Uitkijkend in het heelal zien wij objecten, zoals sterrenstelsels, van ons af bewegen waar we uit kunnen concluderen dat het heelal aan het uitdijen is. Vanuit ons gezichtspunt gezien lijkt het alsof wij in het middelpunt van deze uitdijing staan, alles beweegt immers van ons vandaan. Dit is echter niet het geval: de uitdijing kun je vergelijken met een krentenbrood dat rijst in de oven, de krenten komen steeds verder van elkaar te liggen maar voor iedere krent lijkt het alsof hij het middelpunt is omdat hij alles van zich af ziet bewegen. We kunnen de uitdijing van het heelal het beste zien als een schaalvergroting: er wordt continu nieuwe ruimte aangemaakt tussen de sterrenstelsels die zelf stilstaan. Op deze mannier bewegen alle objecten van elkaar af. Aannemend dat het beeld van het uitdijende heelal juist is, kun je ook concluderen dat er een punt in de geschiedenis van het heelal moet zijn geweest waarbij het veel kleiner moet zijn geweest. De Russische geleerde George Gamov was de eerste die zich dit realiseerde. Hij bedacht dat met het terugdraaien van de tijd, de dichtheid en de temperatuur van het heelal veel groter moeten worden. Dat betekende volgens hem dat op het tijdstip nul de dichtheid en de temperatuur oneindig groot moesten zijn geweest. Dit punt staat bekent als de "geboorte" van het heelal: de Big Bang. Vanaf het moment van deze "oerexplosie", waarvan men nu nog niet weet hoe deze precies heeft plaatsgevonden, is het heelal gaan uitdijen en dus gaan afkoelen, tot de toestand waarin wij het nu zien.
Door de uitdijing van het heelal te bestuderen kunnen we een schatting maken van de leeftijd van het heelal (of wel hoe lang geleden de Big Bang plaats vond). De eerste die dat heeft gedaan was de ontdekker van de uitdijing van het heelal: Edwin Hubble. Door snelheden en posities van veel sterrenstelsels te bepalen kwam hij op een leeftijd van ongeveer 10 miljard jaar. Recenter onderzoek wijst uit dat de leeftijd van het heelal ergens tussen de 10 en de 20 miljard jaar moet liggen.
Het belangrijkste bewijs voor de theorie van de Big Bang is de aanwezigheid van de "achtergrond straling" die ontdekt is in 1964 door Penzias en Wilson. Op het moment dat het heelal ongeveer 10000 jaar oud is en een temperatuur heeft van zo'n 4500 graden kunnen de fotonen (straling) plotseling vrij door het uitdijende heelal bewegen. Daarvoor was het heelal te heet voor de fotonen om ongestoord te kunnen reizen: door verstrooiingen wordt de baan van de fotonen steeds van richting veranderd. Vanwege de roodverschuiving (de fotonen bewegen in een uitdijend heelal, dus vanwege de schaalvergroting; het heelal is sinds die tijd ongeveer 1500 keer groter worden wordt ook de golflengte van de fotonen groter) zien wij deze straling nu met een temperatuur van ongeveer 3 graden boven het absolute nulpunt.
Of de uitdijing van het heelal voor altijd door gaat hangt af van de totale massa in het heelal. Alle objecten (dus ook de sterrenstelsels) trekken elkaar aan door middel van de zwaartekracht. Als er nu maar genoeg massa in het heelal aanwezig is dan zou deze kracht er voor kunnen zorgen dat de uitdijing stil komt te staan of zelfs weer gaat omkeren. Dit laatste noemen we de Big Crunch, het heelal krimpt dan tot het punt dat het weer "verdwijnt". Het bepalen van de totale hoeveel massa in het heelal is een moeilijke klus, zeker als je je bedankt dat we alleen massa direct kunnen waarnemen als hij straling uitzendt. Recente onderzoeken tonen aan dat ongeveer 75 procent van alle materie niet zichtbaar is, en dat er bovendien waarschijnlijk niet genoeg materie in het heelal aanwezig is om de uitdijing te doen stoppen. Dat betekent dus dat het heelal voor altijd zal blijven uitdijen, en dat de Big Crunch nooit zal plaatsvinden.
De grote vraag die onbeantwoord blijft in elke theorie, ook die van de Big Bang, is waar dijt het heelal in uit, en wat was er voor het heelal ontstond. Dit zijn vragen waar we waarschijnlijk alleen maar over kunnen filosoferen
Zo doe je dat