Hier een stap voor stap uitleg, met veel uitschrijven. Uiteindelijk hoeft dat natuurlijk niet zo expliciet gedaan te worden, maar dat maakt het hopelijk duidelijk. De notatie is niet ideaal op zo'n forum, maar vooruit.quote:Op donderdag 27 december 2007 01:43 schreef tankertuig het volgende:
Hmm... ik ben nog maar een dummie, dus het spijt me als ik nu wat sullig overkom.
Ik heb ook de antwoorden bij de opgave.
(sqrt[2]/3)3 geeft 2/27*sqrt[2]
((2*sqrt[3])/sqrt[2])3 geeft 6*sqrt[6]
Snap alleen niet echt hoe ze daar bij komen.
http://staff.science.uva.nl/~craats/basiswiskunde.pdf ben ik aan het doorwerken. opgaven 3.24, a b en c lukken, d en e alleen niet. snap er niks van.
Zie je ook waarom?quote:Op donderdag 27 december 2007 14:18 schreef tankertuig het volgende:
ow wacht. ik zag dus even niet dat 6sqrt(6) het zelfde is als sqrt(63)
Uitleg waarom:quote:Op donderdag 27 december 2007 14:18 schreef tankertuig het volgende:
ow wacht. ik zag dus even niet dat 6sqrt(6) het zelfde is als sqrt(63)
Maar wat word dit dan als de macht hoger word?
SPOILEROm spoilers te kunnen lezen moet je zijn ingelogd. Je moet je daarvoor eerst gratis Registreren. Ook kun je spoilers niet lezen als je een ban hebt.sqrt(64)SPOILEROm spoilers te kunnen lezen moet je zijn ingelogd. Je moet je daarvoor eerst gratis Registreren. Ook kun je spoilers niet lezen als je een ban hebt.sqrt(65)SPOILEROm spoilers te kunnen lezen moet je zijn ingelogd. Je moet je daarvoor eerst gratis Registreren. Ook kun je spoilers niet lezen als je een ban hebt.Ik heb het tussen spoilers gezet omdat je er eerst zelf over moet nadenken. Doe dit ook, dat wij het kunnen heb je niks aan.
2000 light years from home![]()
sqrt(66) = sqrt(63*63) = sqrt(63)*sqrt(63) = 6 * 6 * sqrt(64) = 36*sqrt(6²*6²) = 36*sqrt(6²)*sqrt(6²) = 36*6*6 = 36² = 1296
Klopt het nu dat ik sqrt(64) heb omdat sqrt(63) sqrt(62) word. en die 2x maakt sqrt(64)Gezocht: KAMER in UTRECHT![]()
Nee, helaasch helemaal fout beredeneerd; de vierkantswortel (square root) nemen van iets tot de macht zoveel deelt de exponent zoveel door 2. Logisch als je bedenkt dat sqrt(ab) * sqrt(ab) = ab/2 * ab/2 = ab/2 + b/2 = ab (precies (sqrt(a^b)2)).
sqrt(66) = 66/2 = 63
Wat jij wilt doen is kwadraatfactoren buiten het wortelteken halen:
1.) sqrt(a8) =
2.) sqrt(a2 * a2 * a2 * a2 ) =
3.) a * sqrt(a2 * a2 * a2) =
4.) a * a * sqrt(a2 * a2) =
5.) a * a * a * sqrt(a2) =
6.) a * a * a * a =
7.) a4
oftewel:
1.) sqrt(a8) =
2.) a * sqrt(a6) =
3.) a * a * sqrt(a4) =
4.) a * a * a * sqrt(a2) =
5.) a * a * a * a =
6.) a4
Omgekeerd gaat ook; als je een factor onder een wortelteken wilt schuiven moet je deze tevens kwadrateren:
a * sqrt(b) = sqrt(b * a2)
[ Bericht 5% gewijzigd door harrypiel op 27-12-2007 21:08:44 ]![]()
Ik snap niet waarom je 'gelooft' het te snappen, en het niet zeker weet.
sqrt(a7) = (a7)0,5 = a3,5 = a3*a0,5Ten percent faster with a sturdier frame![]()
ksnap deze limiet niet:
lim
x-> oneindig
2x sqrt x / (sqrt x^3 +7x) + (sqrt x^2+4)
normaal doe ik ze altijd met lhopital maar kheb geen idee hoe je deze moet differenteren of hoe je het met een andere methode moet doen![]()
![]()
hee gauw de vraag wijzigenKun je nog wat haakjes zetten, want zoals hij er nu staat is hij helemaal zo lastig niet.
eee7a201261dfdad9fdfe74277d27e68890cf0a220f41425870f2ca26e0521b0![]()
Zoals het er nu staat is de limiet oneindig, door de laatste term. Maar je zult wel 2x sqrt x / (sqrt(x^3 +7x) + sqrt(x^2+4)) bedoelen? In dat geval is de limiet gelijk aan 2, omdat teller zich gedraagt als 2 x1,5 en de noemer als x1,5 voor grote x.quote:Op zaterdag 29 december 2007 17:51 schreef ekain2 het volgende:
ksnap deze limiet niet:
lim
x-> oneindig
2x sqrt x / (sqrt x^3 +7x) + (sqrt x^2+4)
normaal doe ik ze altijd met lhopital maar kheb geen idee hoe je deze moet differenteren of hoe je het met een andere methode moet doen
heeft de hoop dat het allemaal stiekum toch nog goed komt...
Fotoboek![]()
*mompelt iets over de 2x in de teller onder het wortelteken brengen (kwadrateren niet vergeten), teller en noemer door de hoogste macht in de noemer delen (in dit geval sqrt(x3)), en van elke term de limiet naar oneindig evalueren.![]()
Zoals ik zei, gewoon in teller en noemer de termen bekijken die het gedrag voor grote x bepalen (d.w.z., de grootste macht hebben) en die met elkaar vergelijken. Om dit wiskundig te verantwoorden, kun je die hoogste termen eruit halen, zodat de rest in de limiet naar 0 gaat:quote:Op zaterdag 29 december 2007 18:12 schreef ekain2 het volgende:
jah dat klopt en het antwoord is ook juist maar kweet nog steeds niet hoe je er aan komt
2 x √ x / (√(x3+7 x) + √(x2 + 4)) =
2 x √ x / (√(x3(1+7 x-2)) + √(x3(x-1 + 4 x-3))) =
2 x √ x / (x √ x √(1+7 x-2) + x √ x √(x-1 + 4 x-3)) =
2 / (√(1+7 x-2) + √(x-1 + 4 x-3)),
en dan zie je dat √(1+7 x-2) naar 1 en √(x-1 + 4 x-3) naar 0 gaat als x → ∞, zodat de uitkomst van de limiet 2/1 = 2 is.heeft de hoop dat het allemaal stiekum toch nog goed komt...
Fotoboek![]()
In een zeker land bedroegen in een bepaald jaar de totale investeringen in vast kapitaal ¤440 miljard.
De voorraadmutaties bedroegen ¤60 miljard.
De afschrijvingen bedragen 10% van de bruto-investeringen.
Bereken de netto-investeringen
Euh HELP?* Toppunt van automatisering.
- De stewardess die verkracht wordt door de automatische piloot.![]()
Zulke vragen horen niet hier thuis, maar in het gammatopic.quote:Op zondag 30 december 2007 18:50 schreef -isolde het volgende:
In een zeker land bedroegen in een bepaald jaar de totale investeringen in vast kapitaal ¤440 miljard.
De voorraadmutaties bedroegen ¤60 miljard.
De afschrijvingen bedragen 10% van de bruto-investeringen.
Bereken de netto-investeringen
Euh HELP?![]()
Ik heb volgende week tentamen toetsende statistiek voor de opleiding Psychologie en ik probeer me nu voor te bereiden, maar ik heb een regelrechte ramp met alles wat met wiskunde te maken heeft.
Het gaat om een voorbeeldopgave waar ik niets van snap, namelijk de volgende:
Men wil weten of de man/vrouw verhouding onder studenten van Faculteit A en B van elkaar verschilt. Op steekproefbasis stelt men vast dat de proportie man in faculteit A 0,40 en in B 0,52 bedraagt. In beide gevallen zijn 100 studenten onderzocht.
Vraag 1.
Als je hier de nulhypothese toetst met behulp van de proportietoets voor verschillen, tot welke conclusie kom je dan?
Vraag 2.
De nulhypothese is ook te onderzoeken met behulp van de Chi-kwadraadtoets. Als je deze toets zou uitvoeren, welke waarde heeft de toetsstatistiek dan?
Zou iemand mij kunnen uitleggen hoe ik deze twee vragen aan moet pakken, want ik snap er niks meer van![]()
![]()
![]()
De proportietoets heb ik niet van gehoord, als je zegt op welke verdeling hij gebaseerd is, kan ik er waarschijnlijk wel wat mee. Merk op dat je de conclusie niet kunt trekken zonder vantevoren een significantieniveau te bepalen.
Voor de Pearson chikwadraattoets moet je de dubbele sommatie over de observaties en de groepen doen van het (o-e)²/e met o de observatie en e de verwachte observatie. Wat je verwacht wanneer ze gelijk zijn weet je niet, dus schat je dat met (100*40 + 100*52)/200 = 46. Daarna maak je er nog een plaatje van, en het kan niet meer fout gaan:
De teststatistic heeft nu waarde (40 - 46)² /46 + (52-46)² / 46 + (60 - 54)² / 54 + (48 - 54)² / 54.
[ Bericht 52% gewijzigd door GlowMouse op 01-01-2008 20:27:02 ]eee7a201261dfdad9fdfe74277d27e68890cf0a220f41425870f2ca26e0521b0![]()
Ik begrijp niet zo goed hoe de volgende vraag opgelost moet worden:
De rondgang van een reuzenrad met een diameter van 135 meter duurt 30 minuten. Frits zit in een capsule in het hoogste punt van het rad op t=0.
Geef de bewegingsvergelijkingen van de capsule van Frits.
Vind het hoofdstuk sowieso vrij lastig, dus misschien dat het inde basiskennis al fout gaat.![]()
Weet je hoe de (in dit geval toepasselijke) bewegingsvergelijkingen eruit zien, en wat de daarin gebruikte constantes voorstellen?eee7a201261dfdad9fdfe74277d27e68890cf0a220f41425870f2ca26e0521b0![]()
Iets met
x-coordinaat = 67,5 meter * cos ((2*pi*tijd in seconden/ 30minuten*60seconden) + 1/2*pi) en
y-coordinaat = 67,5 + 67,5 meter *sin ((2*pi*tijd in seconden/ 30minuten*60seconden) + 1/2*pi)
waarschijnlijk![]()
Herleid:
2sin(t-π). sin(t-0,5π) -0,5sin(2t)
Volgens deze regels "sin(t-u)= sin(t)cos(u)-cos(t)sin(u)" kom ik dan hierop:
2sin(t-π). sin(t-0,5π) -0,5sin(2t)=
2(sin(t)cos(π)-cos(t)sin(π)). (sin(t)cos(0,5π)-cos(0,5π)-cos(t)sin(0,5π)) - 0,5sin(2t)
Ik kom niet verder dan dit. De uitwerkingen staan op deze link:
http://leerling.getalenru(...)-dl4-d-test-hs16.pdf
Kan iemand mij vanaf de derde regel (of vanaf wat hierboven staat) uitleggen hoe ik het verder moet herleiden?my future seems like one big past...![]()
Tipje: een uitdrukking als sin(π) hangt niet van t af, x*0=0 en x*1=x voor iedere x.eee7a201261dfdad9fdfe74277d27e68890cf0a220f41425870f2ca26e0521b0![]()
Ik weet hoe ze er in het algemeen uitzien ja. De gebruikte constantes weet ik, maar het antwoord waar ik op uitkwam was niet goed en toen ik in de uitwerkingen keek snapte ik nog niet hoe ze op een bepaald iets kwamen. Dus daarom stel ik mijn vraag hier; misschien kan iemand hier de uitwerking geven die het kwartje bij mij wel doet vallenquote:Op woensdag 2 januari 2008 17:41 schreef GlowMouse het volgende:
Weet je hoe de (in dit geval toepasselijke) bewegingsvergelijkingen eruit zien, en wat de daarin gebruikte constantes voorstellen?![]()
![]()
Het is dan makkelijker om te zeggen waar je op uitkwam, want dan zien we wat er fout ging.
Een cirkelbeweging staat vrijwel altijd in de volgende vorm, met omega, b en c in beide vergelijkingen gelijk.
x = a+b*cos(omega*t + c)
y = e+b*sin(omega*t + c)
(a,e) is het middelpunt van het reuzenrad, dus a=0 en e=135/2 (als hij op de grond staat).
b is de straal: 135/2.
c geeft het startpunt aan; op t=0 staat er namelijk gewoon cos(c) en sin(c). Kies je c=0 zit je dus rechts, maar hier zit je boven dus kies je c=pi/2.
omega is de hoeksnelheid. Kiezen we ervoor om t in seconden te nemen (SI eenheid), moet de hoeksnelheid in radialen per seconde. Omdat gegeven is dat 2*pi radialen in 1800 seconden doorlopen worden, geldt omega = pi/900.
En dan heb je wat harrypiel ook al had en in je antwoordenboek stond
eee7a201261dfdad9fdfe74277d27e68890cf0a220f41425870f2ca26e0521b0![]()
Ik snap nu hoe het in zijn werk gaat (waarom het meeste rechtse punt als referentiepunt werd genomen snapte ik niet, maar daar geldt natuurlijk t=0). Dit was mijn oplossing:
x = 67,5 cos (2pi/1800 × t)
y = 135 + 67,5 cos(2pi/1800 × t)
2pi/1800 komt natuurlijk op hetzelfde neer als pi/900, dus dat klopt wel (in het boek zeggen ze 1/15pi, maar ze gebruiken daar minuten (:{). Ik zat dus alleen bij die 135 fout, en dat heeft dan weer te maken met dat het middelpunt niet op 135 meter maar op 67,5 meter ligt. Ik snap hem, bedankt!
edit: 1 ding snap ik nu ik er nog eens naar kijk toch nog niet: hoe je die c berekent. Kun je dat nog iets ophelderen ?
[ Bericht 10% gewijzigd door MeScott op 04-01-2008 00:14:26 ]![]()
leuke ebook maar even gedownload kan vast nog wel eens handig zijn laterquote:Op donderdag 27 december 2007 01:43 schreef tankertuig het volgende:
Hmm... ik ben nog maar een dummie, dus het spijt me als ik nu wat sullig overkom.
Ik heb ook de antwoorden bij de opgave.
(sqrt[2]/3)3 geeft 2/27*sqrt[2]
((2*sqrt[3])/sqrt[2])3 geeft 6*sqrt[6]
Snap alleen niet echt hoe ze daar bij komen.
http://staff.science.uva.nl/~craats/basiswiskunde.pdf ben ik aan het doorwerken. opgaven 3.24, a b en c lukken, d en e alleen niet. snap er niks van.![]()
![]()
Die c duidt je beginpositie aan. Als ik bijvoorbeeld een simpele 1-dimensionale golfbeweging heb, dan kan deze beschreven worden doorquote:Op donderdag 3 januari 2008 23:39 schreef MeScott het volgende:
Ik snap nu hoe het in zijn werk gaat (waarom het meeste rechtse punt als referentiepunt werd genomen snapte ik niet, maar daar geldt natuurlijk t=0). Dit was mijn oplossing:
x = 67,5 cos (2pi/1800 × t)
y = 135 + 67,5 cos(2pi/1800 × t)
2pi/1800 komt natuurlijk op hetzelfde neer als pi/900, dus dat klopt wel (in het boek zeggen ze 1/15pi, maar ze gebruiken daar minuten (:{). Ik zat dus alleen bij die 135 fout, en dat heeft dan weer te maken met dat het middelpunt niet op 135 meter maar op 67,5 meter ligt. Ik snap hem, bedankt!
edit: 1 ding snap ik nu ik er nog eens naar kijk toch nog niet: hoe je die c berekent. Kun je dat nog iets ophelderen ?
x(t) = A*sin(f*t+c)
Voor t=0 geldt x(0) = A*sin(c). Als bijvoorbeeld gegeven is dat de beginpositie x(0) = B, dan moet je de vergelijking A*sin(c)=B oplossen om c te vinden ( ervan uitgaande dat A en B gegeven zijn ). Als ik in de oorsprong x=0 begin op t=0, dan is c=0 ( sin(0) = 0 ). Als ik in het punt A begin op t=0 dan geldt c=pi/2 ( sin(pi\2) = 1).
Jouw geval is ietsje ingewikkelder; je hebt een cirkelbeweging, en dus een x(t) en een y(t). Nu moet je dus 2 beginvergelijkingen oplossen. Je hebt je vergelijking voor y als een cosinus opgeschreven, maar je had natuurlijk net zo goed kunnen schrijven y = 135 + 67,5*sin(2*pi/1800 + pi/2 ), omdat
cos(t) = sin(t + pi/2 ).
Een cosinus is immers niks anders dan een sinus die op 1 begint in plaats van 0. Teken de cosinus en de sinusfunctie maar es onder mekaar, en je ziet dat het enige verschil een opschuiving van je argument is
Ik schrijf boeken over wetenschap en filosofie!
https://www.epsilon-uitga(...)e-tijd-materie/10996
https://www.spectrumboeke(...)k-niet-9789000386765
https://www.spectrumboeke(...)tronen-9789000395071![]()
Ik heb een natuurkunde vraag:)
Wat gebeurd er als ik de kracht f uit dit topic nou 1 meter naar rechts verschuif?Natuurkunde bruggen
Als de brug/tafel tussen de steunpilaren in 10 meter lang is.?![]()
In een statische situatie kun je zelf het draaipunt kiezen, en zoals TC03 al zei moeten alle momenten om dit punt 0 zijn.
Kies je eerst r1 als draaipunt, dan weet je direct wat de kracht is op r2 en omgekeerd.
En vergeet niet dat je naast de kracht die je getekend hebt ook nog de normaalkracht werkt.eee7a201261dfdad9fdfe74277d27e68890cf0a220f41425870f2ca26e0521b0![]()
![]()
Moment 1 = 50*3= 150N?
Moment T= 50*10 =500N
En dan is moment 2 500-150N = 350N?
Betekend dit dan dat de kracht op R2 150N is en op R1 350N?![]()
Om het moment te berekenen vermenigvuldig je een kracht met een afstand, dus de eenheid van moment is Nm en geen N. Daarnaast heb je de kracht nu 2 ipv 1 meter verplaatst. Je berekening is verder niet navolgbaar omdat je 'T' en 'moment 2' nergens specificeert en is ook onjuist. Met een totale kracht van 50N (de zwaartekracht op de plank verwaarloos je nu) kan het natuurlijk niet zo zijn dat er op beide poten 500N drukt en het is ook opmerkelijk dat in je antwoord de grootste kracht op R1 werkt terwijl je dichter bij R2 drukt.quote:Op zaterdag 5 januari 2008 16:35 schreef Rammstino het volgende:
Moment 1 = 50*3= 150N?
Moment T= 50*10 =500N
En dan is moment 2 500-150N = 350N?
Betekendt dit dan dat de kracht op R2 150N is en op R1 350N?
Met r1 als draaipunt:
0 = ΣM = (F*d)linksom - (F*d)rechtsom = Fr2*10 - 50*7, dus Fr2 = 35 N.
TCO3
eee7a201261dfdad9fdfe74277d27e68890cf0a220f41425870f2ca26e0521b0![]()
Nee, werk zorgvuldiger.
Moment om R1: 7*F - R2*10 = 0 --> 7F = 10R2
Moment om R2: 3*F - R1*10 = 0 --> 3F = 10R1
Dus: R2 = 0,7*F = 35 N en R1 = 0,3*F = 15 N.
Krachtenevenwicht (om te controleren): F = R1 + R2 = 35 + 15 = 50.
Als je een "inputkracht" hebt van 50 N kan je natuurlijk nooit reactiekrachten groter hebben dan de "input".Ten percent faster with a sturdier frame![]()
X² is X*X.
X²*X is dus X*X*X en dat is X³.eee7a201261dfdad9fdfe74277d27e68890cf0a220f41425870f2ca26e0521b0
| Forum Opties | |
|---|---|
| Forumhop: | |
| Hop naar: | |