Henk Grol ziet judo in Nederland steeds verder afglijden: ‘In het buitenland lachen ze ons uit’
Geen kampioenen meer, nauwelijks kanshebbers op olympisch goud. Met de Spelen van Parijs in zicht zakt het Nederlandse judo steeds verder weg. Dus zijn er zorgen, onder meer bij voormalig topjudoka Henk Grol.
,,Het judo in Nederland wordt kapotgemaakt.’’ Wanneer de Nederlandse judoka’s op de EK in Montpellier, in november vorig jaar, wederom teleurstellend presteren en voor het eerst sinds 1990 in geen enkele EK-finale staan, draait Henk Grol er niet omheen.
Natuurlijk, er is echt nog wel talent. Dat benadrukt de oud-topjudoka (driemaal Europees kampioen, driemaal WK-zilver, tweemaal olympisch brons) deze middag in Velserbroek, in zijn sportschool, meerdere keren. Hij noemt Frank de Wit, Michael Korrel, Jur Spijkers, Joanne van Lieshout en Guusje Steenhuis. En Sanne van Dijke, de enige judoka die de laatste jaren naar behoren presteert.
Maar het zijn geen absolute winnaars meer. Zoals Guillaume en Dex Elmont, Dennis en Elco van der Geest, Ruben Houkes, Mark Huizinga, Edith
Bosch en Claudia Zwiers dat waren. Het is veelzeggend dat de laatste grote prijs dateert uit 2019: de wereldtitel van Noël van ’t End. ,,Het zijn outsiders geworden.’’
Pijn
Dat is niet alleen zorgelijk, zegt Grol (38), in 2011 en 2020 winnaar van de Paris Grand Slam, het prestigieuze toernooi dat dit weekend op de agenda staat. ,,Het doet ook pijn.’’ Grol, die zijn carrière in 2021 afsloot, hoeft niet lang na te denken als wordt gevraagd waarom het judo in Nederland zo is afgegleden. Hij begint over Papendal, waar sinds 2016 een centraal trainingscentrum is gevestigd. ,,Een heel mooi concept, als het tenminste goed wordt geleid. Maar dat wordt het dus niet.’’
Hij maakt een vergelijking met jaren geleden. De tijd van Cor van der Geest en Chris de Korte, de coaches die zoveel judoka’s naar de wereldtop brachten. ,,Zij hadden de Begeisterung om er iets van te maken. Dát heb je nodig. Mensen die hun hele ziel en zaligheid erin stoppen. Mensen met kennis. Maar die zijn er op dit moment niet. Nu is het zo: we hebben niemand, dan zetten we die maar neer.’’ Geen kampioenenmakers, stelt Grol. ,,Ze hebben niet het verstand om talenten de stap naar de wereldtop te laten maken.’’
Zijn idee: één sterke leider aanstellen, met daaronder twee jonge gasten die gaan opleiden. ,,Van der Geest werd een succesvolle coach omdat hij de juiste mensen om zich heen verzamelde. Je kunt beter twee goede trainers hebben in plaats van acht die het niet hebben.’’
Het zorgt volgens Grol niet alleen voor structuur, het voorkomt ook dat iedereen zomaar wat doet. Hij begint over de krachttrainingen. ,,Doen ze apart van elkaar.’’ Een slechte zaak, vindt hij. ,,Ook al haat je elkaar, je moet samen trainen.’’
Zwaargewicht Jelle Snippe, die brons won op het EK, snapt dat het voor sommigen fijner is om die training met de eigen vertrouwde krachttrainer te doen. Zelf geeft hij de voorkeur om dat centraal te doen, op Papendal. ,,Op die manier is het voor de krachttrainer makkelijk om contact te hebben met mijn judotrainer of fysio. En mijn judotrainer of fysio kan makkelijk binnenlopen bij de krachttraining.’’
Grol haalt Dennis van der Geest aan, die hij als 17-jarige met 200 kilo zag squatten. ,,Daardoor ben ik beter geworden. Ik trok me op aan dat soort gasten. Nu weten ze van elkaar niet wat ze doen. Daarom is het belangrijk dat er iemand komt die alles bepaalt. Die met ijzeren hand regeert. Anders wordt het een teringzooi.’’
Van Gijs Ronnes, de voormalige beachvolleyballer die eind 2021 werd aangesteld als directeur topsport bij de judobond, hoef je niks te verwachten, zegt Grol. ,,Begrijp me niet verkeerd: ik ben niet tegen aanpassingen. Zoals ik het prima vind dat de wetenschap erbij wordt betrokken. Omdat er altijd winst valt te halen. Maar sommige dingen passen gewoon niet bij een vechtsport. Onder zijn leiding moeten onze judoka’s op een fiets zitten, als warming-up en coolingdown. Dat is de grootste grap die er is. De buitenlanders lachen ons gewoon uit.’’
Grol snapt dat wel. ,,Wanneer je na tien minuten knokken van de mat komt, moet je bijna kotsen van het zuur in je lichaam. Je hebt zo veel pijn in je armen. Dan ga je toch niet op een fiets zitten? Echt, ik had die fiets naar zijn hoofd gesmeten als mij dat werd opgedragen. Dat slaat nergens op. Je moet willen knokken in je hoofd.’’
Kim Polling (klasse tot 70 kilo), die nog altijd hoopt op plaatsing voor Parijs, wil het fietsen wel een kans geven. ,,Ik moet het nog uitproberen. Maar ik denk dat ik het wel een fijne manier van herstellen vind tussen de partijen door.’’ Snippe zal niet op de fiets te zien zijn. ,,Ik heb dat een paar jaar geleden geprobeerd, maar daar is mijn eigen coach niet mee verder gegaan.’’
Dat krijg je dus, meent Grol, als je iemand aanstelt die totaal geen binding heeft met de sport. ,,Ronnes heeft nooit een stomp voor zijn harses gehad, of een schop voor zijn poten. Sterker, hij heeft nooit een judopak aangehad. Hoe weet hij dan wat goed is? Ik ga een wielrenner toch ook niet vertellen hoe hij het moet doen? Het is veelzeggend dat de toppers hem uitlachen, niet eens met hem praten.’’
Losgelaten
Ook dat begrijpt Grol. ,,Alles wat goed is, helpt hij om zeep. Neem Tornike Tsjakadoea. Werd vijfde op Spelen van Tokio, maar is volledig losgelaten. Haalt daardoor zijn niveau niet meer. Zo’n jongen heeft een goede trainer nodig. Nee, we gaan de B-garnituur helemaal coachen, omdat die intrinsiek iets gemotiveerder zijn. Maar Tsjakadoea heeft talent. Dat heeft hij laten zien. Dan moet je daar toch bovenop zitten?’’
Daarom pleit Grol ervoor de top zo goed mogelijk te faciliteren. ,,Het lijkt nu wel een reisbureau. De bond stuurt sporters de hele wereld over, tot Australië aan toe. Terwijl ze daar niks te zoeken hebben. Besteed dat geld aan diegenen die jou aan een medaille kunnen helpen: je grootste talenten. Wat overblijft, gaat naar de rest. Ik weet wel: garanties heb je nooit. Je haalt bij judo echt niet zomaar een medaille. Maar neem van mij aan: iemand als Van ’t End had veel meer gewonnen als hij beter was begeleid. En wat te denken van De Wit. Dat is een potentiële medaillewinnaar. Dan moet je zorgen dat-ie de allerbeste trainer krijgt.’’
Daarmee ben je er nog niet, meent hij. Ook moet de cultuur anders. Het gaat Grol – die voor zichzelf geen rol ziet weggelegd, omdat hij te druk is met zijn eigen bedrijf – wat ver om de werkwijze van judolanden als Rusland en China te kopiëren. ,,Dat is het andere uiterste. Daar heb ik dingen gezien, dat ging zelfs voor mij te ver. Dan heb je het over lijfstraffen, over geestelijke vernedering.’’
Overleven
Een tikkeltje harder trainen, adviseert Grol. ,,Jongens als Spijkers, Korrel en De Wit doen dat wel. Maar het gros niet. Omdat er geen structuur in zit en de coaches, op een enkeling na, te lief zijn. En ja, dan versla je de Russen, Japanners en Georgiërs nooit meer.’’ Daarom is het goed de pijn te voelen. ,,Je moet door het putje om beter te worden.’’ Dat kan soms ver gaan, weet hij uit ervaring. ,,Maar als je niet wilt knokken, niet wilt overleven, hoe ga je dan een vechtsport doen? Dan word je nooit een winnaar.’’
Bondsdirecteur Ronnes kan de kritiek van Grol plaatsen. ,,Het doel was tijdens de EK vier medailles winnen, waaronder een keer goud. Dat is niet gebeurd.’’ Maar hij vindt het overdreven om te concluderen dat het Nederlandse judo weinig meer voorstelt. ,,Ik kijk niet op die manier, ik bekijk het veel procesmatiger.’’
Ronnes noemt de zwaargewichten Marit Kamps en Jelle Snippe, die op de laatste EK brons pakten, net als Sanne van Dijke (tot 70 kilo), die deze zomer voor olympisch goud gaat. ,,Dat zijn lichtpunten. Verder hadden we op de EK veel judoka’s in de top 8 en in het medailleblok (vanaf halve finales en herkansingen, red.). Ik wil niet zeggen dat de EK niet belangrijk was, maar in het proces richting Parijs was dit niet per definitie een piektoernooi. We hebben die EK ook gebruikt om nieuwe protocollen te trainen. Ik maak me dan ook geen zorgen.’’
Daarom wordt niet getornd aan de doelstelling voor de Spelen. ,,We blijven mikken op drie medailles’’, zegt Ronnes. ,,Dat is uitdagend, maar reëel. Zeker als we de ingeslagen weg blijven volgen.’’ Dus gaan de fietsen ‘gewoon’ mee naar de wedstrijden.