afhaakten, maar we hielden nog steeds een grote groep over. Dat is Orcières-Merlette, ondanks een kilometer aan 8% en wat werk aan 7,5% en heel wat haarspeldbochten is het haast ondoenlijk om hier renners te lossen. Kuss reed lang op kop, tot in de slotkilometer. Hij deed dat werk in dienst van Roglic, die hier zijn specialiteit graag wilde uitvoeren. Roglic kon in die jaren teleporteren aan het eind van een rit, poef, ineens sprintte ie dan richting de zege. Dat was nu ook het plan, maar hij moest in de slotkilometer wel nog even een ijzersterke Guillaume Martin remonteren. Dat was zo ongeveer de enige renner die durfde aan te vallen. Roglic haalde Martin terug en begon even later aan zijn sprint, en in die sprint stond er geen maat op hem. Met twee vingers in zijn neus won hij het sprintje bergop. Ene Tadej Pogacar werd tweede. De jonge Sloveen was bezig aan zijn eerste Tour, een Tour die hij uiteindelijk na die merkwaardige tijdrit op La Planche des Belles Filles zou winnen. Daar dacht op dat moment nog niemand aan, maar in Orcières-Merlette stak hij alvast zijn neus aan het venster. Mooi was die tijd, toen hij nog geklopt kon worden. Guillaume Martin werd derde, godbetert. Hij eindigde in de sprint voor Nairo Quintana en de gele Alaphilippe. Er kan in een jaar of zes best veel veranderen. Ondanks het beukwerk van Van Aert en Kuss zouden we uiteindelijk met een groep van 16 renners naar de aankomst rijden, dat is dus hoe lastig deze slotklim is. Drie renners eindigden ook nog binnen de 10 seconden, zat je dus met bijna 20 man in dezelfde tijd op een aankomst bergop. In de Giro heb je een klim als Montevergine, in de Vuelta heb je een Manzaneda, de Tour heeft Orcières-Merlette. Een vlakke klim, die zomaar kan eindigen in een sprint bergop. Nu heb je in Spanje met Valdezcaray nog zo'n klim, daar reed Vingegaard vorig jaar de tegenstand op de enige steile strook van de klim dan weer op een hoop. Dat zou Pogacar hier ook kunnen doen in die kilometer aan 8%, maar als je het daar niet doet fiets je daarna gewoon gezellig met elkaar naar boven. De site van het skigebied heeft een heerlijke vertaling voor u in de aanbieding: Met zijn resort op 1850 m hoogte en een skigebied op 2725 m, is Orcières Merlette 1850 een van de weinige resorts in de Zuidelijke Alpen die u zulke hoge hoogten en sferen bieden op een licht overstroomd gebied. Een licht overstroomd gebied, ik weet niet of dat meteen goede reclame is voor je handeltje. Er zijn in ieder geval heel wat skiliften, een aantal daarvan zelfs innovatief. 51 pistes, met een lengte van 100 kilometer in totaal. Blijkbaar is er ook een enorm lange tokkelbaan, vette shit. Enkele bekende skiërs vertoeven graag in deze plek in het nationaal park Écrins, al zeggen die namen mij nooit zo gek veel. Maar goed, u kent Alizée Baron en Valentin Giraud-Moine misschien wel. Dat lijkt mij wel voldoende informatie over Orcières-Merlette. Het Écrinsmassief is mooi, deze klim is dat niet. Hier gaat tussen de klassementsrenners niets gebeuren, alle ballen op Alpe d'Huez.
Bekijk deze YouTube-video
[ Bericht 0% gewijzigd door Rellende_Rotscholier op 23-07-2026 02:16:59 ]