Tjonge das toch weer de helft minder lastering richting Here God en zijner uitverkoren mensenkinderen, van 7/8 pagina's naar 4...
Eigenlijk wou ik eergister avond (al) reageren, maar het bleek dus niet te vergeefs dat er via de geest doorkwam dat het nog niet de juiste tijd was.
Want hoe dan ook het liep (na pagina 5) al de spuitgaten uit wat betreft de lasteringen en de afgunst, hooghartigheid, en wrok, en dan met name in de richting van zondigende Christen jongeren.
En de laksheid van bepaalde blauwgeletterde individuen stelt mij ook zéér teleur immers ipv neutraal te blijven bemerkt ik vooral enig (uit vrouwelijke psyche voortkomend) vals sentiment.
En hoe sommige ongelovigen , laat staan sommige goddeloze het ook uitkramen van plezier en genoegen omdat zij menen niet als enige naakt te zijn in het aangezicht van rechtvaardigheid tja...
Zij, de spotters en de lasteraars zijn op zulk moment zonder aanklager in het aangezicht richting Here God.
Bij elke zin die zijn bedenken in hun geest voor/tijdens/na het typen ervan.
En zij zullen dus elke keer, dag in dag uit, bij elkander opgeteld, het mensenleven lang *sparen*, endus zo VOLLE pond dienen te betalen voor hun handelingen op de dag van hun *persoonlijk geplannede en ingeroosterde oordeel.
En wie dit bovenstaande dus leest en wat gemeld word zondermeer begrijpt, hoeft zich niet persé teneergeslagen te voelen.
En dan met name door zulks als hier in deze thread, eerst 7 toen 4 pagina's, méér dan ruimschoots word afgestoken richting gelovigen.
Alsof het een openbare en luidruchtige afkeuring betreft van "dan met name" (door zwakte van geloof onstane) 'mis'stappen van gelovige jongeren..
Deze zelfde jongeren die echter wel met hun zelfde zondigende aangezicht voor Here God zijn zullen ondanks hun misstanden vergeving echter wel vergeving van zonden vinden door hun Raadsheer Jezus Christus, immers voor de zondes door de jeugdigen begaan, is Hij, Here Jezus Christus, mede aan het kruis genageld door eenzelfde geest(en) die onder de goddeloze(n) heers(t)en.
En helaas voor de (toen en nu eveneens) 'armlastige' ongelovigen is Superman, de Paus, of Bea aan het kruis genageld, nimmer en nooit (goed) genoeg als zuiver offer tot genoegdoening jegens Here God.
Want wie is zondevrij mens (genoeg) en kan zo voor de zonden door (on)gelovigen, onder de mensheid begaan, goedmaken ?
Endus zal geen enkele ongelovige, laat staan moderator enig geldend excuus aan kunnen brengen wanneer zij hun doodstrijd voorbij zijn en in het gerecht gedaagd worden als geest der ziel, welk zij bezitten en behandeld hebben het naar juist enof onjuist geweten.
Immers vergeet niet... (en kijk vooral naar hen die de dood van het lichaam uitermate vrezen in de ogen wanneer zij sterven) gij zult onherroepelijk ooit te zien krijgen waarover ik spreek.
En dat angst voor het donker welk de mens (van nature) bezit, dan zondermeer niet ongegrond is en zeker wel waar mogelijk is weggelegd voor hen die zondigen zonder ooit in gewetensnood te geraken door hun gedragingen jegens 3den.
Laat staan dat er dus zijn die niet tot erkenning (wensen) te komen ongeacht hoevaak zij ook geroepen worden, en dat Hij allen oordeelt, zowel uitverkorenen als goddelozen oordeel en veroordeling verschaft.. vóór, tijdens en ná leven in het lichaam moge duidelijk (genoeg) zijn.
Wee hun die een plan diep voor de HERE verbergen,
wier werk in de duisternis geschiedt en die zeggen:
Wie ziet ons en wie kent ons?
O, deze verkeerdheid van u!
Of moet de boetseerder op één lijn gesteld worden met het leem,
zodat het maaksel van zijn maker zou kunnen zeggen:
Hij heeft mij niet gemaakt? en het boetseersel van zijn boetseerder:
Hij heeft geen verstand?
Hoort Mij zwijgend aan, gij kustlanden, en laten de natiën nieuwe kracht putten;
laten zij toetreden en dan spreken; laten wij tezamen in het gericht gaan.
Wie heeft hem uit het oosten verwekt, dien bij elke schrede de zege ontmoet?
Wie levert volken aan hem over en doet hem koningen vertreden,
wiens zwaard hen maakt tot stof, wiens boog hen maakt tot dwarrelende stoppels?
Hij vervolgt hen, hij gaat ongedeerd voort op een pad dat hij nog nooit had betreden.
Wie heeft dit bewerkt en tot stand gebracht?
Hij, die de geslachten van de aanvang af heeft geroepen; Ik, de HERE, die de eerste ben, en bij de laatsten ben Ik dezelfde.
De kustlanden zagen het en werden bevreesd; de einden der aarde sidderden, zij naderden en kwamen nabij; de een hielp de ander en zeide tot zijn makker: Houd moed!
De werkman bemoedigt de goudsmid; wie met de hamer plet, bemoedigt degene die op het aambeeld slaat, en hij zegt van het soldeersel: Het is goed.
Daarop bevestigt hij het met spijkers, opdat het niet wankele.
Zo zegt de HERE, de Koning en Verlosser van Israël, de HERE der heerscharen:
Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is er geen God.
En wie is als Ik – hij roepe het uit en verkondige het en legge het Mij voor – daar Ik toch het overoude volk in het aanzijn riep; en hetgeen er in de toekomst gebeuren zal,mogen zij verkondigen.
Weest niet verschrikt en vreest niet.
Heb Ik het u niet van oudsher doen horen en verkondigd?
Gij zijt mijn getuigen: is er een God buiten Mij?
Er is geen andere Rots, Ik ken er geen.
Zij, die beelden vormen, zijn allen ijdelheid:
hun dierbare maaksels brengen geen baat, zijzelf zijn er getuigen van,
dat zij niets zien en niets weten, zodat zij beschaamd staan.
Wie vormt een god en giet een beeld, waarvan hij geen baat heeft?
Zie, al de aanhangers daarvan zullen beschaamd staan; de werklieden zijn slechts mensen:
laten zij bijeenkomen en zich opstellen, zij zullen verschrikt worden en beschaamd staan tevens.
De smid heeft een bijl en werkt in de kolengloed en vormt het (beeld) met hamers en bewerkt het met zijn krachtige arm; zelfs duldt hij de honger, totdat hij geen kracht meer heeft;
en drinkt geen water, totdat hij amechtig wordt.
De timmerman spant het meetsnoer en tekent de omtrek af met de stift,
bewerkt het (beeld) met de schaaf,
tekent met de passer de omtrek af en maakt het naar de beeltenis van een man,
naar een pronkstuk van een mens, om in een huis te wonen.
Hij velde ceders voor zich en nam een steeneik of een eik en kweekte die voor zich op onder de bomen des wouds, plantte een pijnboom, en de regen deed die groeien.
En dat dient de mens tot brandhout; hij neemt daarvan en warmt zich,
ook steekt hij het aan en bakt brood; ook maakt hij er een god van en buigt zich neder;
hij maakt er een gesneden beeld van en knielt daarvoor neer.
De helft daarvan verbrandt hij in het vuur; bij die helft eet hij vlees,
braadt een gebraad en wordt verzadigd; ook warmt hij zich en zegt:
Ha, ik word warm, ik merk vuur.
En het overblijfsel verwerkt hij tot een god, tot zijn gesneden beeld, knielt daarvoor neer,
buigt zich, aanbidt het en zegt: Red mij, want gij zijt mijn god!
Zij hebben geen kennis en geen inzicht, want hun ogen zijn dichtgestreken, zodat zij niet zien;
hun harten, zodat zij niet begrijpen.
Niemand neemt dit ter harte, niemand heeft kennis of inzicht, zodat hij zegt:
De helft daarvan verbrandde ik in het vuur, ook bakte ik op zijn kolen brood, ik braadde vlees en ik at; zou ik dan van zijn overschot een gruwel maken, zou ik neerknielen voor een blok hout?
Wie zich met as bezighoudt, die heeft zijn bedrogen hart verleid; hij redt zijn leven niet en vraagt zich niet af: Is er geen bedrog in mijn rechterhand?