Etappe 13: Dole - Belfort, 205,8 kmDe grote vraag was of we twee massasprints op rij zouden krijgen en het antwoord leek al snel ja te zijn. Na een paar aanvalletjes in het begin van de rit reed Baptiste Veistroffer maar weer eens in z'n eentje weg uit het peloton. Hij kreeg een beperkte voorsprong en dat leek dan meteen het verhaal van de rit te zijn. Toch veranderde dag verhaal nog een beetje. Richting de tussensprint volgde er een versnelling en dus stelde de voorsprong van Veistroffer er niet voor. Dat zorgde ervoor dat een paar renners de oversteek durfden te maken, waardoor we niet veel later met vier koplopers te maken kregen. Bij die tussensprint wist Pedersen dan weer de sprint van het peloton te winnen, hij deed weer een goede zaak voor zijn groene trui. Ergens bijzonder dat hij die punten mag houden, want door helemaal van het midden van de weg op te schuiven naar rechts sloot hij de deur voor Philipsen. Ik vond het geen schandalig manoeuvre, maar de willekeur van de jury jeukt altijd. Pedersen komt met deze move weg, hij kreeg alleen een waarschuwing. Als Philipsen zo de deur had gesloten voor Pedersen was hij zijn punten meteen kwijt geweest. Of je iemand wel of niet straft hoort niet af te hangen van de reputatie van de renner, je moet objectieve criteria hanteren en die consequent toepassen. Je bent zoals het nu gaat afhankelijk van de bui van de jury, zoals dat ook het geval is als het gaat om de houding op de fiets. Dat is wel een beetje irritant en soms ook lachwekkend. Maar goed, we reden door en dat deden we een tijdje met vier koplopers. Een tijdje, niet zo lang. Vrij snel lieten twee renners weer lopen, even later haakte Costiou ook af en toen was Veistroffer weer alleen. De Fransoos steelt de show, al doet hij dat vooral in geschiedenisloze ritten. In het slot van de rit dreigde er eventueel toch enige geschiedenis te staan, op een kilometer of 30 van het eind kwamen we een paar klimmetjes tegen en daar besloot Lidl-Trek vol door te trekken. Quinn Simmons ging in de aanval, Vacek ging in de aanval, op een bepaald moment ging zelfs Skjelmose in de aanval. Iedereen ging in de aanval, inclusief Mads Pedersen. De zone van de aanvallen duurde een kilometer of 20 en in die 20 kilometer leek er een paar keer een mooi groepje weg te rijden. Een groepje met Ganna, om maar wat te noemen. Maarja, dan zat er weer een lul van Picnic bij die niet overnam, want wie weet heeft Bittner ineens de dag van zijn leven. Vooral Quick Step mocht aan het werk om alles te corrigeren vanuit het peloton, dat lukte uiteindelijk wonderwel.
Een mooie fase van een kilometer of 20 waarin we mochten hopen op een ander scenario. Een groepje dat naar de finish rijdt, en dan de sprinters die de zege mislopen. Het was even vermakelijk, maar aan het eind werd het na een paar domme aanvallen van Pedersen duidelijk dat we alsnog naar een massasprint zouden gaan kijken. Het was even gekkenhuis, maar het eindigde met een flopshow. Een dubbele flopshow zelfs, want we waren ook getuige van een lelijke val. Tot nu toe hadden we weinig lelijke valpartijen gezien, maar in deze sprint ging het ouderwets mis. Gaviria tikte het achterwiel van Van Mechelen aan en hij kwam ten val. Overal om hem heen vlogen er toen ineens renners door de lucht, onder meer een duo van Lotto kwam vliegend in beeld. Dat leverde voor Berckmoes een gebroken sleutelbeen op, zoals Gaviria zelf de Tour ook moet verlaten met een gebroken sleutelbeen. Scheelt dat er voor Gaviria nu toch geen kansen meer komen, maar alsnog, zonde. De topsprinters zaten voor de val, we gingen met alle grote kanonnen sprinten. Alpecin zette het treintje nu weer goed op de rails, maar na weer een goede lead-out van Van der Poel bleek opnieuw dat Philipsen het dit jaar simpelweg niet heeft. Niet dat hij slecht is, maar hij kan op dit moment niet op tegen Kooij. En al helemaal niet tegen Merlier. De Belg kwam weer ijzersterk opzetten en niemand had een antwoord. Geef hem een paar meter ruimte en hij rijdt bijna gegarandeerd naar de zege, heel sterk. De derde ritzege deze Tour voor Merlier, een hattrick! En dan was de familie er ook nog eens! Jules! Fantastisch! Leuk. Bijna een leuke rit, maar je eindigt toch weer met een kater. Achter Merlier zat alles wel mooi dicht bij elkaar, Kooij, Philipsen, Bini en Fretin mooi op een rijtje. Maarja, er steekt er eentje bovenuit, dus hebben we op dat vlak ook maar weinig spanning. Met wat mazzel was dit de laatste sprint, daar zijn de meningen een beetje over verdeeld. De meningen zullen ook vast verdeeld zijn over de volgende rit. Het lijkt een beetje een floprit, een rit met een lang vlak deel en dan een klimmetje op het eind. Klinkt niet echt als de Tour, klinkt ook niet echt als een garantie op spektakel, maar misschien krijgen we vandaag juist wel heel veel spektakel te zien. Je zou zeggen dat dit een dag voor de vlucht is, je zou ook zeggen dat minstens de helft van het peloton vandaag in die vlucht wil zitten. Dat moet dan maar een vermakelijk schouwspel opleveren, deze rit moet je absoluut vanaf het begin kijken. Het eerste uur hoort leuk te worden, al kan ik natuurlijk niets beloven. De renners maken de koers, na twee sprints is het tijd dat ze dat weer eens gaan doen. Een vluchtersrit, nemen we aan, doorgaans zijn dat de leukste ritten in de hedendaagse grote rondes.
![c2b32]()
![a97a7]()
De langste rit van deze Tour, een beetje een gekke rit, begint in Dole, een stad met ongeveer 25.000 inwoners in de Jura. Voor de vijfde keer maakt deze plaats deel uit van de Tour de France. Het debuut kwam in 1939, met een overwinning voor de Luxemburger François Neuens. Daarna duurde het wel een tijd voor de koers weer in Dole kwam, pas in 1992 was dat het geval. Toen fungeerde Dole als de startplaats van een rit met aankomst in Saint-Gervais, aan de voet van de Mont Blanc. Rolf Järmann wist toen te winnen, voor Perico Delgado. Vrij recent waren we ook nog eens in Dole, in 2022. Toen reden we van Dole naar Zwitserland, naar Lausanne om precies te zijn. Op een hellende aankomst daar wist Wout van Aert de sprint te winnen van Matthews en Pogacar. Wout, we missen u! Soverein in het groen toen, er stond geen maat op in die tijd. Tussendoor vertrokken we in 2017 ook nog eens vanuit Dole, voor een echte Jurarit. Aankomst bij het Station des Rousses, die rit werd een prooi voor de vluchters. We hoopten allemaal heel erg op Robert Gesink, maar de act Lilian Calmejane was hem te snel af. Ondanks opkomende krampen richting de finish wist Calmejane als eerste aan te komen in de buurt van Les Rousses, terwijl Gesink op respectabele afstand tweede werd. Guillaume Martin werd derde, vlak voor de aanstormende groep der favorieten. Dole is best een oude stad en in vroegere tijden was het nog een redelijk belangrijke stad ook. Zo was het ooit de hoofdstad van de Franche-Comté, in de tijd dat dit gebied nog niet bij Frankrijk hoorde. Dat Dole niet altijd bij Frankrijk hoorde was niet tot de zin van de verschillende Lodewijken die aan de macht zijn geweest in Frankijk. In 1479 werd de stad bijvoorbeeld volledig platgebrand door koning Lodewijk XI. Vonden de mensen in Dole niet zo leuk, dus begonnen ze een opstand. Een paar eeuwen later werd Dole opnieuw belegerd door de Fransen en na heel wat gevechten moesten de bewoners toch buigen voor de wil van Lodewijk XIV. Sinds de Vrede van Nijmegen hoort Dole bij Frankrijk en sindsdien is het hier een stuk rustiger. Zo rustig, dat een groot scheikundige en bioloog hier zonder problemen kon opgroeien. Dole is de geboortestad van Louis Pasteur, de bedenker van het pasteuriseren en ook de ontdekker van het vaccin tegen hondsdolheid. Nadat hij al die briljante ontdekkingen had gedaan werd de stad dan wel weer ingenomen door de Pruisen, maar verder bleef het hier toch redelijk gemoedelijk tot de Tweede Wereldoorlog. De Duitsers vonden het in 1940 wel een goed idee om de stad te bombarderen. Ondanks al deze vervelende gebeurtenissen staan er toch nog wat mooie gebouwen overeind in de stad. Zo is de kerk het aanzien waard, van de Collégiale Notre-Dame kan je een fraai plaatje schieten als je een goede plek zoekt langs de Doubs. Als je die rivier volgt kom je nog wel meer bouwwerken tegen. Zo staat er ondanks alle ontberingen nog steeds een Romeinse brug overeind. Aan de Doubs vinden we ook het Hôtel-Dieu, een voormalig ziekenhuis, gevestigd in een fraai pand. En dan heb je het Maison natale Pasteur nog, eveneens aan het water gelegen. Zijn geboortehuis, thans een museum. Eigenlijk gelegen in het mooiste stukje Dole, het Quartier des Tanneurs. Hier heb je allemaal leuke huisjes aan het water, heel gaaf. Met het Hôtel de Froissard kom je in het centrum ook nog een pand tegen dat een adellijke residentie was, er is zo her en der het een en ander te vinden waarvoor je bijna je telefoon uit je broekzak haalt om een fotootje te trekken. Langs de oevers van de Doubs start het peloton op de parkeerplaats van de lokale voetbalclub, in de stad van Hubert-Félix Thiéfaine. Dit is een zanger die wij niet kennen, maar in Frankrijk schijnt hij wel redelijk bekend te zijn. Vanaf de startplek hebben de renners zicht op de restanten van de Romaanse brug en op een restant van de oude omwalling. Een oude molen is er ook nog te vinden, dolletjes in Dole. De stad heeft een rijk verleden als vroegere hoofdstad van het Vrijgraafschap Bourgondië, al ziet de toekomst er misschien minder veelbelovend uit. In ieder geval komt de Tour regelmatig op bezoek, dat is dan weer hoopgevend. Een andere koers kwam hier ook met enige regelmaat voorbij, de Tour du Jura. Stefan Bissegger, toen nog niet eens prof, won hier in 2019 in die 2.2-wedstrijd, bijvoorbeeld. Eddy Planckaert won hier in 1985 in Parijs-Nice dan weer een rit. In de sprint klopte hij broer Walter, ja mannekes. In de Tour de l'Avenir van 2012 won Jay McCarthy dan weer een proloog in de straten van Dole. Hij werkte een parcours van vier kilometer een paar seconden sneller af dan Danny van Poppel en Tim Wellens, een top 10 vol renners die goede profs zijn geworden. Er valt vast nog meer over Dole te melden, maar hier redden we het ook wel mee. Tijd voor een banaan.
![ville-dole-eurovelo-6.jpg?itok=9kMTlBxi]()
![14736617231_15b047b32c_b.jpg]()
De renners beginnen aan een lange neutralisatie. Ze rijden dwars door het centrum van Dole heen en komen vervolgens langs de Doubs terecht. Deze rivier gaan we een eeuwigheid volgen, het duurt liefst 20 minuten voor Prudhomme met zijn vlag zal zwaaien. De rit gaat officieel van start op een niet eens al te brede weg langs de Doubs. Het kan wel eens een gek begin van de rit worden, ben ik geneigd te denken. Dit is op papier een rit voor de vluchters, het is te zwaar voor de sprinters en het lijkt niet zwaar genoeg voor de klassementsrenners. Na twee vlakke ritten achter elkaar zullen alle renners die in de vlucht willen genoeg krachten hebben gespaard om ten strijde te trekken. Aangezien het grootste deel van deze rit bijna volledig vlak is zal het voor die vluchters evenwel moeilijk worden om het verschil te maken. Een vluchtersgroep laten ontstaan op vlakke wegen blijkt vaak vrij ingewikkeld te zijn, het vormen van een vlucht is met zo'n vlakke aanloop nog wel eens een langdurig proces. De smalle weg in de eerste kilometers biedt enkele ploegen dan wel weer de kans om de weg snel af te zetten en zo een groep te laten vertrekken. Ondanks die mogelijkheid schat ik in dat het vandaag zo maar eens een uur kan duren voor de vlucht vertrokken is, misschien is het zelfs zo'n rit dat we er een kilometer of 100 mee bezig zijn. De eerste anderhalve kilometer van deze etappe rijden de renners over de smalle weg langs de Doubs, vervolgens fietsen ze het dorp Falletans binnen. Hier wordt het bij een passage over een brug nóg wat smaller, bovendien komen we in dit nogal primitief ogende dorpje enkele bochten tegen. Een heuse haarspeldbocht, zelfs. In deze bocht loopt het een beetje omhoog, helemaal 100% vlak wordt deze aanloop dan toch ook weer niet. Een goed moment voor een eerste demarrage, al is het geen sinecure om hier iemand uit je wiel te rijden. We laten Falletans snel weer achter ons en komen dan opnieuw langs de Doubs terecht. De weg naar de Doubs toe loopt een beetje omlaag en kent ook nog wel een venijnig bochtje, terwijl we om ons heen vooral veel velden vol mais en hooibalen zien. In de buurt van Rochefort-sur-Nenon komen we weer uit bij de Doubs en hier slaan we rechtsaf een bredere weg in, hier wordt het al iets lastiger om de weg te blokkeren. Het grote gevecht om in de vlucht terecht te komen kan hier echt gaan beginnen, dit gaat normaliter een tijd duren. Na een paar vlakke en vrij rechte kilometers over deze brede weg langs velden vol met niets komen we uit in het boerengehucht Éclans-Nenon, waar weer eens een keer een stevige bocht volgt. Dit boerengehucht beschikt overigens wel over een château, al kan dat ding wel een likkie verf gebruiken. Voorbij Éclans-Nenon wordt de weg weer iets smaller, over die smalle weg karren we enkele kilometers zo goed als rechtdoor langs wat maisvelden richting Our. Als we dat dorpje bijna bereiken zien we de Doubs een tijd duidelijk in beeld liggen, één verkeerde stuurbeweging en je kunt je opmaken voor een frisse duik. Eenmaal in Our slaan de renners linksaf om vervolgens de Doubs over te steken en Orchamps te bereiken. In Orchamps komen we na 13 kilometer koers een rotonde en wat vluchtheuvels tegen, buiten het dorp rijden we een aantal kilometer over de brede Rue de la Libération langs de andere kant van de Doubs. Toch een tijd wat smallere wegen in die eerste kilometers van de rit, dat vind ik wel opmerkelijk. Maar goed, nu gaan we 12 kilometer een brede weg langs de Doubs volgen, tot in Saint-Vit. De weg voert door wat dorpjes heen, waar enig straatmeubilair te vinden is. Verder maken we voorlopig eigenlijk weinig mee, al loopt de weg in aanloop naar het dorpje Dampierre wel een kilometer aan 3% omhoog. Spannender dan dat wordt het niet in deze aanvangsfase, het gaat echt een hels karwei worden om je hier in de vlucht te glibberen. Het zicht op de Doubs is leuk, verder is het geen inspirerende omgeving, laat staan een inspirerende route. Voor de dorpjes hoef je het ook niet te doen, in een plek als Ranchot is het hoogtepunt dat ze een rotonde hebben. Veel meer kan ik er niet van maken. Het enige positieve punt aan deze negatieve route is dat je dus een mooi eerste uur kunt krijgen, er moeten vandaag toch wel een stuk of 100 renners zijn die in de vlucht van de dag willen zitten. Als er een stevige klim in het begin te vinden is ontstaat daar meestal de vlucht en zijn ze vaak ook vertrokken, dat ligt hier net even anders. Al was ergens een klimmetje tussendoor geen overbodige luxe geweest, mijn hemel. Maar goed, we passeren wat onbeduidende dorpjes en tussen die dorpjes in zien we vooral veel boerenland, terwijl de weg grotendeels recht, breed en vlak is. Na 25 kilometer komen we uit in Saint-Vit, waar we het departement
Jura achter ons laten en heel toepasselijk het departement van de Doubs betreden. De rivier schittert tijdens het begin van deze rit, het departement mag niet achterblijven. In Saint-Vit is blijkbaar de Franse kampioen Romain Gregoire opgegroeid. Dacht altijd dat hij uit Besançon kwam, maar opgegroeid in Saint-Vit dus. Een passage in eigen dorp!
![3772-Al5j59oa4n76j66k-986ad09aeafb3b22abe5.jpg?height=1000&width=1500]()
![1920px-Ranchot%2C_le_village_au_bord_du_Doubs.jpg]()
Na 25 kilometer bereiken we dus Saint-Vit, een plaats die zich bevindt op een kruispunt van wegen! In de Gallo-Romeinse periode kruisten hier de wegen tussen Vesontio (Besançon) naar Lyon en van Antorpe naar Osselle. Goed om te weten, me dunkt. Tegenwoordig is het een plaatsje waar vooral veel forensen wonen die werken in Besançon, het geheel geeft ook een ietwat slaperige indruk. Op dit kruispunt van wegen slaan we na wat voorafgaand bochtenwerk in het centrum bij een rotonde scherp linksaf, waarna de renners weer een tijd vooral rechtdoor mogen rijden. Buiten Saint-Vit loopt de weg kort omhoog, richting Ferrières-les-Bois mogen we zelfs een volle kilometer aan 4% noteren, jawel! Nog steeds geen echte klim, maar goed, het is in ieder geval iets. Het gaat zelfs een halve kilometer aan 6% omhoog, nou, toe maar. Na 25 kilometer koers met waarschijnlijk slag om slinger demarrages is dat wel even een lekker pukkeltje om gebruik van te maken. We komen boven in het kleine dorpje Ferrières-les-Bois en tussen de huizen in begint er meteen een korte afdaling. We slingeren door dit nietige plaatsje heen, waarbij de renners vooral even moeten opletten voor een wegversmalling. Buiten het dorp is de weg weer breder, we rijden een bos binnen en hier is de afdaling vrij snel voorbij. Het zal hierna weer een paar kilometer zo goed als vlak zijn, op een tamelijk bochtige passage in het dorpje Corcelles-Ferrières na is de weg verder ook een tijd lang behoorlijk recht. In Corcelles-Ferrières ligt ook weer een stevige wegversmalling, als het tijdens deze rit lang duurt voor de vlucht vertrokken is sluit ik een valpartijtje links of rechts ook niet uit. Buiten dit dorpje is het weer recht, saai, vlak, dat soort dingen. Na 35 kilometer koers bereiken we Lavernay, een dorpje dat weinig om het lijf heeft. Wel weer wat bochtenwerk hier, maar voor de verandering een keer geen wegversmalling. Buiten Lavernay gaan we op dezelfde manier verder, we rijden over een brede en vrij rechte weg op een vlakke manier door een agrarisch decor. In de omgeving zien we wel wat heuvels liggen, maar de route die we volgen kent weinig hoogtemeters. Via dorpjes zonder bestaansrecht als Franey en Recologne zetten we koers richting Marnay. Buiten Recologne komen we op een nog bredere weg terecht, die weg voert rechtdoor naar Marnay. Een kilometer of vier rijden de renners volledig rechtdoor, onderweg komen ze wel wat vluchtheuvels tegen. Ze passeren ook een keer een geinig kapelletje, een van de spaarzame hoogtepunten op de route. Al komt er nu wel een soort van hoogtepunt aan, na 40 kilometer rijden we Marnay binnen en dat is best een aardig dorpje. We verruilen hier tijdelijk het departement Doubs voor het departement Haute-Saône. In dit departement vinden we aan het riviertje de Ognon het oude plaatsje Marnay. De renners gaan zien dat dit een oud plaatsje is, ze rijden via een brug over de Ognon en dan volgt er een passage met een stevige wegversmalling en wat bochtenwerk in het oude centrumpje. Het wordt weer even technisch, je moet er iets voor over hebben om mooie plaatjes te schieten. In Marnay stond ooit een flink kasteel, daar is alleen niet veel van over. Daarom rijden we even verder, we laten het centrum achter ons, laten daarna Marnay als geheel achter ons en fietsen enkele kilometers langs de Ognon richting Pin. In en rond Marnay is het even wat bochtiger, weldra wordt de weg weer recht. Vrij vlak ook nog steeds, vrij breed ook weer inmiddels. Via Brussey, een dorpje vol drempels en bouwvallen, bereiken we in een omgeving die wat meer bomen kent na 50 kilometer het dorpje Pin. In Pin staat een kicken kasteel, dit exemplaar heeft de tand des tijds goed doorstaan.
![Marnay%2C_le_ch%C3%A2teau_cot%C3%A9_Ognon.jpg]()
![Pin%2C_le_ch%C3%A2teau.jpg]()
In Pin hebben we toch al mooi een kwart van de rit achter de rug. Zonder het fraaie kasteel alhier daadwerkelijk in beeld te zien verschijnen knallen we rechtdoor, zonder veel obstakels tegen te komen. Voorbij Pin komen een aantal kilometer helemaal niets tegen, gewoon een brede, rechte en zo goed als vlakke weg door niemandsland. Het wordt pas weer spannend als we het volgende dorp bereiken, Chambornay-lès-Pin. Hier liggen een paar wegversmallingen en er staan wat paaltjes, opletten dus. Je zou niet zeggen dat dit verkeersremmende maatregelen nodig zijn in zo'n klein dorp, maar blijkbaar wel. Na de korte passage in dit veredelde gehucht rijden we dan weer een paar kilometer op een gezapige manier verder naar Étuz, een dorp dat we na 57 kilometer bereiken. Er ligt een heuse chicane op de renners te wachten in dit dorp, en er liggen wat lelijke drempels. Ook dit dorpje laten we snel weer achter ons, om dan opnieuw een paar kilometer over brede, rechte en zo goed als vlakke wegen afwisselend door de bossen en langs weilanden te fietsen. De weg brengt ons naar het volgende dorp, Boulot, ook in dit dorp komen we een kasteeltje tegen. Een rotonde, drempels, wat bochten en een wegversmalling, dat ook. Bij het verlaten van Boulot rijden we langs het kasteel, eindelijk eentje dat daadwerkelijk in beeld komt. Voorbij het kasteel volgen er weer enkele niksige kilometers in het niks, waarna we na 64 kilometer koers uitkomen in Boult. Van Boulot naar Boult, kom er maar op. Hierna Bult of Boul? Dat dan weer niet, helaas. Wel Sorans-lès-Breurey, een dorpje dat we niet zonder slag of stoot bereiken. Sowieso moeten we eerst Boult zien te overleven. In dit dorpje, waar ook weer een kasteeltje te vinden is, komen we zoals te doen gebruikelijk in al deze dorpjes een flinke wegversmalling tegen. Eenmaal buiten het dorp rijden we een tijdje langs wat weilanden af, voor de weg in een bos ineens omhoog begint te lopen. De weg loopt twee kilometer aan 3% omhoog, maar richting de top van dit korte hellinkje komen we wel een halve kilometer aan 6% tegen. Het kan zijn dat de vlucht tegen deze tijd nog steeds niet te vertrokken is, als we geluk hebben is dat het geval. Maakt een floprit dan toch nog enigszins kijkbaar, weet je wel. Nouja, dan is dit na dik 60 kilometer inmiddels wel het moment om de beslissende slag te slaan. Als er na een stuk of duizend aanvalspogingen nog mannen zijn zonder pijnlijke benen kunnen ze op dit korte hupje de rest op de pijnbank leggen. Al verwacht ik na deze teksten dat de vlucht al veel eerder gaan vliegen is. Na dit korte knikje, het stelt natuurlijk allemaal weer geen reet voor, dalen we kort af door het bos richting Sorans-lès-Breurey. Dat levert eigenlijk geen bochtenwerk op, al komen we beneden wel een ietwat merkwaardige wegsplitsing tegen. Voorbij deze wegsplitsing ligt er achter de bomen nog een klein kasteeltje verstopt, ze hebben er hier meer dan genoeg. Voorbij dit verstopte kasteeltje rijdt het peloton dan weer een paar kilometer rechtdoor over een brede en vlakke weg, tot we na 72 kilometer Rioz bereiken. In dit plaatsje komen we kort achter elkaar vier rotondes tegen, en toch ook weer een wegversmalling. Het meest bijzondere aan Rioz is dat ze hier een Colruyt hebben. Of nee, dat is niet helemaal waar. Uit Rioz is namelijk Laurent Mangel afkomstig, een voormalig prof die voor ploegen als AG2R en FDJ reed. In 2011 reed hij dan weer voor Saur-Sojasun, namens die ploeg mocht hij dat jaar de Tour rijden. Toch maar mooi twee zeges als prof, een ritje in de Ronde van Wallonië en een rit in de Ronde van Langkawi, dan kun je wat.
![Boulot%2C_le_ch%C3%A2teau.jpg]()
![53265651313_8ce92bee85_b.jpg]()
Buiten Rioz loopt de weg even een tijdje wat vals plat omhoog, waarna er ook even een korte afdaling volgt tot we uitkomen in het dorpje Anthon. Hier komen de renners weer de nodige wegversmallingen tegen, het recept blijft zich herhalen. Buiten Anthon wordt de weg weer breed, op een licht glooiende manier rijden we vervolgens een kilometer of zeven verder tot het volgende dorp, Loulans-Verchamp. Je kunt in deze strook van zeven kilometer een paar knikjes omhoog en omlaag waarnemen, zo gaat het buiten Anthon weer een keer een kilometer aan 4% omhoog, maar nog steeds zit er niet meer spanning en sensatie in. We rijden hier overwegend door de bossen, een tijdje doen we dat op het grondgebied van de gemeente Cirey, waar net iets van de route af een abdijtje te vinden is. Merken we weinig van, de bomen staan in de weg. Zonder veel memorabele momenten komen we na 83 kilometer uit in Loulans-Verchamp, een dorpje van niets dat uiteraard wel weer is gezegend met de aanwezigheid van een château. In Loulans komen we een tweetal bochten tegen, naast een passage over een wat smallere brug. Voor we het in de gaten hebben verlaten we dit plaatsje weer, om vervolgens vijf kilometer zo goed als rechtdoor te rijden tot in Montbozon. Richting dit dorpje loopt de brede weg steeds een beetje vals plat omhoog, maar dan wel dusdanig vals plat dat geen renner er iets van zal merken. Misschien merken ze er meer van dat het terrein in de strook tussen de dorpen in bijna volledig open is, kan natuurlijk van belang zijn mocht het gaan waaien. Al weten we inmiddels hoe het deze Tour werkt, veel wind zal er niet staan. Als we na 88 kilometer Montbozon betreden volgt er in het dorp een korte afdaling, volgens een bord langs de kant van de weg gaat het hier zelfs aan 9% naar beneden. Dat maakt de wat smallere en licht bochtige passage in het centrumpje enigszins technisch, al valt het wel mee. In Montbozon staat natuurlijk ook weer een château, net ten noorden van de route die de renners volgen kom je ook nog een gave fontein tegen. Buiten Montbozon loopt de weg een kilometer of twee licht omhoog, daarna dalen we een kilometertje af in een bos, waarna we een kilometer of zes over een zo goed als vlakke weg verder mogen rijden. Gedurende deze oninteressante tocht rijden we over de Ognon heen, waarna we de Haute-Saône verlaten en de Doubs weer betreden. We rijden in de Doubs langs een oude smederij, Forge de Montagney. Ding stamt blijkbaar uit 1500, in de 18e eeuw produceerden ze hier dan vooral weer kanonskogels, als ik de officiële site van de Tour mag geloven. Ik denk dat we het voorlopig van dit soort feitjes moeten hebben, de rit is verder gewoon niet zo boeiend. Terug in de Doubs komen we even verderop uit in Rougemont, een dorpje met een leuk kerkje. Ook een dorp met een leuke middeleeuwse toren, de renners rijden langs dat ding af als ze zich door het smalle centrumpje van Rougemont hebben gewurmd. Toch alweer 97 kilometer afgewerkt hier, bijna op de helft van de rit! In Rougemont hadden we overigens nog een kort klimmetje mee te pakken, het historische centrum van dit plaatsje ligt op een heuvel, maar nee, we rijden mooi om die heuvel heen. Het mag niet te leuk worden, natuurlijk.
![Montagney%2C_vue_g%C3%A9n%C3%A9rale_de_la_forge.jpg]()
![fr-610sc-3-25680-rougemont-porte-vieux-moulin-po4-1.jpg]()
Buiten Rougemont komen we op een weg terecht die de naam Petite Prairie draagt, dat vat de vibes hier wel een beetje samen. De komende 12 kilometer tot in Villersexel rijden we weer over vergelijkbare wegen, vooral een tijd langs open velden met soms wat werk in de bossen tussendoor. Af en toe rijden we ook nog door een klein dorpje heen, zo volgt er een wat smallere passage in Cubrial. In die omgeving ligt ook weer een kasteel, verder voegen we voor de volledigheid ook maar toe dat we ook nog een keer een kilometer aan 4% tegenkomen. We passeren een keer een verdwaalde rotonde en komen ook een keer wat vluchtheuvels tegen, maar verder is dit een buitengewoon simpele route. Op de passages in de dorpjes na steeds brede en behoorlijk rechte wegen, deze rit sleept zich voort. Als we na 110 kilometer uitkomen in de omgeving van Villersexel hebben we het departement Doubs weer verlaten en zijn we terug in Haute-Saône, er wordt wel stevig aan departementhopping gedaan vandaag. In Villersexel ligt een rotonde, daarnaast hebben ze er een fraai kasteeltje liggen. De mooiste tot nu toe, ben ik geneigd te zeggen. Dat kasteel zien we overigens niet liggen, zoals we überhaupt weinig van Villersexel zien. We rijden langs het dorp af, eigenlijk pakken we alleen het lokale industrieterrein mee. Voorbij Villersexel rijden we tien kilometer over dezelfde weg, een weg die zowaar nog breder is geworden. Een perfect geasfalteerde weg, die wat lichte glooiingen kent. Vooral veel groene weides hier, en nog steeds af en toe een bosje. Weer een korte passage in een dorpje tussendoor, maar eigenlijk kun je deze tien kilometer schriftelijk afdoen. Na 120 kilometer bereiken we Vy-lès-Lure, een klein dorpje in de buurt van Lure. Van Vy-lès-Lure gaan we ook naar Lure fietsen, op een zo goed als rechte en ook zo goed als vlakke manier. In Vy-lès-Lure is het even opletten voor wat vluchtheuvels, maar dat is dan ook meteen het enige. Over de provinciale weg rechtdoor, enerverend is het niet. Halverwege deze twee plaatjes komen we in Magny-Vernois nog wel wat extra vluchtheuvels en een rotonde met een kleine molen in het midden tegen, als je die passage vergeet kun je met je ogen dicht naar Lure rijden. Vlak voor we Lure bereiken zien we op een bord langs de kant van de weg staan dat er in de buurt een kapel te vinden is die is ontworpen door Le Corbusier. Blijkt in de praktijk nog wel een aardig eindje verderop te zijn, maar toch. Notre Dame du Haut in Ronchamp, voor de liefhebbers van Le Corbusier, als ze bestaan. Zonder meer oponthoud komen we na 126 kilometer uit in Lure, zo ongeveer voor het eerst deze rit betreden we een echte stad. Op 80 kilometer van de aankomst komen we hier het een en ander aan bochtenwerk tegen, naast wat vluchtheuvels, paaltjes, een spoorwegovergang en meer van dat soort zaken. Je moet er iets voor over hebben om deze bijzondere stad te bezoeken, al zou het voor de wielerliefhebber vooral een beruchte stad moeten zijn. In principe stelt Lure niets voor, het vormt vooral een van de toegangspoorten tot de Vogezen. Vanuit Lure kun je aan een tocht over de vele ballonnen in de omgeving beginnen, we pakken er vandaag vast eentje mee en morgen doen we er meerdere. Verder moeten ze het hier vooral van de industrie hebben, en een bescheiden dienstensector is ook aanwezig. Maar, in 2020 veranderde alles. In dat merkwaardige coronajaar ging er in Lure een tijdrit van start. En wat er toen gebeurde...
![chateau1-1.jpg]()
![lure_9.jpg]()
![EiTDO0PWoAkAuV2.jpg]()
SPOILER
Om spoilers te kunnen lezen moet je zijn
ingelogd. Je moet je daarvoor eerst gratis
Registreren. Ook kun je spoilers niet lezen als je een ban hebt.Nouja, de laatste foto geeft het natuurlijk al weg. Op de voorlaatste dag van de Tour van 2020 ging er een tijdrit van start die zou eindigen boven op La Planche des Belles Filles. Primoz Roglic begon die dag in de gele trui en de verwachting was dat hij niet meer in de problemen zou komen. Een piepjonge Tadej Pogacar had zeer sterk gereden, maar het lag niet voor de hand dat hij Roglic zou verslaan, laat staan dat hij meer dan een minuut sneller zou zijn. Het ging die dag alleen helemaal mis voor Roglic en voor Jumbo-Visma. We denken aan een paniekerige Merijn Zeeman op een campingstoeltje langs het parcours, we zien de verbijstering van Dumoulin en Van Aert voor ons, we zien de scheve helm op het hoofd van Roglic en we zien een mijnwerker in een witte trui die alles en iedereen op een hoop rijdt. Pogacar had de tijdrit niet eens verkend, hij bleef de hele dag op zijn hotelkamer liggen en toen reed hij iedereen regelrecht de vernieling in. Tot ontsteltenis van Dumoulin, die tweede werd die dag. Dumoulin dacht dat hij goed had gereden, maar Pogacar was meer dan een minuut sneller. Achteraf konden we horen hoe ongeloofwaardig Dumoulin dit vond. Pogacar zat volgens hem als een mijnwerker op zijn fiets, het was onmogelijk dat hij zoveel sneller was. Roglic werd die dag slechts vijfde, op bijna twee minuten van Pogacar. Geen eerste Tourwinst voor Roglic, hij gaf op een onwaarschijnlijke wijze het geel uit handen aan zijn piepjonge landgenoot. Wat mij betreft is dit zo'n beetje de zwartste dag in het wielrennen ooit. Dit was het begin van het eind. Wat Pogacar die dag deed was zijn eerste echte buitenaardse prestatie. Dat was het moment geweest om hem in de kiem te smoren. Op dat moment had de UCI nog kunnen ingrijpen. Dat lieten ze na, sindsdien kijken we naar de meest bizarre en meest onleuke dominantie ooit. Het einde van onze geliefde sport begon hier, in Lure. In Lure lieten we ons in de luren leggen, zes jaar later trappen we er nog steeds in. Een van de meest bizarre Tourontknopingen ooit begon in Lure, op een dag die toch vooral de dag van Thibaut Pinot had moeten worden. Pinot werd geboren in Lure, waarna hij opgroeide in Mélisey, een paar kilometer verderop. Tijdens de tijdrit in 2020 reden we van Lure naar Mélisey, om vervolgens via de Col de la Chevestraye naar La Planche des Belles Filles te karren. La Planche des Belles Filles en de Chevrestaye slaan we vandaag gelukkig over, maar we gaan wel dezelfde weg als in 2020 volgen richting Mélisey. Men had de ijdele hoop om Pinot hier in het geel te zien passeren, maar hij bakte er die Tour niets van. In tegenstelling tot een jaar eerder haalde hij in ieder geval wel de finish, waardoor hij tenminste door zijn eigen dorp mocht rijden. Ook vandaag denken we weer aan Thibaut Pinot, een van de grootste Franse lievelingen van de afgelopen jaren wordt nog heel snel even in het zonnetje gezet voor Frankrijk hem is vergeten omdat men nu Seixas heeft. In Lure ging twee jaar na een van de meest beruchte tijdritten uit de wielergeschiedenis in de Tour de France Femmes een rit in lijn van start, die eveneens zou eindigen op La Planche des Belles Filles. ONZE Annemiek van Vleuten had een dag eerder de gele trui veroverd, maar zij deed geen Roglicje. Nee, ze deed er nog een schepje bovenop, ze reed Demi Vollering nog een keer op een hoop en zo pakte ze haar tweede ritzege op rij. De gele trui was daardoor definitief binnen, de logica werd dat jaar wel gerespecteerd in Lure. Tijd om terug naar de rit te gaan, net als in 2020 gaan we dus van Lure naar het Mélisey van de familie Pinot rijden. We verlaten Lure via een weg die een kilometer zo goed als rechtdoor zal gaan, waarna we kort achter elkaar drie rotondes tegenkomen. Bij de eerste rotonde gaat het schuin naar links, bij de tweede schuin naar rechts en bij de derde rechtdoor. Voorbij die laatste rotonde gaat het een kilometer of drie rechtdoor tot in Saint-Germain. We rijden over een brede weg die deels door een bos loopt. In het bos gaat het licht omhoog, eenmaal buiten het bos gaat het een kilometer lichtjes naar beneden. In Saint-Germain pakken we vervolgens wat flauwe bochtjes mee, maar ik denk niet dat de renners hier veel hoeven te sturen. Hooguit opletten voor een drempeltje, dat is het wel. Buiten het dorp wordt het nog makkelijker, het gaat vijf kilometer vooral rechtdoor richting Mélisey. Aan de rand van Saint-Germain komen we een rotonde tegen waar amper gestuurd hoeft te worden, daarna dus rechtdoor naar Mélisey. Een klein stukje vals plat omhoog, maar het is vooral vlak. Aan de buitenrand van Mélisey komen we weer een rotonde tegen, een wat flinkere variant. Na deze rotonde rijden we rechtdoor Mélisey in, op een flauwe bocht naar rechts na. We fietsen langs het Collège des Mille Étangs, de voormalige school van Thibaut Pinot. Zijn gezicht hing in 2020 pontificaal op een spandoek aan de muur, ze zijn in Mélisey bijzonder trots op hun meest bekende inwoner. Thibaut woont hier uiteraard nog steeds, op zijn boerderij. Tijdens zijn carrière stal hij al vooral de show met zijn filmpjes waarin hij gezellig met zijn geitjes aan het spelen was, dat is na zijn carrière alleen maar verder uit de hand gelopen. Naast het runnen van zijn eigen boerderij runt hij tegenwoordig ook een B&B. De echte fan kon een smerige smak geld op tafel leggen om tijdens deze rit een dagje door te brengen met Thibaut. Overnachten in zijn B&B, waarna je samen met hem de koers mag volgen in de karavaan en zelfs een helikoptervlucht schijnt onderdeel van de ervaring te zijn. En dan krijg je de dag erna nog deze uitsmijter: Picknick aan het meer en vertrek: je brengt een laatste ochtend door in het huisje van Thibaut aan het meer en geniet van een picknick voordat je vertrekt. Goed dat ze het meer noemen, we bevinden ons hier in het gebied van de duizend vijvers, Les Mille Étangs. Allemaal piepkleine vijvertjes, als de helikopter een beetje in vorm is levert dat mooie plaatjes op.
Volledigheidshalve even het ronkende persbericht van AirBNB. Paar mooie foto's erbij, je ziet meteen dat dit verblijf iedere cent waard is.
![EAUhIRsX4AEHjWA.jpg]()
![images?q=tbn:ANd9GcRs-YrAOMAcc4K2UuhL0ZEt1ooOPG2QZyc9G92X6FEG9w&s=10]()
![01_Airbnb_ThibautPinot_TourdeFrance_phAnnaHuix.jpg?resize=2048,1365]()
Volledigheidshalve moeten we natuurlijk ook nog melden dat Régis Pinot, de vader van Thibaut, al 100 jaar burgemeester is van Mélisey. Hij is blijkbaar nog steeds populair, want hij is dit jaar begonnen aan een nieuwe regeerperiode van zes jaar. Minstens tot 2032 zwaait Régis hier met de scepter, de familie Pinot heerst in Mélisey. Julien Pinot heb je overigens ook nog, de broer van Thibaut.
Head coach bij Groupama-FDJ, gezien de prestaties van die ploeg verdenk ik hem ervan een
fraud te zijn. In het Mélisey van de familie Pinot vinden we na 138 kilometer de tussensprint van de dag, vlak voor we langs het niet al te fraaie gemeentehuis rijden. Voorbij dit behoorlijk lelijke gemeentehuis rijden de renners een paar bochten tegemoet. Scherp bochtje naar links en daarna een makkelijkere naar rechts, vervolgens verlaten we Mélisey en rijden we een tijd verder door het land van de duizend vijvers, al is het nadeel voor de renners dat de vijvers niet direct langs de kant van de weg te vinden zijn. Thibaut Pinot heeft een van die vijvertjes dus gekocht, ergens snap je wel waarom hij relatief vroeg is gestopt. Niet slecht om hier wat meer tijd door te brengen, nadat je flink je zakken hebt gevuld. Het gaat twee kilometer vooral rechtdoor over een brede en vlakke weg, alleen wat flauwe bochten onderweg. Als de rivier Ognon in beeld komt zien we ook een bruggetje in beeld verschijnen, hier sloegen de renners in 2020 rechtsaf om vervolgens te beginnen aan het lastige deel van de tijdrit. Via de Chevestraye naar La Planche des Belles Filles, ditmaal staan er andere Vogezenklimmetjes op het programma. We slaan nu niet rechtsaf over de brug, nee, we rijden rechtdoor en volgen de Ognon nog een tijd. Ik voel me zowaar een gezegend mens, eindelijk een keer geen La Planche des Belles Filles als we in de Vogezen zijn. Want ja, daar zijn we nu. We nemen nu niet de afslag naar de Chevestraye, maar rijden rechtdoor in de vallei op weg naar een andere Vogezenklim, eentje die we de afgelopen jaren ook al vaker hebben zien verschijnen. Ter hoogte van Belonchamp, een dorpje waar wat vluchtheuvels liggen, geen bocht naar rechts, nee, we knallen rechtdoor en zo gaan we op weg naar de Col des Croix. De rit gaat nu écht beginnen, deze atypische, gekke rit. Een rit met 150 vlakke kilometers om daarna twee stevige beklimmingen zien te verschijnen en vervolgens een aankomst bergaf, dit is niet het typische profiel voor een Tourrit. Dat is ergens wel een keer leuk, het biedt kans op andere scenario's dan we gewoon zijn. In Belonchamp rijden we rechtdoor over een brede weg, er liggen hier wel een hoop drempeltjes ook. Buiten het dorp krijgen we dan weer zicht op de Vogezen, in de verte liggen overal stevige heuvels, volledig begroeid met bomen. We moeten alleen nog wel een kilometer of negen wachten voor we de eerste heuvel daadwerkelijk gaan bedwingen, voorlopig volgen we de loop van de Ognon en langs dit riviertje is het relatief vlak. Van Belonchamp rijden we naar Servance en onderweg passeren we in Ternuay. Tussen Belonchamp en Ternuay rijden we vooral langs wat weilanden af, met dus zicht op de bergen. In Ternuay liggen er wat bochtjes en wat vluchtheuvels, terwijl ze hier ook over een gek kerkje en een replica van de Lourdesgrot beschikken. En een bult oorlogsmonumenten, 't was in dit gebied koekenbak tijdens WOII natuurlijk. Buiten het dorp rijden we dan weer een paar kilometer verder rechtdoor over dezelfde, brede weg. Wat meer door de bossen nu, de weg begint ook al voorzichtig vals plat omhoog te lopen. Veel heeft dat niet om het lijf, maar het zal de renners duidelijk worden dat de rit op het punt staat serieus te worden. Na 149 rijden we door het kleine dorpje Servance, meteen weer zo'n dorpje met een typisch uiterlijk. We bevinden ons op de toegangsweg naar de Vogezen, dat zien we ook af aan de weg waar we overheen mogen rijden. De renners rijden over de Route des Vosges, duidelijk. In Servance denk ik automatisch aan Ballon de Servance, een van de vele beklimmingen in deze regio met ballon in de naam. Wij kennen vooral de Grand Ballon, en de Ballon d'Alsace gaat vandaag en morgen zelfs twee keer de revue passeren, maar de Ballon de Servance is ook leuk. Net iets te smalle weg voor de Tour, lijkt voorlopig het oordeel te zijn. We blijven hoop houden, desondanks. Geen Ballon de Servance voor ons, wel de Col des Croix. Voorbij Servance, voorzien van een kicken gemeentehuis en een waterval ligt hier ook in de omgeving, rijden we nog steeds rechtdoor verder over een brede weg, eentje die nu even anderhalve kilometer volledig vlak is. Vervolgens loopt de weg anderhalve kilometer vals plat omhoog, voor we de voet van deze Col des Croix bereiken. Niet dat we van weg veranderen, nee, de weg begint uit zichzelf ineens omhoog te lopen. In de bossen gaan we vijf kilometer klimmen aan 5%, de finale mag hier gaan beginnen.
![col-des-croix-servance.png?v=1600433976]()
![col-des-croix-servance-upload-4593-1024x0.jpg]()
![2016-10_-_Mairie_de_Servance_-_05.jpg]()
Na 157 kilometer komen de renners boven op de Col des Croix, een klim van de derde categorie. Na een lange vlakke aanloop in de vallei begint de brede weg langzaam vals plat omhoog te lopen, en daarna gaat het vijf kilometer vrij stabiel tussen de vier en vijf procent omhoog. De Route des Vosges blijft breed, het asfalt blijft goed en de omgeving wordt steeds groener. Door de bossen rijden we via een aantal flauwe bochten heel voorzichtig omhoog. Eigenlijk een klim van niets, maar je kunt er donder op zeggen dat het grote anticiperen in de kopgroep hier al gaat beginnen. Al kun je ook vandaag opnieuw niet uitsluiten dat UAE voor de zege gaat. Even doortrekken op de volgende klim, alle snelle mannen lossen en Pogacar het sprintje aan het eind laten winnen, wie zegt nee? Laten we dat toch maar niet doen, er komen hierna twee bergritten aan, gun de vluchters ook maar een keer iets. Op de top verlaten we het departement van de Haute-Saône en rijden we het departement Vosges binnen, nu zijn we écht in de Vogezen. Deze bergpas scheidt niet alleen de regio Grand Est van Bourgogne-Franche-Comté, maar ook het Noordzeegebied van het Middellandse Zeegebied, aldus de Franstalige Wikipedia. Ik lees daar ook dat er een kilometer ten oosten van de pas oude kopermijnen te vinden zijn, daarnaast vinden we in deze omgeving het fort Château-Lambert, gebouwd tussen 1875 en 1877 als onderdeel van het Séré de Rivières-systeem. Pak je zomaar even mee, net als de kennis dat we deze Col des Croix ook in de Tours van 2014, 2019 en 2022 hebben gezien. Toen wel steevast van de andere kant, iedere keer reden we omhoog vanuit Le Thillot om vervolgens af te dalen over de weg die nu voor het eerst als klim dient. Daarna reden we dan ook steevast door de vallei richting Servance, om voorbij Servance toe te werken naar La Planche des Belles Filles. Iedere keer weer, nu gelukkig een keer niet. De geschiedenis leert voorlopig dat je niet als eerste boven wil zijn op deze Col des Croix, zowel Simon Geschke, Thomas De Gendt als Joaquim Rodriguez zouden uiteindelijk niet als eerste boven zijn op de plank van de mooie meisjes. Op de top van de klim kun je overigens rechtsaf slaan om direct te beginnen aan de klim van Ballon de Servance, maar dat is dus ook weer niet voor dit jaar. We rijden op de top rechtdoor en dalen daarna 3,5 kilometer aan 5% af richting Le Thillos. Aan de kant van de Vogezen telt de afdaling volgens Wikipedia 13 bochten, waaronder een haarspeldbocht en drie rechte bochten. Rechte bochten, amai. Over de brede weg, eenmaal in de Vogezen de Avenue de la Résistance geheten, rijden we wat mij betreft op een behoorlijk probleemloze manier naar beneden. Op de top is er even een mooi uitzicht op het dal, beneden zien we Le Thillot al liggen. Daarna duiken we de bossen weer in, waar we inderdaad een aatnal bochten tegenkomen. Die haarspeldbocht volgt meteen in het begin, maar het is echt een enorm brede bocht. In het bos komen we daarna nog een aantal wat snellere bochtjes tegen, maar op deze weg waar vrachtwagens elkaar probleemloos kunnen passeren verwacht ik geen enkel probleem. Vlak voor het einde van de afdaling rijden we Le Thillot binnen, hier moeten de renners vooral opletten voor een aantal vluchtheuvels. Paar flauwe bochten hier, waarna we even verderop in het centrum rechtsaf slaan. Na deze bocht zijn we beneden, we rijden nu een aantal kilometer door de vallei, op weg naar de scherprechter van de dag. In Le Thillot rijden we langs Les Hautes-Mynes, de oude kopermijnen. Tussen 1560 en 1761 werden deze mijnen door de hertogen van Lotharingen geëxploiteerd. Tegenwoordig kun je ze bezoeken, de oude mijnen zijn blijkbaar een toeristische attractie geworden. Ze doen sowieso hun best om wat van dit oude mijnwerkersdorpje te maken, we komen in Le Thillot een aantal muurschilderingen tegen. Ook een Boulangerie Savoldelli, benieuwd of iemand zich à la de valk naar beneden durft te smijten. Tevens rijden we in Le Thillot, waar ze het na hun mijnverleden vooral van textielindustrie moesten hebben, over de Moezel heen. De vallei van deze rivier gaan we nu een tijd volgen. Op de Col des Croix en in Le Thillot zagen we tijdens de Tweede Wereldoorlog uiteraard ook weer de nodige gevechten, we hopen vandaag eveneens op een spannende strijd!
![65WiD90.jpeg]()
![1280px-Peinture_en_trompe_l%27oeil_Le_Thillot.JPG]()
Na de bocht naar rechts in het centrum van het bepaald niet oogverblindende Le Thillot rijden we zes kilometer door de vallei van de Moezel. Net buiten Le Thillot zien we die rivier tijdelijk in beeld, het is hier nog maar een lullig beekje. De weg in de vallei is enorm breed en enorm goed, het is echt een hoofdweg in de Vogezen. De weg loopt richting Saint-Maurice-sur-Moselle een tijdje vals plat omhoog, maar van echt klimwerk is hier geen sprake. Tussendoor passeren we Fresse-sur-Moselle, een dorpje waar weinig te beleven valt. Tussen de dorpjes in is het vooral heel groen, we zien weer een hoop toppen van het Vogezenmassief om ons heen. Dit zijn even zes kilometer om door te komen, wellicht zes kilometer om als aanvaller te anticiperen. Er komt nu een langere en zwaardere klim aan, als je als man van 80 kilo in de kopgroep terecht bent gekomen moet je absoluut niet met wat lichtere types naar de voet van deze klim gaan rijden. Na de tocht langs de Moezel komen we na 166 kilometer uit in Saint-Maurice-sur-Moselle, een plaats die we dit jaar twee keer gaan zien. We rijden twee keer door Saint-Maurice-sur-Moselle, morgen komen we terug. Twee keer gaan we vanuit Saint-Maurice-sur-Moselle ook beginnen aan de Ballon d'Alsace, de renners gaan nu voor de eerste keer aan deze klim beginnen. Ze passeren in Saint-Maurice langs het lokale VVV-kantoor, voorbij dit kantoor slaan ze rechtsaf en dan bereiken ze de Rue de Ballon d'Alsace. Er staan drie borden langs de kant van de weg. Op het eerste bord staat dat we negen kilometer moeten fietsen naar Ballon d'Alsace. Het tweede bord geeft aan dat het 26 kilometer fietsen is tot Giromagny en het derde bord geeft aan dat Belfort 38 kilometer verderop ligt. De renners weten precies wat ze te wachten staat, al nemen ze in finishplaats Belfort een kleine omweg en komen we zodoende op een afstand van 40 kilometer uit. Uit Saint-Maurice-sur-Moselle is met Jacques Georges een voormalig voorzitter van de Franse voetbalbond en de UEFA afkomstig, vast een schurk dus. Een dorp van niets verder, al kunnen ze dankzij de aanwezigheid van enkele bekende bergen in de omgeving en wat skigebieden wel bogen op enig toerisme. Wij gaan een van die toeristische trekpleisters nu maar eens opzoeken.
![1280px-Saint-Maurice-sur-Moselle.JPG]()
Na de bocht naar rechts in Saint-Maurice-sur-Moselle beginnen we meteen aan de beklimming van Ballon d'Alsace. De komende 8,9 kilometer gaat het aan 6,9% omhoog. Het meest bijzondere aan deze klim is de gelijkmatigheid, het gaat haast letterlijk continu aan 6,9% omhoog. Geen steilere stroken, geen makkelijkere stroken, nee, steeds zo rond de 7% klimmen. We beginnen in het dorp Saint-Maurice-sur-Moselle en daar komen we meteen wat bochten tegen, tussen wat chaletjes door. Op een bepaald punt zien we een huis met een bijzonder dak en daar slaat mijn geheugen ineens op hol: bij dat huisje met het gekke dak ging in de Tour van 2023 Carlos Rodriguez op z'n bek. Hij nam Kuss mee in die val, pal voor dat huis. In de Tour van 2023 reden we van Belfort naar Le Markstein, we reden toen in het begin van de rit omhoog over de kant van Ballon d'Alsace die dadelijk als afdaling zal dienen, we daalden af over de weg die nu als klim dient. Een keer geen La Planche des Belles Filles, wel andere terugkerende plekken in de Vogezen dus. Vandaag gaan we naar Belfort, morgen gaan we op een andere manier naar Le Markstein. Toen deden we dat via de leuke combinatie van de Petit Ballon en de Col du Platzerwasel. Dat was de dag waarop Thibaut Pinot in zijn laatste Tour in eigen omgeving nog eens in de aanval trok. Op kop reed hij door de Virage Pinot op de Petit Ballon, bijzondere beelden waren dat. Die rit begon dus in Belfort, waar we nu naartoe gaan. Ballon d'Alsace toen als eerste klim in de zware laatste bergrit, nu is het richting het eind van de langste rit van deze Tour de enige klim van belang. Buiten Saint-Maurice rijden we een tijd langs wat bergweides af, daarna duiken we de bossen in. Hier kent de brede weg de nodige bochten, terwijl het dus continu aan 7% omhoog blijft lopen. Niet de lastigste klim ooit, maar het is wel een echte col. Geen klim waar de sprinters stiekem kunnen overleven, daarvoor is het te zwaar. Tegelijk ben ik bang dat het niet lastig genoeg is om de klassementsrenners wakker te schudden. Goed, als Wim Tellens zichzelf op kop zet roept iedereen automatisch om z'n moeder, maar nee, veel actie tussen de klassementsrenners ligt niet voor de hand. Dat zal voor morgen en overmorgen zijn, als we in deze onlogische tijden alsnog de logica proberen te hanteren. Via meerdere haarspeldbochten slingeren we omhoog over deze prachtige klim, hier zelf fietsen lijkt geen straf. Voor de koers missen we een aantal steilere stroken, we beklimmen hier echt de meest gelijkmatige weg die ze ooit in Frankrijk hebben aangelegd. Aan het eind van deze tocht van negen kilometer aan 7% verlaten we het bos, om na 176 kilometer boven te komen op de volgebouwde top van de Ballon d'Alsace. Op de top van deze klim van eerste categorie (veel eer) vinden we onder meer het Maison du Tourisme Ballon d'Alsace, geen overbodige luxe, want er zijn nogal wat feitjes te delen over deze klim.
![ballon-d-alsace-saint-maurice-sur-moselle.png?v=1779637429]()
![h2056Ee.jpeg]()
![Arriv%C3%A9e_ballon_d%27alsace.JPG]()
Ballon d'Alsace is een klim met een grote geschiedenis in de Tour, je leest soms wel eens verhalen dat de Ballon d'Alsace in 1905 de allereerste berg was die ooit werd beklommen. Dat is feitelijk helaas onjuist, in de Tour van 1903 reden de renners al eens over de Col de la République in de omgeving van Saint-Étienne en deze klim mag de trotse drager zijn van de eretitel eerste berg in de Tour. Eerste berg boven 1000 meter, om wat specifieker te zijn, want in de eerste Tours kwamen de coureurs uiteraard ook al meteen allerlei heuveltjes tegen. Enfin, de Tour van 1905 was pas de derde editie, de Ballon d'Alsace was er hoe dan ook vroeg bij. In de jaren daarna lag de klim bijna ieder jaar op het parcours, maar in de moderne geschiedenis is de Ballon d'Alsace een beetje uit het geheugen van de Tour verdwenen. Eddy Merckx en Bernard Thevenet wonnen hier ooit een aankomst bergop, terwijl de laatste passage in een Tourrit dus dateert van 2023. Onderweg naar Le Markstein kwam Giulio Ciccone hier als eerste boven, in het jaar dat hij de bergtrui won. Daarvoor was het van 2019 geleden dat we de Ballon d'Alsace in de Tour zagen. Onderweg naar La Planche des Belles Filles kwam Tim Wellens toen als eerste boven, oei, slecht voorteken. We namen toen wel een andere weg naar de top, er zijn drie wegen omhoog. Deze Tour gaan we twee keer op dezelfde manier omhoog, morgen gaan we alleen via de derde weg afdalen. De keer daarvoor dat de Ballon d'Alsace in de Tour zat, pfoe, dan moeten we alweer terug naar 2005 , bij die gelegenheid wist Michael Rasmussen als eerste boven te komen tijdens een van zijn legendarische solo's. Een solo van een kilometer of 80 onderweg naar Mulhouse, op de Ballon d'Alsace, toen ook vanuit Saint-Maurice-sur-Moselle bedwongen, was hij al lang en breed vertrokken. Moreau en Voigt reed hij op drie minuten, het peloton kwam zes minuten later pas binnen. Rasmussen bleef maar uitlopen, het was de eerste keer dat hij in de Tour zo'n hilarische solo liet zien. Zou het iemand lukken om sneller te gaan vandaag? Dat was ook meteen de Tour van die beruchte tijdrit, hij zou in de jaren nadien nog wel meer fratsen uithalen. De Ballon d'Alsace is een keer of 28 beklommen in de Tourgeschiedenis. Voor het eerst in 1905 dus, toen kwam René Pottier hier als eerste boven. Hij was een van de eerste goede klimmers in de Tourgeschiedenis, dat jaar had hij ook meteen de Tour kunnen winnen, ware het niet dat hij geblesseerd het strijdtoneel moest verlaten. In 1906 kwam hij nog eens als eerste boven op de Ballon d'Alsace, dat jaar was hij niet te stuiten. Hij won liefst vijf ritten en hij werd eindwinnaar van die Tour. Een jaar later pleegde hij zelfmoord omdat zijn vrouw hem had verlaten. Een markant figuur, deze René. Daarom staat er ter ere van hem een bescheiden monumentje op de top van de klim. Op de top staan overigens veel meer monumenten, we noteren onder meer een standbeeld van Jeanne d'Arc en het Monument en hommage aux démineurs, een monument waar je een man ondersteboven ziet hangen. Een kunstzinnige ode aan de voorlopers van de EOD, in een bepaalde periode in de geschiedenis werden er in deze omgeving nogal wat mijnen neergelegd. Op de top schijn je bij helder weer trouwens de Mont-Blanc te kunnen zien, tegelijkertijd is dit een van de natste gebieden van Frankrijk en kun je dat heldere weer mooi op je buik schrijven. Op de top vinden we ook het skidomein Domaine Ski nordique du Ballon d'Alsace, een tamelijk bescheiden skigebied. In de Tour d'Alsace, een bescheiden koers, was er een paar jaar achter elkaar sprake van een aankomst bergop alhier. Dat leverde enkele bekende namen als winnaars op, zo wist in 2011 local hero Thibaut Pinot hier te winnen. In 2010 was die eer dan weer weggelegd voor ONZE Wielco! In zijn tijd bij de beloften won Wilco net wat makkelijker, al verzamelde hij toen ook al graag ereplaatsen. In 2009 zagen we Niels Albert hier dan weer winnen, in het eerste jaar dat de veldritploeg van de Roodhooftjes continentaal was geworden. BKCP-Powerplus, nadat Albert noodgedwongen moest stoppen en Van der Poel aan het firmament verscheen groeide het langzaam uit tot de topploeg die het nu is. Zo'n beetje het eerste succes van die ploeg op de weg werd hier geboekt, op de Ballon d'Alsace. Historie op overschot.
![ballon-d-alsace-saint-maurice-sur-moselle-upload-7800-1024x0.JPG]()
De weg over de Ballon d'Alsace verbindt het dal van de Savoureuse in het zuiden met het Moezeldal in het noorden, we hebben tijdens de klim het Moezeldal achter ons gelaten en we gaan nu juist op weg naar het dal van de Savoureuse, een riviertje dat overigens op de top van deze ballon ontspringt. Op 30 kilometer van de aankomst zijn we boven op de klim, er volgt nu een afdaling van 14 kilometer richting Giromagny. De weg omhoog was breed, de weg omlaag gaat minstens zo breed zijn. In de kopgroep moet de koers volledig zijn losgebarsten op de klim, de makkelijkste plek om tijdens deze rit het verschil te maken is natuurlijk op de Ballon d'Alsace. Geen klim van de buitencategorie, maar in die negen kilometer aan 7% kunnen er toch flinke verschillen ontstaan. Het kaf zal van het koren gescheiden zijn. Hopelijk resulteert dat niet in een lange solo van die ene klimmer in een kopgroep zonder klimmers, maar dat risico loop je natuurlijk wel. Al is de koers pas voorbij aan de finish, uiteraard! Wellicht is er wel een wonderdaler aanwezig, die de afdaling van de Ballon d'Alsace kan gebruiken om zijn achterstand weg te poetsen. Er zijn meerdere scenario's denkbaar, hopelijk, als we een keer geluk hebben. Voorbij de top verlaten we het departement van de Vogezen en rijden we het departement met de naam Territoire de Belfort binnen, we zijn immers ook op weg naar Belfort. Als de klim achter de rug is rijden we eerst een tijd door een wat meer open omgeving, hier loopt de brede weg wat meer rechtdoor omlaag. Niet echt steil, al is deze kant van de klim sowieso niet echt lastig. Op een paar kilometer aan 6% na gaat er vooral zo rond de 4 à 5% gedaald worden, er gaan heel wat bijtrapstukken zijn dus. Meteen na de top in ieder geval, al kent de afdaling ook een leukere fase als we na een tijd de bossen weer opzoeken. Na de eerste paar kilometer van deze afdaling waarin het vooral rechtdoor gaat komen we in de bossen in een aantal kilometer tijd acht haarspeldbochten tegen. Tussen die haarspeldbochten in ook nog tal van andere bochten. De weg is breed en het asfalt is goed, daardoor wordt deze afdaling nooit gevaarlijk, maar de betere daler kan in deze haarspeldbochten alsnog tijd pakken. Het zijn brede bochten, maar alsnog, met een betere lijn ben je er altijd sneller doorheen. Wat kort bochtenwerk tussendoor, zo nu en dan een bocht die iets listiger lijkt, maar over het algemeen valt deze afdaling enorm mee. Al weet je het nooit, de andere kant van de Ballon d'Alsace is ook niet zo spannend en daar ging in 2023 dus alsnog iemand op z'n plaat. Oké, wel erkend brokkenpiloot Carlos Rodriguez, maar alsnog. In de zone van de haarspeldbochten gaat het een tijd aan 6% omlaag, als de haarspeldbochten ophouden dalen we weer wat meer rechtdoor af en hier gaat het ook maar aan 5% omlaag. Zes makkelijke kilometers, drie wat lastigere kilometers en dan weer drie makkelijke kilometers, voor het in het laatste stuk voor we Giromagny bereiken helemaal vals plat dalen zal worden. Een korte zone voor de specialisten om hun ding te doen, ergens is het jammer dat het zo'n brede en goede weg is. In het dorpje Malvaux komen we de laatste bochten van enig belang tegen, daarna gaat het vals plat omlaag naar Lepuix en Giromagny. Stampen op de grote plaat, op wat flauw bochtenwerk na volledig rechtdoor. Weer wat meer in een agrarische omgeving, buiten het bos. In Lepuix nemen we een bocht naar links, hierna gaat het rechtdoor verder naar Giromagny, een plek die we na 191 kilometer bereiken.
![ballon-d-alsace-giromagny-upload-17263-1024x0.JPG]()
Jack does it in real time...