In absolute cijfers zijn, na de autochtone Nederlanders met ruim 100 duizend verdachten, de Marokkanen en Surinamers met elk meer dan 10 duizend verdachten de grootste groepen, gevolgd door de Turken (7.500) en de Antillianen (6.600). Met inbegrip van de tweede generatie is 37,5% van alle in Nederland woonachtige geregistreerde verdachten van een misdrijf van allochtone herkomst. Het aandeel allochtonen in de verdachtenpopulatie is daarmee twee keer zo groot als het aandeel allochtonen in de bevolkingspopulatie. Van alle verdachten behoort een kwart (23,8%) tot de allochtone bevolking van de eerste generatie en ruwweg één op zeven (13,7%) tot die van de tweede generatie.
De Dominicaanse en Antilliaanse groepen hebben relatief de hoogste aantallen geregistreerde verdachten met respectievelijk 5,9 en 5,6 procent. Ook migranten uit Angola (4,9%), (4,5%), Siërra Leone (3,9%), Tunesië (3,7%) en Algerije (3,7%), Suriname (3,6%), Marokko (3,3%), Kaapverdië (3,3%), Nigeria, (3,2%), Somalië (3,1%), voormalige Sovjet-Unie (3,1%), Iran (2,8% ) en Ethiopië (2,7%) kennen hoge percentages. Japanners worden naar verhouding het minst als verdachte geregistreerd (0,6%), gevolgd door de Denen (0,7%) en Hongkong Chinezen (0,7%).
De allerhoogste percentages zijn aangetroffen bij Marokkaanse mannen van de tweede generatie (12,7%), gevolgd door Kaapverdiaanse mannen van de tweede generatie (10,8%) en Antilliaanse mannen van de eerste generatie (10,1%).
De onderzoekers concluderen dat het algemene beeld dat bij Antillianen en Marokkanen een probleemgroep voorkomt, klopt. Bij de Marokkanen zijn zowel de eerste als de tweede generatie vaker dan autochtonen en de meeste andere herkomstgroeperingen verdachte van een misdrijf. Bij de Antillianen gaat het volgens de onderzoekers voornamelijk om de jongeren van de eerste generatie, met een opvallend hoog percentage meisjes (4,5% van de Antilliaanse meisjes). De tweede generatie Antillianen is nog wel vaker verdachte dan hun autochtone leeftijdsgenoten, maar minder vaak dan de eerste generatie.
Cultuur
De oververtegenwoordiging van bijvoorbeeld Marokkanen wordt vaak verklaard door culturele factoren. Dan wordt verwezen naar de Marokkaanse schaamtecultuur en de Berbertraditie om autoriteiten te wantrouwen.
In hoeverre spelen dergelijke culturele factoren een rol bij de oververtegenwoordiging van niet westerse allochtonen in de misdaad? Zijn cultuurspecifieke opvattingen over diefstal en geweld verantwoordelijk? Het onderzoek waarop Madeleine de Boer onlangs promoveerde, ondersteunt deze aanname niet. De Boer: ‘In de praktijk blijken migrantenjongeren min of meer dezelfde opvattingen te hebben over diefstal, het gebruik van geweld en straf als Nederlandse jongeren. Dit geldt voor alle vier grote migrantengroepen: Marokkanen, Turken, Antillianen en Surinamers. Het criminele gedrag van Marokkaanse of Antilliaanse jongeren is niet te verklaren vanuit afwijkende misdaad- of strafopvattingen van deze groepen als geheel.'
Enige uitzondering hierop zijn de duidelijk andere opvattingen van Turkse jongeren over eergerelateerd geweld en de bestraffing daarvan. Deze kunnen, volgens De Boer, mede de oververtegenwoordiging verklaren van Turken in Nederland die een straf uitzitten wegens geweldsdelicten binnen de eigen gemeenschap.
De conclusies van het onderzoek sluiten aan bij eerder onderzoek, bijvoorbeeld dat van Frans Driessen en Beate Völker. Volgens deze onderzoekers spelen cultuurverschillen geen belangrijke rol. Ook religie is geen verklarende factor. Zo blijkt volgens bijvoorbeeld dat juist de jongeren die zich sterk identificeren met de oorspronkelijke cultuur en die bijvoorbeeld streng islamitisch zijn, maar zelden crimineel zijn.
Volgens de onderzoekers moet de verklaring voor de hoge criminaliteit onder allochtone jongeren veeleer gezocht worden in de tekortkomingen van de sociale netwerken van de jongeren. Veel allochtone jongeren hebben een moeilijke relatie met hun ouders, waardoor zij oppervlakkig deelnemen aan het sociale netwerk dat uit familieleden bestaat. Het milieu van herkomst biedt zo weinig bescherming tegen het risico om af te glijden in een criminele loopbaan