Hallo allemaal.
Ik heb hieronder een stukje, waarbij het duidelijk wordt - waar wetenschappers, filosofen en ethici, maar ook de godsdienstigen, mystici en vrijdenkers hun tanden vaker-dan-eens er in hebben gezet en hele felle debatten en discussies daarover hebben gehad. Het gaat om de aloude thema's, die heden-ten-dage mensen confronteren, met hun bestaan. We weten maar bar en bar weinig over 'onze realiteit', maar een mens kan de keuze maken, om het toch te trachten te doorgronden, zonder ooit de hoop te hebben 'alles te kunnen weten'. Ik wil je er op attenderen, dat bewustzijn het meest mysterieuze is, wat is en bovendien, is er hoe-dan-ook, geen enkele verklaring, van hoe het komt, dat mensen, dieren en planten kunnen 'waarnemen'. De mechanistische modellen van de academische wetenschap zijn hooguit als hulpmiddelen te beschouwen, maar het stupide idee, dat er alleen 'deze buiten-wereld' bestaat, is al lang en breed achterhaald. Realiteit blijkt ele en vele malen complexer te werken, dan we ooit vermoed konden hebben, het lijkt zo te bestaan, omdat we die realiteit 'zo waarnemen', namelijk via onze zintuigen, die in die realiteit thuis horen. Er zijn dus realiteiten, die we niet direct of helemaal niet kunnen waarnemen, maar dat wil nooit zeggen, dat ze 'niet (kunnen) bestaan'. Mijn conclussie luidt: dit is 'een realiteit' en niet 'de realiteit'. In latere stukjes, zal ik het zo duidelijk mogelijk proberen te verwoorden - en ik ben zeer zeker niet de enige, die daar zo over denkt en het zo aanvoelt.
BEWUST LEVEN IN HET HEELAL, ABNORMAAL OF GEWOON?
Aad Fokker
Het interdisciplinaire specialisme dat bekend staat als bio-astronomie houdt zich bezig met de vraag of er buiten de Aarde vormen van leven voorkomen en met de omstandigheden waaronder 'leven' kan ontstaan. Naar analogie van het leven op Aarde mag je aannemen dat de aanwezigheid van een planetenstelsel een noodzakelijke (maar lang geen voldoende!) voorwaarde is voor het ontstaan van enigerlei vorm van leven. Onze verwachting dat er talrijke planetenstelsels in het heelal voorkomen zal vermoedelijk binnen niet te lange tijd door waarnemingen bevestigd worden.
Of zich in zo'n geïdentificeerd planetenstelsel een planeet bevindt waarop leven tot ontwikkeling is gekomen, laat zich slechts gissen. De kans dat er in een willekeurig planetenstelsel intelligent leven voorkomt, is nog weer veel en veel kleiner. Wel zijn de mogelijkheden voor detectie van intelligent leven, gesteld dat het binnen niet te grote afstand van ons vandaan voorkomt (enkele tientallen lichtjaren?) relatief gunstig. Vooral als die intelligentie het in de ontwikkeling van zoiets als techniek verder gebracht heeft dan de mensheid, mogen we verwachten intelligibele signalen van zo'n beschaving te zullen opvangen. Wij zijn in het bijzonder met onze radiotelescopen goed in staat om heel zwakke radiofrequente signalen te detecteren. Er is dan ook een internationaal gecoördineerd project gaande, de "Search for Extra-Terrestrial Intelligence' (SETI), waarover in het congres in Val Cenis gerapporteerd werd (zie Sky & Telescope, Febr. '88, blz. 141). Het lag in de bedoeling om SETI vanaf 1992 met nog weer meer uitgebreide en geraffineerde middelen ter hand te nemen.
Hoe groot de kans van slagen van SETI is durft niemand te zeggen. Als er ooit intelligente signalen van een hoogontwikkelde buitenaardse beschaving gedetecteerd zullen worden, kan die ontdekking nog heel lang op zich laten wachten. We kunnen er alleen dit van zeggen: de kans is niet gelijk aan nul. De eventuele ontdekking van het voorkomen van buitenaardse intelligibele signalen zal een ongelofelijk opwindende aangelegenheid zijn. Men is al bezig afspraken te maken over de te volgen procedure a1s zo'n ontdekking zal worden gedaan: hoe de echtheid van die signalen zal worden geverifieerd en hoe het grote nieuws aan het wereldpubliek zal worden meegedeeld. En ook: hoe te vermijden dat er geharrewar ontstaat over de vraag wie, of welk team het voor het eerst gevonden heeft. Afgezien nu van de kans op dat verhoopte succes en van de technische en astronomische details rondom SETI, is er alle reden om over de mogelijkheid van het voorkomen van buitenaardse intelligentie na te denken. Ik wil een gedachtegang daarover aan U voorleggen.
Biogenese, een contingent gebeuren
Ons empirisch materiaal is zeer gering: we kennen maar één voorbeeld van intelligentie, en dat treffen we aan bij de mens. Met intelligentie bedoel ik het vermogen tot nadenken en doelbewust handelen. In deze zin beschikken de dieren dus niet over intelligentie. In het licht van wat we over de andere planeten van ons zonnestelsel en over het ontstaan van ons zonnestelsel weten en begrijpen, is het dankzij een gunstige combinatie van allerlei factoren toevallig zó gelopen, dat er op Aarde (intelligent) leven ontstaan is. Onder ietwat andere omstandigheden had dit even goed niet kunnen gebeuren en waren álle planeten levenloos gebleven. Met een deftig woord: de biogenese (en à fortiori de antropogenese) is een contingent gebeuren geweest, d.w.z. iets dat niet noodzakelijk zó in z'n werk had hoeven gaan. Nu kunnen we ervan uitgaan dat, als er al in sommige andere zonnestelsels leven voorkomt, het ontstaan daarvan al evenzeer het karakter van contingentie draagt. Verder is onze kennis omtrent de historie van het heelal solide genoeg om vast te stellen dat de omstandigheden gedurende enkele miljarden jaren na het optreden van de oerknal (de 'big bang') zo waren dat de mogelijkheid tot het ontstaan van levensverschijnselen volstrekt uitgesloten was.
Het had niet hoeven te gebeuren
Nu doet zich deze wereldbeschouwelijke vraag voor: Maakt het voor de hoedanigheid van het heelal eigenlijk iets uit, of er al dan niet in een verborgen 'nisje' van het heelal (intelligent) leven ontstaat? Ons voorstellingsvermogen heeft er geen moeite mee zich een heelal voor te stellen waarin nergens enigerlei vorm van leven voorkomt. Met de Aarde had het 'voor hetzelfde geld' anders kunnen uitpakken en astrofysisch gesproken had er helemaal geen leven hoeven te ontstaan. Ik zeg dit op een beetje een gekke manier graag zo: De meest briljante en geniale astrofysicus had, als hij/zij, zeg 2 miljard jaren na de oerknal het universum had bestudeerd, geen enkele aanleiding gehad om het optreden van zoiets als leven te zien aankomen, laat staan intelligent leven. Voor de diverse astrofysische processen en voor de structuur van het heelal maakt het inderdaad niets uit of er hier of daar wat leven voorkomt. De astrofysica houdt zich uitsluitend bezig met de onbezielde procesmatige fysische processen die zich in het heelal voltrekken. Zij onthult ons een fascinerend schouwspel, dat door de populair-wetenschappelijke literatuur voor leken toegankelijk gemaakt wordt.
Wat heeft de astrofysica ons te zeggen?
Maar in de sterrenkundige (populaire) tijdschriften wordt doorgaans niet ingegaan op de betekenis van al die wetenswaardigheden voor onze subjectieve belevingswereld. Hoe verwerken we de kennis die we hebben van sterevolutie, van interstellaire materie, van quasars enz. enz.? Natuurlijk is er het gevoel van onze eigen kleinheid ten opzichte van dat alles en is er verbazing over het feit dat we dat allemaal te weten zijn gekomen. Als we echter wat dieper tot ons laten doordringen wat de astrofysica ons leert over al die processen die zich in het heelal afspelen, dan komt de vraag op van het waartoe van dat alles en de vraag wat erachter steekt. De. astrofysica informeert ons uitsluitend over processen die zich blindelings, wetmatig voltrekken. In z'n grilligheid en gevarieerdheid wel boeiend, maar volstrekt onverschillig. Naar analogie kennen we op Aarde processen als aardbevingen, tropische cyclonen, vulkanische uitbarstingen e.d. die zich onvoorspelbaar en onstuitbaar voltrekken, meestal rampspoed brengend voor de mensen die de pech hebben daar nu juist op dat moment te vertoeven.
Interessant, wat wel en wat niet
Vanuit deze optiek bezien is er reden voor ons mensen om ons verdwaald en vreemd te voelen in een onbarmhartig heelal. Zoals een aardbeving op zichzelf niet interessant is, zo is er ook niets interessants aan bijvoorbeeld een supernova-uitbarsting. Gegeven de natuurwetten, de hoedanigheid van de elementaire deeltjes en de grootte van de natuurconstanten, moeten zulke supernova-uitbarstingen wel optreden, en als dat dan ook inderdaad gebeurt is dat in zekere zin niks bijzonders. Het zou kunnen zijn, en in het verleden is dat misschien wel eens gebeurd, dat er ooit in de nabijheid van de zon een supernova zal uitbarsten. Voor het leven op Aarde zou dat katastrofaal kunnen zijn. Een andere katastrofe, die waarschijnlijk ooit zal plaatsgrijpen, is de inslag van een planetoïde of een komeetkern, met een diameter van 5 à 10 km. Hoogstwaarschijnlijk heeft zo' n ramp zo' n 65 miljoen jaren geleden een einde gemaakt aan de aanwezigheid van de dinosaurus en andere reptielen op aarde. Maar er is geen instantie in het heelal die zich daarover zal bekreunen....
Astronomen en zij die zich voor sterrenkunde interesseren vinden het machtig interessant als er een supernova opvlamt, zoals dat in 1987 in de grote Magelhaense wolk gebeurde. Het wordt interessant gevonden omdat we met de moderne waarneemtechnieken die ons thans ter beschikking staan nog weer veel meer en betere gegevens over het supernova-fenomeen verkregen hebben, waardoor ons inzicht daarin aanmerkelijk verdiept wordt. We moeten ons echter realiseren (en dat is een stukje filosofie) dat de supernova 1987-a niet in zichzelf interessant is, maar dat het interessante ervan hierin schuilt dat het intelligente wezen, dat de mens is, aan de hand van dit toevallig optredende geval nog weer beter de aard van het supernova-verschijnsel leert begrijpen. Dat is interessant omdat het niet voor de hand lag, omdat. uit het oogpunt van onze natuurwetenschap, zo'n intelligent wezen eigenlijk helemaal niet tot aanzijn had hoeven komen.
Zo kom ik tot de constatering (die astronomen en sterrenkundig geïnteresseerden als ketterij in de oren zal klinken) dat het Universum, met alles wat zich daarin afspeelt, zoals en voorzover de astrofysica ons dat leert kennen, feitelijk niet interessant is!
De mens als beoordelende instantie
Ook hierbij moeten we enigszins filosofisch te werk gaan en opmerken dat 'interessant' een kwalificatie is die wij mensen ergens aan hechten. Toen er nog geen mensen waren (en dat was kosmisch gesproken tot nog maar heel kort geleden het geval), was het heelal er precies eender aan toe als nu. Het enige verschil met nu is, dat er toen nog geen intelligentie (althans op Aarde) was die het oordeel 'interessant' of 'niet interessant' kon vellen. Als we, zoals gezegd, ons een heelal kunnen voorstellen waarin nergens (intelligent) leven voorkomt en waarin ook de mogelijkheid tot het ontstaan van intelligent leven niet voorhanden is, dan moeten we feitelijk wel over zulk een heelal het oordeel 'niet interessant' uitspreken. Want dan ligt er in zo'n heelal geen enkele zin besloten, zo'n heelal is 'nergens goed voor', in wezen is het geen 'verrassend' heelal.
Een argument
Nu is het in werkelijkheid zo, dat er op minstens één plekje in het heelal, sinds nog maar zeer kort, een intelligentie ontstaan is. En sinds nog weer veel kortere tijd is die intelligentie te weten gekomen in wat voor soort universum zij zich bevindt. In het kader van mijn redenering mogen we zeggen dat op grond dáárvan (de verschijning van de mens als intelligent wezen) het heelal wel degelijk 'interessant' is. Dat klinkt erg antropocentrisch-pedant: dat het heelal z'n 'interessantheid' zou ontlenen aan het feit dat wij mensen met intelligentie begiftigd zijn. Zo kan het ook feitelijk niet zijn, want zoals gezegd: ten eerste had de Aarde onder ietwat andere omstandigheden van leven verschoond kunnen blijven en ten tweede had de biologische evolutie geen aanleiding hoeven geven tot het ontstaan van de 'homo sapiens'. Nu is het een onaannemelijke gedachte dat de interessantheid van het heelal zou afhangen van een zo toevallig gebeuren als de menswording op het planeetje Aarde. Aangezien echter dat onwaarschijnlijke nu eenmaal plaatsgevonden heeft (die intelligentie is er) mogen we dat als indicatie ervan opvatten dat het heelal inderdaad interessant is. Maar ons denken postuleert dan meteen dat die interessantheid niet afhankelijk kan zijn van het contingente gebeuren van het ontstaan van intelligentie op Aarde, maar dat het heelal fundamenteel interessant is. En dat impliceert dat de mogelijkheid van het ontstaan van intelligenties (van uiteenlopende aard, onze verbeeldingskracht ver te boven gaand) van het begin af aan om zo te zeggen 'ingebakken' zat in de gesteldheid van het Universum.
Het argument is dus, samengevat, dit: Met ons beoordelend geestelijk-intelligent vermogen postuleren wij dat het Universum een interessant Universum is, dat wi1 zeggen de hoedanigheid van het Universum is van dien aard dat er vroeg of laat onherroepelijk intelligentie zou verschijnen. Aangezien de verschijning van intelligentie hier op Aarde een contingent voorval is, impliceert dit dat op andere plekken in het Universum vormen van intelligentie tot ontwikkeling zijn gekomen en/of nog tot ontwikkeling zullen komen.
Een antropisch principe
Deze twee cursief geplaatste zinnen wil ik bij U introduceren als het antropisch principe van de tweede soort. Dat vergt enige toelichting.
In de literatuur is sinds enige tijd het zgn. antropisch principe in zwang. Dat principe is gebaseerd op de overweging dat wij mensen (en dieren) er op de Aarde nu eenmaal zijn. Dat feit op zichzelf legt tamelijk nauwe restricties op aan de mogelijke waarden van de diverse natuurconstanten, inclusief de massaverhou-ding proton/electron. Met andere woorden: als die waarden een beetje anders zouden zijn uitgevallen, had alles zich in het heelal zo afgespeeld dat de ons bekende aardse levensvormen überhaupt niet hadden kunnen bestaan. Het antropisch principe luidt nu als volgt: "Omdat wij mensen er zijn moeten de natuurconstanten zijn zoals ze zijn en moeten de elementaire deeltjes de eigenschappen hebben die ze hebben. Het had niet anders gekund." (zie hiervoor bijv. "Cosmic coincidences" door J. Gribbin en M. Rees, Bantam books 1989.)
Omdat in de gecursiveerde stelling over het voorkomen van intelligenties elders in het heelal het argument eveneens z'n uitgangspunt vindt in het fenomeen 'mens' (homo sapiens ), in het bijzonder in het feit dat de mens met een beoordelende intelligentie is toegerust, meen ik deze stelling als antropisch principe van de tweede soort te mogen introduceren (waarbij het oorspronkelijke antropisch principe als 'van de eerste.soort' kan worden aangemerkt.)
Een tegenwerping
Nu zoudt U zich kunnen verzetten tegen de aanmatigende manier waarop het antropisch principe van de tweede soort een postulaat oplegt aan het hele universum. Het komt er feitelijk opneer dat aangezien wij vinden dat het universum pas interessant wordt als er intelligenties zoals die van de mens in voorkomen, het dan ook maar zó moet zijn dat het hele heelal erop aangelegd is om zulke intelligenties voort te brengen. Tegen deze begrijpelijke tegenwerping wil ik inbrengen dat wij onze geestelijke vermogens bepaald niet laag hoeven aan te slaan. Ik wil daarbij wijzen op het opmerkelijke gegeven dat het vooral dankzij ons vermogen tot wiskundig denken is, dat wij de natuurwetten hebben kunnen formuleren en de berekeningen hebben kunnen maken waarmee wij deugdelijke verklaringen gevonden hebben van talrijke astrofysische verschijnselen (al is er ook nog veel onverklaard). Dat is werkelijk fantastisch. Het toont aan dat onze geestelijk-intellectuele vermogens aansluiting vinden bij de fysische gesteldheid van het heelal. Uitgaande van dit gegeven mogen we, dunkt me, vertrouwen erin stellen dat wij de plank niet misslaan, als we logisch-verstandelijk redenerend aan het ganse heelal een postulaat opleggen.
Complexificatie
Het antropisch principe van de tweede soort impliceert dat er in het heelal een tendens tot de creatie van leven is.'ingebouwd'. Die tendens kunnen we opvatten als een neiging tot complexificatie in de moleculaire sfeer. Microgolflijn-emissies, die radio-astronomisch vooral in en nabij lichtende gasnevels worden gevonden, worden toegeschreven aan overgangen tussen energieniveaus van onder andere tamelijk ingewikkelde moleculen, waarvan er sommige verscheidene C-atomen bevatten. Het onderzoek naar zulke moleculen is het onderwerp van de astrochemie. We zouden met recht kunnen vermoeden dat onder gunstige omstandigheden macromoleculen kunnen worden gevormd van het soort als waarmee de biochemie zich bezighoudt (zoals aminozuren). Onder nog weer meer gunstige omstandigheden zouden er wellicht micro-organismen (bacteriën) gevormd kunnen worden. En vandaaruit openen zich perspectieven naar hogere vormen van leven....
Zulke processen onttrekken zich aan de waarnemings- en detectiemethoden van de astrofysica. Hoe uitgebreid en gedetailleerd het gegevensbestand van de astrofysica ook moge zijn en hoeveel processen deze wetenschap inzichtelijk gemaakt moge hebben, misschien heeft dit nog maar betrekking op een klein deel van de 'story' die zich in het heelal afspeelt, en dan nog wel op het minst interessante deel van die 'story'. Het lijkt erop dat het kosmisch gebeuren, naast de voor de astrofysica inzichtelijke 'agenda', nog een 'verborgen agenda' eropna houdt waarin het ontstaan van levensverschijnselen geprogrammeerd is.
Een vraag zonder antwoord
Nochtans moeten we vaststellen dat het heelal, grosso modo, buitengewoon levens- en in het bijzonder mensonvriendelijk is. Wij mensen bevinden ons als het ware op een arkje van Noach in een onstuimig woeste zee. We houden het erop dat er méér zulke arkjes zijn, hoogst sporadisch, extreem zeldzaam. Waarom is die zee zo woest, m.a.w.: valt er enige bedoeling of zin te onderkennen in al dat astrofysische geweld, in de extreme omstandigheden van temperatuur, druk, dichtheid, magnetische veldsterkten, energieconcentraties? Nogmaals: waar is dat eigenlijk 'goed' voor? We zullen er, denk ik, in moeten berusten dat er op deze vraag geen antwoord is. Het is nu eenmaal zoals het is...
Of wij nu een grote uitzondering in het heelal uitmaken of niet, voor ons gevoel zijn wij alleen en op onszelf teruggeworpen. Al beseffen we dat we het zo-zijn van de kosmos en van onszelf niet kunnen verklaren, we kunnen het niet laten om een houvast te zoeken, ons een voorstelling van zaken te vormen teneinde enigszins in het reine te komen met het raadsel van ons bestaan.
Een quasi-houvast
Zulk een houvast vinden velen in de godsdienst. Van heel nabij kennen we de rechtzinnige variant van het christendom. Volgens die variant wordt de Bijbel opgevat als hèt gezaghebbende document waarin ons 'openbaring' wordt aangezegd: als uniek heilsfeit is het leven, sterven en opstaan van Jezus Christus de exclusieve bron des geloofs. Deze 'vleeswording' van het Woord is de centrale eenmalige gebeurtenis waarmee eens en vooral Gods bemoeienis met de wereld manifest geworden is. Dit was bijvoorbeeld het standpunt van de destijds welbekende ds J. Buskes in zijn polemiek met de vrijzinnige theoloog dr. A. de Wilde in Woord en Dienst (1957). Deze exclusieve opvatting valt natuurlijk niet te rijmen met de idee dat op tal van andere plaatsen in het heelal vormen van leven en mogelijk van ver gevorderde intelligenties voorkomen. Een. dergelijk houvast past dan ook niet in het moderne levensbesef.
Is het kwaad universeel
Mèt de godsdiensten kunnen we overigens niet om de vraag heen naar de status van het kwaad in het kosmische bestel. Is er een gezichtspunt van waaruit we het kwaad, dat we als oorzaak van onnoemelijk veel lijden in zo ontstellende mate in het humanum aantreffen, kunnen duiden in het licht van de vermeende drang tot complexificatie die het heelal doortrekt? Zo vroeg bijvoorbeeld de katholieke natuurfilosoof A. van Melsen zich af of buitenaardse bewuste wezens eveneens een door kwaad, onkunde en onmacht getekende geschiedenis hebben.
Bij het afschatten van het aantal technisch hoogontwikkelde beschavingen in het heelal wordt mede in aanmerking genomen de kwestie, hoe lang zo'n beschaving kan blijven bestaan. Want het kan zijn dat zo'n beschaving binnen niet zeer lange tijd (enkele duizenden jaren?) door zelfvernietiging te gronde gaat. Dat is althans iets dat ten aanzien van de enige technische beschaving die wij kennen, namelijk het mensdom, helemaal niet ondenkbaar is.
Stel eens dat wat wij als het kwaad beschouwen zich ook elders in het heelal manifesteert (in wat voor gedaante ook). Dan is dat kwaad allicht op te vatten als een tendens die misschien onvermijdelijk, overal en telkens de kop opsteekt waar de evolutie in z'n complexificerende drang leidt tot een àl te geavanceerde creatuur. Het kwaad zou dan corresponderen met zoiets als het falen, de mislukking of de afbraak. Zoals gezegd, is er een 'kwade kans' dat de Aarde opnieuw door een planetoïde zal worden getroffen. Zelfdestructie van de mensheid is, op een andere meer navrante manier, ook een 'kwaad'. Zoiets mag je de mislukking noemen van iets dat in aanleg mooi en goed had kunnen zijn. Het kwaad is destructief.
Het kwaad als drang naar wanorde
In de stoffelijke wereld zijn er de tegengestelde tendensen van wanorde en orde. Denk maar aan de wanorde van een supernova-uitbarsting en de ordening van een zich evoluerende levenherbergende planeet. Nu weten we dat in onze hersenen materie (of 'stof') en geest op een nog volstrekt onbegrepen wijze met elkaar interageren. 'Geest' lijkt een soort van tegenhanger te zijn van 'stof'. In zijn boek "Hersenen en Geest" (Swets & Zeltlinger, 1991) vat dr. H.J.Romijn stof en geest op als manifestaties van een submanifeste (diepere) zijnsorde. In deze visie zou er dan, naar analogie, ook in het geestelijke zich wellicht een antagonie afspelen tussen op 'orde' en op 'wanorde' gerichte tendensen. Wat wij in.het humanum als 'het kwaad' signaleren zou dan een aspect zijn van wat op universeel-geestelijk niveau het equivalent van wanorde is.
En zo waag ik dan als hypothese te stellen dat ook elders in het heelal, waar er maar manifestaties van bewust of intelligent leven voorkomen, ook altijd zoiets als 'het kwaad' daarmee gepaard gaat. Is er dan geen definitieve overwinning op het kwaad te verwachten? Zoals christenen geloven dat Jezus over het kwaad heeft gezegevierd? Ik denk dat we niet moeten denken in termen van overwinning- nederlaag. Misschien dat hier op aarde het kwaad in z'n meest afgrijselijke uitspattingen kan worden beteugeld, maar ik denk niet dat het uitgebannen kan worden. Het 'goede' zal het kwaad niet kunnen elimineren, maar wèl zal het, in tegenstelling tot het kwaad, op de een of andere manier beklijven, 'de eeuwigheid be-erven'. Maar dit is een geloofsopvatting.
"Awe" als kern van onze religiositeit
In deze beschouwing gaat het om een van de meest intrigerende kwesties waarmee ons denken zich kan inlaten. We komen er niet uit, maar dat hoeft ons niet te spijten of te verontrusten. Wel kan de reflectie over deze afgrondelijke zaken ons nog weer vervullen met een besef van eerbied, ontzag en huiver, drie gemoedstoestanden die in het Engels zo treffend met "awe" worden samengevat. Beter dan ons vast te klampen aan een zelf-geconstrueerd houvast is het, om die 'awe' over ons heen te laten komen en vandaaruit een vermoeden of een geloof te koesteren dat er iets met ons aan de hand is, dat het ergens om gáát, ook al kunnen we dat niet objectiveren. Of we begrepen hebben dat het ergens om gáát, dat kunnen we alleen maar door de praxis van onze leefwijze laten blijken.
http://home.worldonline.nl/~sttdc/jrg5_nr2_p3340.htm
Er kan geen volkomenheid bestaan zonder droefheid en verlangen, want zonder beiden bestaat er geen nuchterheid en mildheid. Wijsheid zonder mildheid en kennis zonder nuchterheid zijn dus nutteloos!