Napoli – Perugia 2-0 (slot)
15 april 2006
Napoli, la nostra unica fede. Napels, ons enige geloof. La nostra unica fede is een wekelijkse column over de wedstrijden van voetbalclub Napoli. Na het faillissement speelt het ooit machtige Napels voor het tweede seizoen in de hel van het betaalde voetbal, de Serie C. De trotse Napolitanen willen maar een ding. Zo snel mogelijk terugkeren in de Serie A. Ter vergelding van al die jaren vernedering door de rest van Italië.
Franco Carraro houdt het papier in zijn hand. Hij trilt. Het is zaterdag 15 april, de middag breekt aan. Franco schudt nogmaals zijn hoofd. Hij zit al de hele morgen aan zijn lange dinertafel in de riante villa. Hij weet nog goed de dag waarop hij voor het eerst gearmd met zijn vrouw door de grote poort doorliep. Ze lachte de hele dag, een nieuw paradijs. Hij had het gevoel aan een nieuw, een tweede leven te beginnen. En nu…zijn hoofd buigt weer naar het papier. Rechtsboven de datum, 12 augustus 2004. Het persbericht van de Italiaanse voetbalbond, zijn bond. Zijn trots, in de afgelopen jaren heeft hij met succes nieuwe reglementen opgesteld die onverbiddelijk zijn ingevoerd. Binnen de bond respecteert men Franco Carraro vanwege zijn harde en onverzettelijke karakter, daar is hij altijd tevreden mee geweest. De letters van het persbericht zweven voor zijn ogen:
SOCIETA’ NON AMMESSE AI CAMPIONATI
PROFESSIONISTICI 2004-2005
S.S. Calcio Napoli S.p.A preso atto che, con sentenza del 30 luglio 2004, pubblicata in data 2 agosto 2004, il Tribunale di Napoli ha dichiarato il fallimento della S.S. Calcio Napoli S.p.A.;
Die twee zinnen waren de grote doorbraak in zijn carrière. Het verwerpelijke Napoli werd voor eens en voor altijd verwijderd uit de competities van de voetbalbond. Hij herinnert zich de krantenkoppen, de aandacht op televisie, het commentaar van vrienden. Ze zeiden dat het niet kon, dat niemand het lef had om de gehate en gevaarlijke Napolitanen naar de voetballoze hel te sturen. Hij kon het en deed het. Augustus 2004 staat in Franco’s geheugen gegrift als de meest machtigste dag uit zijn leven. En vandaag? Hij laat het papier los. Zijn vingers spreiden zich. Het vel papier dwarrelt in de prullenmand. Hij voelt de hand van zijn vrouw op zijn schouder. Ze weet dat hij het moeilijk heeft.
Om drie uur zet Franco Carraro de televisie aan. RAI International. Behalve Napolitanen kijken supporters over de hele wereld mee. Afrika, Zuid-Amerika, de Verenigde Staten. Als de wedstrijd begint weet hij dat Napoli vandaag niet tegen Perugia speelt. Er kan vandaag maar één tegenstander verliezen. Hij. Het stadion is bijna vol. Hij ziet vijftigduizend uitzinnige Napolitanen op de tribunes. Een unicum voor de Serie C. Een sprankje hoop gloort nog in zijn lichaam. Als Napoli niet wint, dan is het vooralsnog geen kampioen. En is hij de winnaar, althans vandaag. Zoals vorig jaar, toen Napoli op de laatste speeldag de promotie naar de Serie B verspeelde. Tegen vrienden hield hij vol medelijden te hebben met de stad en haar voetbalgekke inwoners, maar de huilende Napolitanen op de tribunes maakte dat hij zich machtiger dan ooit voelde. Hij dompelde de stad een tweede jaar onder in de donkere krochten van de Serie C. Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht. Soms maakt hij zich zorgen over dat gevoel, over die adrenaline in zijn lijf.
Traditiegetrouw speurt hij op het scherm de tribunes af, op zoek naar anti-Carraro spandoeken. Anderhalf jaar heeft hij wekelijks boetes van duizenden euro uitgedeeld aan Napoli vanwege een levensgroot spandoek met zijn portret afgebeeld en de woorden “Carraro infame” (Carraro schande!). Franco zakt tevreden terug in zijn stoel, het hangt er weer niet. Op zich deed het spandoek hem weinig, sterker nog, hij voelde zich op een vulgaire manier wel geëerd door de negatieve aandacht van die gevaarlijke groepen supporters. Maar hij was de president van de voetbalbond, niemand die zonder zijn toestemming hem tegensprak.
De boetes hadden niet het gewenste effect. De voorzitter van Napoli, Aurelio de Laurentis, was het met de supporters eens en betaalde de boete week na week uit eigen zak zonder een woord te reppen over het weghalen van het spandoek. Franco schudt zijn hoofd, hij kan maar niet begrijpen hoe mensen zo nonchalant met hun geld kunnen omgaan. In de herfst, tijdens de uitwedstrijd in Lucca, had hij er genoeg van. Vanuit zijn designzetel belde hij naar het stadion en beval de scheidsrechter de wedstrijd niet te beginnen voordat het spandoek werd weggehaald. Het spandoek verdween. Tijdens de eerste bondsvergadering gaf hij een pamflet uit. “Iedere wedstrijd met spreekkoren en/of spandoeken tegen zijn persoon wordt onmiddellijk gestaakt.” De supporters van Napoli, zijn ergste vijanden, gehoorzaamden.
Na vijf minuten zet Franco Carraro zijn breedbeeld televisie uit. Hij kan het niet meer aanzien. De sfeer in het stadion is feestelijk, de zon schijnt en de azuurblauwe shirts van Napoli schitteren blauwer dan ooit tevoren. Besluiteloos sloft hij door de kamer. Uiteindelijk stapt hij in zijn tuin en begint afwezig wat te schoffelen. Plots hoort hij kreten uit het dorp, Napoli heeft gescoord, 1-0. Hij gooit de schoffel op de grond en loopt terug naar het huis en het scherm. In zijn zetel beraadt Franco Carraro zich op zijn toekomst. Hij is bang voor Napoli in zijn competities. Hij is bang voor de terugkeer van het grote voetbal in Zuid-Italië. Met tranen van woede en machteloosheid dwingt hij zichzelf de gifbeker helemaal leeg te drinken en naar het scherm te kijken. Die mentaliteit heeft hij altijd al gehad, dat wilskrachtige, dat hij zijn vader hem nog geleerd.
In het stadion maakt men zich op voor de overwinning. Niet voor de 2-0 overwinning op het nietszeggende Perugia. In het stadion maakt men zich op voor de overwinning van een twee jaar durende wedstrijd. Leider B. van de Curva B maant een moment ieder tot stilte. Hij staat op zijn ladder, hoog boven de twintigduizend koppen van zijn vak. Hij spreekt door de megafoon:
“Ragazzi, luister.”
De hoofden draaien zijn richting uit. Het wordt stil.
“Het was een bikkelharde wedstrijd.”
B. kijkt naar de hoofden. Ze knikken. Er is twee jaar geleden. Op de achtergrond gaat de wedstrijd door. De wedstrijd is niet meer belangrijk.
“We hebben gestreden. We hebben gestreden in louter slechte tijden. We hebben gespeeld in Sora, in Martina Franca, in plaatsen waar Napoli niet hoort te spelen.”
De supporters in het vak mompelt instemmend. Er heerst een gevoel van opluchting, maar ook een gevoel van het nieuwe begin.
“We zijn vernederend door de politie, door Italië en we hebben in stilte en met waardigheid gestreden tegen Franco Carraro. Tot vandaag.”
B. laat een moment zijn megafoon zakken. Dan lijkt hij opnieuw de energie uit zijn woede te halen.
“Vandaag lijdt Franco Carraro de nederlaag van zijn leven. We keren terug naar hem en naar zijn competities die we zullen veroveren met onze vereende krachten!”
Vanuit de Curva klinkt toestemmend geschreeuw. B. wijst naar zijn assistenten en er worden grote kartonnen dozen over de Curva verspreidt. Een paar minuten later staat het San Paolo op. Een staande ovatie voor de Curva B. Over de gehele lengte van de tribune zijn levensgrote spandoeken ontvouwen. “CARRARO INFAME”, staat er te lezen. Het portret van de grijsaard toornt in het hart van de Curva. De beelden gaan de wereld over. Dit is het signaal van een onoverwinnelijk volk. Dit is het signaal van de Napolitanen aan de wereld. Niemand is machtiger dan Neapolis, dan Partenope, niemand is sterker dan de woede van een vernederde Napolitaan. B. kijkt over zijn machtige vak en voelt de miljoenen televisiekijkers in zijn rug. Hij voelt zich plots alleen, alleen midden op het veld van een leeg San Paolo. Hij draait zich om. In het doel staat een trillende Franco Carraro. B. lacht. Er ligt een bal op de penaltystip. Met een vlammende schot schiet hij de bal in de kruising. Carraro duikt de andere kant op. Hij heft zijn vuisten in de lucht en kijkt in de vlammende Napolitaanse zon. “GOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOL’.
Franco Carraro springt uit zijn zetel. Hij probeert woedend een telefoonnummer in te toetsen. Hij is laaiend, wil het liefst alle toetsen tegelijk indrukken. De televisie op de achtergrond zoomt in het stadion. Ontelbare spandoeken met zijn naam. Met zijn naam die ten schande wordt gemaakt. Hij trekt wit weg, dit kan niet, hier kijkt de hele wereld mee. Eindelijk gaat de telefoon over. De bondsvertegenwoordiger in het stadion pakt op.
“PRONTO?!”
Het kabaal op de achtergrond is enorm. Franco houdt vlug de hoorn een stuk van zijn oor.
“Marco? Marco Gardelli?”
“JA, DAT BEN IK. FRANCO?’
“Ja Franco hier. Hoor je me?“
„ERG SLECHT, HET LAWAAI HIER IS ENORM“
‘Je moet onmiddellijk de wedstrijd laten staken, hoor je me?”
“WAT?”
“JE MOET STAKEN!’
“Ja, ik hoor je. Maar Franco, staken?”
‘Staken zeg ik je. Staken nu onmiddellijk. Hoor je me Marco?”
“JA, MAAR FRANCO…..IK BEDOEL, HET IS HIER NAPELS. IK BEDOEL ZE WINNEN TOCH. HET IS KANSLOOS, GEEF HET OP FRANCO. ER ZIJN HIER 50.000 MAN, ZE VERMOORDEN ONS!’
“STAKEN! NU!”
Met rood aangelopen hoofd slaat Franco Carraro de hoorn op de haak. Op televisie ziet hij de scheidsrechter de bal pakken en naar de kant lopen. Franco balt zijn vuisten. “Hij staakt. Hij staakt!!”. Hij schreeuwt het uit. Zijn vrouw komt uit de keuken. Ze kijkt zorgelijk. Zo heeft ze haar man nog nooit gezien. Gespannen kijken ze naar het scherm. De spelers en trainer van Napoli storten zich om de scheidsrechter die langs de zijlijn staat.
En dan recht het stadion haar rug. In plaats van de spandoeken te verwijderen, klinkt er een boodschap. Een boodschap diep uit het hart van 50.000 Napolitanen. “WIE NIET SPRINGT, IS FRANCO CARRARO”. Het stadion beeft, 100.000 paar voeten springen op hun stoelen. De jongen van de straat, de man met de nostalgische herinnering aan Maradona, de hooligan van de Curva A, de vieze man die cola en nootjes verkoopt. San Paolo springt. Napels springt. De scheidsrechter kijkt rond. Hij heeft geen keuze. Liever werkloos dan levenloos. Hij blaast op zijn fluit. De wedstrijd wordt hervat. De laatste minuten van Napels in de Serie C breken eindelijk aan.
Franco Carraro zet de televisie uit. Hij staart voor zich uit.
“Het worden zware jaren vrouw. Zware jaren.”
Hij knikt en wrijft over zijn kin.
“Zware jaren.”
Op de straten van de stad is het verleden uitgewist. De Serie C en ook het kampioenschap worden verbannen uit ieder hoofd. Napels heeft weer een voetbalclub. Op piazza Caritá spreek ik een willekeurige Napolitaan aan. In zwaar gebroken Italiaans vraag ik hem hoe het met de voetbalclub Napoli is gesteld. Het antwoord is het nu.
“Dit jaar spelen in de Serie B, maar volgend jaar spelen we zeker weer in de Serie A.”
Het nu in Napoli is de toekomst van het verleden.
FORZA NAPOLI, LA NOSTRA UNICA FEDE! (slot)