quote:
De financiële (r)evolutie in het peloton: “Een aantal ploegen zit in financiële ademnood, er zijn te veel Belgische teams”
Afgaande op het totaalbudget gaat het uitstekend met de wielersport. In 2025 werd de kaap van het half miljard euro vlotjes gerond en steeg het gemiddelde budget van een team uit de World Tour tot 32 miljoen euro. Maar niet iedereen lijkt die tempoversnelling te kunnen volgen. Hoe goed gaat het met de financiën van het wielerpeloton en de Belgische ploegen in het bijzonder? Er is een nieuw ‘cyclisme à deux vitesses’ ontstaan.
De uitdrukking ‘cyclisme à deux vitesses’ dateert uit de periode dat de dopingcultuur nog dominant was en waarbij de Franse ploegen zich afvroegen waarom zij niet meer konden volgen. Omdat er een ‘wielrennen met twee snelheden bestond’, klonk het. Een groep die wel doping gebruikte en een groep die dat niet deed.
Anno 2025 is het dopingspook zo goed als verjaagd maar heeft een nieuwe ongelijkheid zich gemanifesteerd, een financiële. “De komst van zowel multinationals als de zogenaamde geopolitieke sponsoring heeft ervoor gezorgd dat de klassieke teams – gesponsord door middelgrote bedrijven – het groeitempo moeilijk kunnen volgen. Het totaalbudget van de World Tour stijgt snel, heel snel. Maar niet voor iedereen. We gaan, zoals in het Belgische voetbal, naar de vorming van een soort van G5, teams die er budgettair bovenuit steken dankzij de steun van heel kapitaalkrachtige bedrijven: Red Bull, Decathlon, Lidl, INEOS, Visma ook met daarnaast teams die teren op de sponsoring van overheidsholdings van een land met voorop UAE Team Emirates.”
Aan het woord is Wim Lagae, hoogleraar sportmarketing aan de Katholieke Universiteit Leuven en met een gezonde belangstelling voor de wielersport. “Wat nu aan het gebeuren is, is heel marktconform. De Belgische teams hebben de voorbije jaren redelijk goed standgehouden, wat veel zegt over de vinnigheid van die juridische structuren. Maar ik merk dat een aantal ploegen toch wel een beetje in financiële ademnood zit.”
Vertekend beeld
Eén van die ploegen is het Lotto Cycling Team. “Die globale stijging geeft een vertekend beeld”, zegt Kurt Van de Wouwer, sportief manager bij het team van de Nationale Loterij. “Het is een beperkt groepje teams die het budget doen stijgen, voor de overige ploegen is het altijd moeite doen om het budget rond te krijgen. Wat er dan weer voor zorgt dat het talent onevenwichtig wordt verdeeld met vooral UAE dat er huizenhoog bovenuit steekt. Zij kopen alles op.”
Philip Roodhooft van Alpecin-Deceuninck vat het filosofisch op. “Ik vind het moeilijk om te zeggen dat anderen te veel geld hebben”, klinkt het. “Ik ga niemand verwijten dat hij erin geslaagd is om een sponsor als Red Bull naar het wielrennen te halen. Hoe meer geld er in de sport omgaat, hoe beter. En dan is het aan ons om daarop te reageren en moeten wij ervoor zorgen dat we competitief blijven.”
En dat is een hele opgave, bekent Roodhooft. Het team verliest aan het einde van het seizoen tweede naamsponsor Deceuninck. Ondanks de aanwezigheid van de populaire Mathieu van der Poel slaagt het Belgische team er voorlopig niet in een nieuwe geldschieter te vinden. “Sponsors vinden is nooit makkelijk geweest”, zegt Roodhooft. “Wij hebben het geluk of de verdienste dat we vaak wel het geld vonden voor alles wat we wilden doen maar dat ging nooit vanzelf. Het is ons nooit overkomen dat iemand op voorhand belde met de vraag of hij mocht sponsoren en ik ging ervan uit dat het ook nu niet zou gebeuren.”
“Voor elke tweehonderd potentiële sponsors die je contacteert, mag je blij zijn dat het tot één getekende deal komt”, zegt Jurgen Foré, CEO van Soudal Quick-Step. “En daar kan heel wat tijd overheen gaan, tot wel een jaar tussen de eerste contacten en de uiteindelijke handtekening. Wat logisch is: het gaat over aanzienlijke budgetten, dan moet je als bedrijf een plan klaar hebben naar marketing en activatie toe.”
Marko Heijl is de ‘Sponsorship en Corporate Communications Manager’ bij Soudal. Daarnaast doceert hij ‘Sportmarketingcommunicatie’ aan de VUB. Hij kent de wereld van de wielersponsoring als geen ander. “Sponsors voor een bedrag van één miljoen euro vind je nog wel”, klinkt het. “Maar we hebben het tegenwoordig duidelijk over grotere bedragen. We hebben een krachtiger segment van bedrijven nodig en die worden steeds zeldzamer. Iedereen heeft geld nodig.”
“Dat is al zo sinds ik 32 jaar geleden aan de slag ging in de wielerwereld”, vertelt Christoph Sercu, de grote baas van Team Flanders Baloise. “Iedereen is continu op zoek naar nieuwe inkomsten. Ik merk dat dit in België geen makkelijke opdracht is. Wielrennen is ook almaar duurder geworden. Zowel de loonkosten, door indexatie, als de algemene kosten gaan omhoog. Door maatregelen die de UCI (Internationale Wielerunie, red.) ons oplegt maar ook door bijvoorbeeld het groeiend belang van performance. Hoogtestages, nieuwe functies als diëtisten. De lat wordt almaar hoger gelegd. En een voetbalploeg die Europees speelt, zal op het eind van het seizoen misschien vijf keer gereisd hebben. Mijn renners hebben eind februari al vijf keer in het vliegtuig gezeten.”
Internationale zoektocht
De tijd dat voor sponsoring werd gekeken naar de lokale bakker en beenhouwer ligt al ver achter ons. De blik gaat ook bij de Belgische teams over de grenzen. “Omdat er in België geen honderd bedrijven zijn die financieel in aanmerking komen om naamsponsor te worden”, zegt Philip Roodhooft. “Maar ik vind het wel vervelend als er gezegd wordt dat een sponsor minstens vijf miljoen euro moet meebrengen. Dan creëren we een beeld dat de realiteit niet weerspiegelt. Als er morgen iemand met geld afkomt, die gaat ons kunnen helpen.”
De belangen van de Nationale Loterij liggen uiteraard in België maar het team ging in het verleden vaak samen met bedrijven die op de internationale markt mikten: Omega Pharma, Belisol, Soudal… “Het opleiden van jonge Belgische talenten is onze kerntaak”, zegt Kurt Van de Wouwer. “Ik denk dat er momenteel negentig door ons opgeleide renners bij andere teams rijden. Dus is het logisch dat we vooral op Belgische sponsoren mikken. Maar het klopt dat, als we terugkeren naar de World Tour, we er tenminste zouden moeten in slagen om onze betere renners te behouden. En dat is, zeker na het wegvallen van Dstny, nog wat moeilijker geworden. Ondertussen hoor ik jaarlijks op de UCI vertellen dat de budgetten fors stijgen. Als je die trein mist, dan wordt het moeilijk om te blijven concurreren. We plukken niet langer de vrucht van onze arbeid en dat werkt op den duur frustrerend.”
Is fuseren dan de oplossing? Van de Wouwer: “Het hangt ervan af op welke manier het gebeurt. Als je de huidige situatie neutraal bekijkt, dan zijn vier Belgische ploegen in de World Tour te veel voor de markt die er nu is. Als een fusie op een verstandige manier gebeurt en als de puzzel past, waarom dan niet? Of het in de praktijk haalbaar is, is een andere vraag. Mensen zijn verknocht aan hun ploeg, anderen verliezen hun job, een ploeg verliest zijn eigenheid. In ons geval: veertig jaar Lotto, dan spreek je toch van een traditie.”
“Ik denk ook dat er te veel Belgische teams zijn”, bevestigt Lagae. “Maar ik wil hier niets suggereren. Ik zie trouwens nog andere tendensen. Belgische sponsoren zoals SD Worx-Protime en AG Insurance hebben zich aan een vrouwenteam verbonden omdat je daar voor minder budget ook een aanzienlijke exposure kunt scoren. Conclusie? Uiteindelijk zal het de markt zijn die beslist. Laten we eerlijk zijn: er is in België en ook in Vlaanderen altijd een oververtegenwoordiging geweest omdat er bij ons, nog altijd, heel veel mediabelangstelling is voor het wielrennen. Bovendien hebben we een unieke expertise opgebouwd rond het management van wielerteams.”
Hoe de vedetten behouden?
Alpecin-Deceuninck heeft Mathieu van der Poel, Soudal Quick-Step mag tweevoudig olympisch kampioen Remco Evenepoel als uithangbord gebruiken. Twee van de vier meest emblematische renners van het ogenblik rijden in Belgische loondienst. “Als je naar knowhow kijkt, dan denk ik dat je mag zeggen dat we allemaal goede ploegen zijn”, weet Jurgen Foré. “Kijk je puur naar het financiële, dan komen we voor een uitdaging te staan als we niet dringend onze budgetten omhoog krijgen. Het gaat hierbij niet enkel over Remco maar over de ganse ploeg. Een goede klimmer in steun van Remco, die kost geld. Een vedette aan u koppelen, dat is één ding. Maar ook de ploeg eromheen bouwen, dat is een ander ding. UAE kan in de Tour in principe een ploeg opstellen met renners die elders kopman zouden kunnen zijn. Gelukkig zijn er nog renners als bijvoorbeeld Valentin Paret-Peintre, die naar ons komt om Remco te helpen in de Tour maar voor het overige toch ook de vrijheid krijgt om te investeren in zijn eigen toekomst.”
“Wij proberen iets te maken wat jonge mensen als Mathieu aanspreekt”, vult Philip Roodhooft aan. “Mathieu, Puck Pieterse, die kicken erop omdat ze meerdere uitdagingen nodig hebben. Wij hebben iets gemaakt wat bepaalde – en steeds meer – renners aanspreekt. Kunnen zij elders meer verdienen? Zij beseffen dat er mensen zijn die het beter hebben maar zij weten heel goed dat er heel veel mensen zijn die het slechter hebben. Hoe je jezelf daarbij voelt, bepaalt heel veel.”
Het slotwoord is voor Marko Heijl. “We merken dat de budgetten enorm stijgen met weinig ‘marktconforme’ sponsoren, die we trouwens in alle sporten vinden”, zegt hij. “Die komen uit de woestijnlanden en vinden we terug in het voetbal, golf, maar ook wielrennen… Anderzijds zijn er een paar ernstige multinationals bij gekomen. Decathlon of Red Bull vond je tien jaar geleden niet in de wielersport terug. Dat is een goede zaak voor de sport maar niet voor kleinere Belgische sponsoren die niet de budgetten hebben die de Red Bulls van deze wereld kunnen bieden. Laten we niet flauw doen. Zij werken met budgetten die een Belgische sponsor niet kan ophoesten.”
Zes Belgische teams, allemaal kopzorgen
*** Soudal Quick-Step is de meest stabiele ploeg met sponsoren die zich op de internationale markt richten, met indien nodig nog financiële back-up van de Tsjechische hoofdaandeelhouder Zdenek Bakala.
*** Intermarché-Wanty heeft één van de kleinste budgetten in de World Tour maar vindt altijd voldoende financiële ruimte om te overleven op het hoogste niveau.
*** Het derde Belgische team, Alpecin-Deceuninck, ziet aan het eind van dit seizoen tweede naamsponsor Deceuninck afhaken. De broers Roodhooft hebben nog wel wat sponsoren in hun portefeuille – Fenix, Crelan, Corendon – zodat het budget van het mannenteam voorlopig niet in het gedrang lijkt te komen. Maar ook zij zouden er nog graag een nieuwe naamsponsor bij willen.
*** Op pro-continentaal niveau zijn drie Belgische teams actief. Het grote zorgenkind is het Lotto Cycling Team. Door de goede prestaties van de twee voorbije jaren is het haast zeker om aan het eind van dit seizoen naar de World Tour te promoveren. Maar door het afhaken van tweede sponsor Dstny komt het financieel niet eens in de buurt van wat het gemiddelde team uit de World Tour kan uitgeven. Dstny is nog niet vervangen. Intussen dreigt het team alweer een deel van zijn betere middenvelders – Van Moer, Segaert, Livyns – kwijt te spelen door een gebrek aan financiële slagkracht.
*** Team Flanders-Baloise is dan weer een ander verhaal. Het opleidingsteam van de Vlaamse overheid teert al jaren op centen van die Vlaamse overheid, aangevuld met budget van verzekeringsmaatschappij Baloise. Toch brandt ook voor hen een klein oranje flikkerlichtje. In het Vlaams Parlement – meer bepaald binnen de Commissie Sport – is het nut van het team openlijk in vraag gesteld aangezien alle grote wielerteams tegenwoordig een eigen opleidingsteam hebben. Bepaalde stemmen zouden het voorziene budget – net geen twee miljoen euro – liever aan de breedtesport spenderen.
*** Ten slotte is er Wagner Bazin WB, het voormalige Bingoal-Wallonie Bruxelles. Door het verbod op reclame voor gokbedrijven als Bingoal moest teammanager Christophe Brandt op zoek naar een nieuwe partner, wat uitmondde in een fusie met het Franse Wagner Bazin.