Als kind van een jaar of elf ging ik met mijn ouders in de zomer naar de recreatieplas waar we ieder jaar naartoe gingen. Ik zwom dan altijd van de strandzijde van de plas naar de overkant, waar een rietkraag was, om daar met enige moeite aan de kant te klimmen en met een glimlach van trots op mijn gezicht te zwaaien naar mijn familie aan de overkant. En soms zwaaiden ze zelfs terug.
Zo ook die ene dag. Toen ik me echter aan de steile kant omhoog probeerde te trekken, met mijn nagels diep in het gras, bleef ik met mijn zwembroek een beetje haken in een rietstengel. Terwijl ik probeerde om de omgebogen rietstengel los te trekken keek ik opzij en zag daar tot mijn grote schrik een in een verregaande staat van ontbinding verkerend lichaam. Ik kon niet zien of het van een man of een vrouw was. Van schrik liet ik het gras los en viel bovenop het lichaam, dat in het water omrolde en mij onder water duwde. Toen ik weer boven kwam keek ik recht in het aangevreten gezicht; het prachtige witte gebit was nog onaangetast, maar de lippen eromheen waren volkomen verdwenen. Datzelfde gold voor de ogen. Ik keek diep in de twee met gras, modder en maden gevulde oogkassen. Volledig in paniek geraakt begon ik in het water met mijn armen te zwaaien, het lukte me niet meer om een geluid uit mijn keel te persen maar de vele spetters die ik al zwaaiend omhoog stuurde werkten als kleine morseberichtjes richting mijn vader die vrijwel direct het water in sprong en mijn kant op zwom.
Op dat moment voelde ik dat ik langzaam mijn bewustzijn verloor. Eerst begonnen mijn oren te piepen en kort daarna werd het zwart voor mijn ogen. Ik probeerde nog iets vast te pakken in de hoop dat ik niet naar de bodem van de plas zou verdwijnen, maar tevergeefs. Hetgeen ik vastpakte brak af als een soppige soepstengel. Ik hield het stevig tussen mijn armen geklemd terwijl ik de hoop opgaf en het borrelende water langzaam maar zeker tegen mijn oren voelde drukken.
Wat er vanaf dat moment gebeurd is heb ik van anderen moeten vernemen. Mijn vader is als een soort Pieter van den Hoogeband op me afgezwommen, heeft me op de plek waar ik onder water zakte weer opgevist, zag natuurlijk het lichaam en heeft de autoriteiten gewaarschuwd.
In shocktoestand ben ik naar het ziekenhuis vervoerd. Mijn lichaam was helemaal verstijfd, maar gelukkig was ik niet lang onder water geweest, anders had ik dit niet na kunnen vertellen. In het ziekenhuis kwam men er pas achter dat ik continu mijn armen stevig tegen me aangedrukt hield. Toen men mijn armen eindelijk met veel moeite uit elkaar had weten te krijgen ontdekten ze wat ik al die tijd had vastgehouden. Een mensenhand.
Aan de hand van die hand heeft men uiteindelijk het lichaam kunnen identificeren, er zat namelijk een gouden ring om met daarin de inscriptie: "Voor Anton, ik zal altijd van je blijven houden. -Coby." Het bleek te gaan om de gepensioneerde wiskundeleraar, filatelist en notoire ringendief Herman Sjorremans die al ruim een half jaar vermist werd nadat een schele scholekster met volle vaart tegen zijn slaap was aangevlogen, dhr. Sjorremans in verwarde toestand achterlatend. De scholekster was er naar verluidt nog slechter aan toe. Ik ben zelfs nog uitgenodigd voor de crematie, maar ik vond dat een beetje teveel gedoe voor zo'n simpele scholekster.