Mijn eerste vermoeden: er is bezuinigd op justitiële jeugdinrichtingen (jeugdgevangenissen) met als gevolg dat er nu van alles mis gaat.
Als je verder zoekt dan vind je waarschijnlijk ook de oudere begrotingen. Voor wie graag de cijfers wil zien, voor zo ver ze worden gegeven.
Van dit worden we snel wat wijzer: bezuinigingen en schaalvergroting.
quote:
Risico’s voor kwaliteitswinst jeugdinrichtingen door bezuinigingen
Het aantal jongeren dat in een justitiële jeugdinrichting (JJI) terechtkomt neemt al enkele jaren gestaag af. In reactie hierop vermindert de staatssecretaris van VenJ het aantal JJI-plaatsen: sinds 2010 is dit aantal gehalveerd. Bovendien moet de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) bezuinigen. Aangezien JJI’s vallen onder DJI wordt als gevolg van deze bezuinigingen het budget voor JJI’s tussen 2010 en 2018 gehalveerd. Kleine inrichtingen kosten relatief meer dan grotere inrichtingen. Hierdoor zien wij risico’s voor de kwaliteitswinst die de afgelopen jaren is gerealiseerd.
Bevindingen
Sector JJI’s in verandering door lagere instroom en bezuinigingen
De sector Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) maakt ingrijpende veranderingen door als gevolg van de daling van de instroom van jeugdige delinquenten. In 2010 waren er nog 11 justitiële inrichtingen met in totaal 17 locaties. In 2014 zijn er nog 9 inrichtingen op 9 locaties over. Er staan nog 2 sluitingen gepland. De plaatsingscapaciteit en het budget van de inrichtingen zijn sinds 2010 ruwweg gehalveerd. Volgens ramingen van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum (WODC) zal de daling in de instroom voortduren, waardoor een verdere krimp wellicht nodig zal blijken. Dit roept de vraag op in hoeverre de huidige organisatiestructuur nog houdbaar is en hoe de kwaliteit van instellingen gewaarborgd kan blijven gegeven de nieuwe kleinschaligheid van de sector.
Instroom delinquente jeugdigen neemt af
Sinds 2008 is de instroom in JJI’s met bijna 40% afgenomen: van ruim 2.400 jongeren in 2008 naar 1.469 jongeren in 2013 (zie figuur hieronder). In de komende jaren wordt een verdere afname verwacht. Volgens ramingen van het onderzoekscentrum van VenJ zal bij gelijkblijvend beleid de capaciteitsbehoefte tot 2019 met nog eens een derde afnemen (WODC, 2014).
Ontwikkeling aantal jongeren dat wordt geplaatst in justitiële jeugdinrichtingen
Het aantal geplaatste jongeren in JJI’s is geleidelijk aan afgenomen van 2.441 in 2008 naar 1.469 in 2013
Bron: DJI, 2013; DJI, 2014. In mei 2015 zijn de cijfers van 2014 nog niet beschikbaar.
Kwaliteitsrisico’s en hoge kosten door overschot aan plaatsen
Door de lagere instroom was de afgelopen jaren een steeds kleiner deel van de kamers in JJI’s bezet. In 2010 werd gemiddeld ruim 40% van de beschikbare plaatsen voor delinquente jongeren niet gebruikt. Volgens prognoses van het WODC in 2010 zou er zonder maatregelen in 2013 een overschot van circa 850 plaatsen ontstaan. Dat zou ertoe leiden dat gemiddeld meer dan de helft van de kamers zou komen leeg te staan (DJI, 2010: 9). Volgens DJI en de verantwoordelijke inspecties vormt onderbezetting een risico voor de kwaliteit van de behandeling en begeleiding in de justitiële jeugdinrichtingen (IJZ, IvhO, IGZ & IST, 2010 & DJI, 2010). Dat komt onder andere doordat onderbezetting duur is, omdat ook voor lege plekken bepaalde voorzieningen in stand gehouden dienen te worden (zoals beveiliging en huisvesting).
Capaciteit jeugdinrichtingen steeds verder afgebouwd
In 2010 waren er 1.318 operationele plaatsen voor delinquente jongeren in JJI’s, waarvan zoals hiervoor aangegeven een deel leegstond. Dit aantal plaatsen was een flinke afname ten opzichte van enkele jaren daarvoor, doordat in 2009 de gesloten jeugdzorg gesplitst is van de justitiële inrichtingen. Wel was voor de toekomst weer een groei voorzien: volgens de toenmalige planning op de begroting van VenJ zou de capaciteit van de sector JJI groeien naar 1.626 plaatsen in 2013 (VenJ, 2012b).
Vanaf 2010 heeft de staatssecretaris van VenJ als reactie op de dalende instroom echter diverse besluiten genomen om de plaatsingscapaciteit in JJI’s te verminderen. Het gevolg is dat de capaciteit volgens de huidige planning in 2017 nog slechts 520 operationele plaatsen zal beslaan. Sinds 2010 wordt ook gewerkt met reservecapaciteit (die binnen een half jaar weer in gebruik genomen kan worden) en in stand te houden capaciteit (buiten gebruik gesteld, maar nog niet afgestoten). Deze capaciteit wordt aangehouden zodat deze relatief gemakkelijk weer kan worden ingezet in het geval dat de vraag naar JJI-plekken onverwacht toch weer toeneemt.
Capaciteit justitiële jeugdinrichtingen
De operationele capaciteit van JJI’s neemt af van 2207 (2008) naar 520 (2018). Sinds 2010 is er ook reserve- en in stand te houden capaciteit
Bron: jaarverslagen VenJ (VenJ, 2008; VenJ, 2009; VenJ, 2010; VenJ, 2011; VenJ, 2012; VenJ 2013)
De capaciteitsteruggang in de periode 2010-2014 is grotendeels gerealiseerd door het sluiten van inrichtingen (79%). Een kleiner deel (21%) is bereikt met de zogenaamde ‘kaasschaafmethode’, waarbij de capaciteit in bestaande inrichtingen wordt verminderd.
Verschillende criteria gehanteerd bij keuze voor te sluiten inrichting
In onderstaande figuur is weergegeven op welk moment en om welke reden er in de periode 2010-2018 justitiële jeugdinrichtingen zijn of worden gesloten. De meest recente sluitingen houden vooral verband met de wens om regionale werkgelegenheid te behouden. De Tweede Kamer heeft de regering namelijk verzocht om bij het sluiten van inrichtingen rekening te houden met de werkgelegenheid in bepaalde krimpregio’s met een hoge werkloosheid (moties Heijnen/Van Raak en Segers/ Schouw. Zo is bijvoorbeeld gekozen voor sluiting van JJI Amsterbaken in Amsterdam ten gunste van instellingen in krimpregio’s Drenthe (JJI Juvaid) en Zuid-Limburg (JJI Het Keerpunt). Een nadere toelichting op deze figuur staat in de achtergrondinformatie bij dit onderzoek.
Redenen voor sluiting justitiële jeugdinrichtingen
Bij de sluiting van JJI’s worden verschillende belangen afgewogen. Geld en werkgelegenheid zijn daarbij een steeds grotere rol gaan spelen
Bronnen: DJI, 2010; DJI, 2013b; VenJ, 2014.
Budget vrijheidsbeneming justitiële jeugd tussen 2010 en 2018 gehalveerd
DJI wordt als agentschap gefinancierd door VenJ. Sinds 2013 heeft DJI forse bezuinigingen opgelegd gekregen: het gaat in totaal om een taakstelling van 271 miljoen euro (DJI, 2013b). Als onderdeel van DJI worden JJI’s betaald via artikel 35.3 (Jeugd) van de begroting van VenJ. Een deel van de bezuinigingen bij DJI wordt binnen dit begrotingsartikel gerealiseerd.
Inrichtingen worden gefinancierd op basis van hun capaciteit, vermenigvuldigd met de kosten per plaats (P*Q). Door de capaciteitsafname in JJI’s neemt daarom dus het benodigde budget in principe ook flink af. Tussen 2010 en 2014 is het budget voor de inrichtingen gedaald van circa 254 miljoen euro naar 165 miljoen euro. Vooral in 2014 is het begrote budget voor de jeugdinrichtingen fors verlaagd: met circa 76 miljoen euro ten opzichte van 2013. Volgens de begroting van VenJ voor 2015 zullen de uitgaven tot 2018 dalen tot 132 miljoen euro.
Overigens is de gemiddelde kostprijs van JJI-plekken de afgelopen tijd wel sterk gestegen. Dit hangt naast de doorgevoerde kwaliteitsverbeteringen ook samen met de capaciteitsafname. Kleinere inrichtingen zijn namelijk relatief duur, omdat bepaalde vaste lasten wel gelijk blijven, zoals beveiliging, bedrijfshulpverlening, overhead en ICT-voorzieningen. De financiering is niet gerelateerd aan de bezetting van de inrichting, behoudens het feit dat DJI wel een onderbezettingskorting heft.
Ontwikkeling budget DJI-Jeugd (in miljoenen euro’s)
Het budget voor DJI-jeugd is reeds afgenomen, en een verdere daling is begroot tot 2019
Bron: jaarverslagen & begrotingen VenJ 2008-2014 (VenJ, 2008; VenJ, 2009; VenJ, 2010; VenJ, 2011; VenJ, 2012, VenJ, 2013; VenJ, 2014).
Dilemma’s rond toekomstige organisatie justitiële jeugdinrichtingen
Zowel bij VenJ en DJI als binnen de inrichtingen zelf leeft de vraag hoe het beste kan worden ingespeeld op de snelle ontwikkelingen in de instroom. Volgens ramingen van het onderzoekscentrum van VenJ zal de daling in de instroom voortduren. Een verdere krimp in de capaciteit zal daardoor wellicht nodig zijn.
Daarmee wordt de vraag actueel in hoeverre de huidige organisatie- en financieringsstructuur rond JJI’s nog houdbaar is en hoe de kwaliteit van de instellingen het beste gewaarborgd kan blijven gegeven de sterk gekrompen omvang van de sector. Als het ministerie nog meer inrichtingen sluit, zal de regionale spreiding verder verminderen. Dit kan onder andere gevolgen hebben voor de aansluiting op de nazorg en andere partners, zoals de Jeugdreclassering, de gemeente of de Raad voor de Kinderbescherming, die veelal regionaal georganiseerd zijn. De persoonlijke communicatie wordt hierdoor bemoeilijkt, omdat men steeds met andere bureaus te maken heeft en op grotere afstand van elkaar werkt.
Zonder sluitingen bestaat echter het risico dat de inrichtingen te klein worden om op een doelmatige manier de kwaliteit te kunnen handhaven. Kleinschaligheid is relatief duur, omdat een inrichting ongeacht zijn grootte bepaalde voorzieningen in stand dient te houden, zoals beveiliging en huisvesting. Gezien de P*Q-financiering kan dit problemen opleveren voor inrichtingen. Om deze reden geeft DJI inrichtingen waar minder dan 80 jongeren kunnen verblijven een extra bijdrage. Deze bedraagt iets meer dan 70 euro per dag voor iedere plek beneden de 80. In 2014 kregen 6 inrichtingen deze toeslag. Het totaalbedrag was meer dan 3 miljoen euro.
Mogelijke verschillen tussen rijks- en particuliere inrichtingen vormen ten slotte ook een punt van aandacht als het gaat om de organisatiestructuur.
Vanwege dit soort vragen voert VenJ op dit moment een verkenning uit naar de toekomstige invulling van de vrijheidsbeneming van justitiële jeugd.
Bezuinigingen risico voor kwaliteit verblijf en behandeling in justitiële jeugdinrichtingen
Sinds 2007 is, onder andere naar aanleiding van kritische rapporten van de gezamenlijke inspecties en de Algemene Rekenkamer , veel geïnvesteerd in de kwaliteit van het verblijf en de behandeling in justitiële jeugdinrichtingen. In 2012 concludeerden wij dat de kwaliteit sinds 2007 was verbeterd, maar dat daaraan wel een prijskaartje hing (Algemene Rekenkamer, 2012). Bovendien signaleerden we dat het gerealiseerde kwaliteitsniveau kwetsbaar was. Nu zien wij dat de kwaliteit opnieuw onder druk dreigt te komen door de krimpende capaciteit en de bezuinigingen.
Minder mensen beschikbaar voor primair proces van inrichtingen
Vooralsnog vullen JJI’s de bezuinigingen vooral in door het terugbrengen van het aantal ondersteunende- en managementfuncties. Met name als gevolg van de teruglopende capaciteit wordt in verschillende inrichtingen echter ook het aantal fte’s in het primaire proces teruggebracht. Dit geldt met name voor het aantal individuele trajectbegeleiders, gedragswetenschappers, therapeuten en methodiekcoaches.
Gedurende het hele verblijf in de JJI wordt een jongere begeleid door een individuele trajectbegeleider (ITB’er). Deze ITB’ers hebben vooral een belangrijke rol bij de voorbereiding op de terugkeer in de samenleving en het onderhouden van de relaties met partijen die bij die terugkeer betrokken zijn, zoals de Jeugdreclassering, de gemeente, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de Kinderbescherming. Bij het verdwijnen van deze functie ontstaan risico’s voor de resocialisatie van jongeren. Wij zien dit bijvoorbeeld bij De Hartelborgt, waar men in 2014 is teruggegaan van 3,8 fte naar 2 fte voor individuele trajectbegeleiders (- 47%), terwijl het aantal plaatsen gelijk is gebleven. Gedragswetenschappers zijn degenen die de delinquente jongeren behandelen. Zij worden daarbij begeleid door methodiekcoaches. De kwaliteit van de behandeling is minder goed gewaarborgd wanneer de inzet van deze functies afneemt.
Minder tijd voor primaire taak door afname ondersteunende functies
Meer nog dan op personeel in het primaire proces wordt in de justitiële jeugdinrichtingen bezuinigd op ondersteunende functies. Het betreft onder andere unit managers, opleidingscoördinatoren, medisch secretaresses en telefonistes.
Dit betekent dat deze ondersteunende taken worden overgenomen door werknemers in de primaire functies. Die laatsten krijgen daardoor steeds meer verschillende rollen en verantwoordelijkheden. Omdat ook het aantal fte’s in het primaire proces afneemt (zie hierboven) is er netto minder tijd voor de primaire taken, dus de opvang en behandeling van de jongeren. Hierdoor kan bijvoorbeeld de verlofbegeleiding in de knel komen, wanneer hiervoor niet voldoende personeel beschikbaar is.
Meer tijdelijke krachten en risico’s rond kwaliteit personeel
Doordat de inrichtingen krimpen is er weinig extra personeel beschikbaar dat eventueel kan invallen als een andere medewerker wegvalt, bijvoorbeeld vanwege ziekte. Dit komt bovendien relatief vaak voor: in 2013 was het ziekteverzuim gemiddeld 8,5%, zo blijkt uit de jaarverslagen van alle JJI’s. De kleinere inrichtingen kunnen bovendien niet alle functies meer ‘in huis’ vervullen.
Het gevolg hiervan is dat er steeds meer met tijdelijke krachten, externe deskundigen of invallers moet worden gewerkt. Gezien de specifieke problemen bij jeugdigen in JJI’s is het gewenst dat medewerkers zowel elkaar als de jongeren waarmee zij werken en hun dagelijkse routine kennen. Dit komt onder druk te staan nu de flexibiliteit van het eigen personeelsbestand kleiner wordt.
Ook voor de kwaliteit van het overgebleven eigen personeel zien wij risico’s. Door de snelle krimp in de sector neemt de baanzekerheid af. Hierdoor bestaat het risico van een grote uitstroom van personeel. Het beste personeel, zowel qua opleiding als ervaring, heeft in principe de meeste kans op een nieuwe baan. Dus is het goed denkbaar dat vooral zij zullen vertrekken. JJI Het Keerpunt constateert bijvoorbeeld in haar jaarverslag 2013 dat een aantal HBO-geschoolde medewerkers door bezuinigingen de organisatie heeft verlaten (SJSJ, 2014). Daarbij blijkt het voor verscheidene justitiële jeugdinrichtingen lastig om HBO-geschoold personeel aan te trekken. Bij de 7 inrichtingen waarvan hierover cijfers bekend zijn, was in 2013 het gemiddelde percentage HBO-geschoold personeel minder dan 50%. Het doel van DJI was om in 2014 in alle inrichtingen minstens 75% HBO-geschoold personeel te hebben. Deze doelstelling is nu uitgesteld naar 2020.
Minder tijd en geld voor ontwikkeling personeel en individuele activiteitenbegeleiding
Door de bezuinigingen bestaat het risico dat de (door)ontwikkeling van behandelprogramma’s op een laag pitje komt te staan. Door de personeelskrapte zijn opleidingsdagen moeilijk in te plannen. Zodoende hebben sommige inrichtingen moeite om de opleidingsverplichtingen van personeel na te komen.
Als gevolg van de krimp van de inrichtingen hebben zij ook steeds minder tijd en/of geld om ‘extra’ dingen te doen. Voorbeelden hiervan zijn het schrappen van het programma Work-Wise, het verminderen van stagemogelijkheden binnen de inrichting en de verminderde capaciteit voor individuele activiteitenbegeleiding. Het schrappen van individuele activiteiten voor de jongeren kan gevolgen hebben voor het positieve leefklimaat dat de afgelopen jaren in de inrichtingen is opgebouwd.
Risico’s in beeld, maar informatie richting Kamer summier
Vanwege de snelle ontwikkelingen in de omvang van de sector is het belangrijk dat de staatssecretaris zicht houdt op de kwaliteit van het verblijf en de behandeling en eventuele ontwikkelingen daarin. Zowel het departement als DJI hebben een redelijk beeld van de kwaliteit in inrichtingen en onderkennen de risico’s die daar spelen.
De informatie hierover richting de Tweede Kamer is gegeven de genoemde risico’s echter summier. Het jaarverslag van VenJ geeft weinig inzicht in de ontwikkeling van het pedagogisch leefklimaat in de inrichtingen. De staatssecretaris vermeldt hoofdzakelijk indicatoren over de bedrijfsvoering en formele procedures. Daarnaast verstrekt hij informatie over de dagbesteding en de woonplek na uitstroom uit de jeugdinrichting. Dergelijke informatie geeft geen zicht op de kwaliteit van het leefklimaat in de inrichting zelf.
VenJ en DJI hebben echter meer relevante informatie beschikbaar. Zo wordt intern gerapporteerd over ontvluchtingen en onttrekkingen (van verlof), geweldsincidenten, gegronde klachten, Scholings- en Trainingsprogramma’s (STP’s) en de afstand van de inrichting tot de woonplaats van gedetineerden. Bovendien laat de staatssecretaris meerdere malen per jaar wetenschappelijk onderzoek uitvoeren naar het leefklimaat in individuele inrichtingen. De resultaten van deze onderzoeken gaan naar de onderzochte inrichtingen. DJI ontvangt jaarlijks een beknopte rapportage. De staatssecretaris heeft echter niet geregeld dat deze informatie periodiek naar de Tweede Kamer wordt gestuurd.
Literatuur
Algemene Rekenkamer (2007). Detentie, behandeling en nazorg criminele jeugdigen. Den Haag: eigen beheer.
Algemene Rekenkamer (2012). Terugblik detentie behandeling en nazorg criminele jeugdigen. Den Haag: eigen beheer.
DJI (2010). Capaciteitsplan Justitiële Jeugdinrichtingen. Den Haag
DJI (2013). JJI in getal 2008 – 2013. Den Haag.
DJI (2013b). Masterplan DJI 2013 – 2018. Den Haag.
DJI (2014). JJI in getal 2009 – 2014. Den Haag.
Helm, G.H.P. van der, Beld, M.H.M., Dekker, A.L., Miert, V.S.L. van, Nagtegaal, J., Roest, J.J. & Stams, G.J.J.M. (2014). Rapportage Justitiële Jeugdinrichtingen 2013: Een onderzoek naar het Leef-, leer- en werkklimaat van Justitiële Jeugdinrichtingen. Leiden/Amsterdam: Hogeschool Leiden/UvA.
Inspectie jeugdzorg, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie voor de Gezondheidszorg & Inspectie voor de Sanctietoepassing (2010). Veiligheid in justitiële jeugdinrichtingen: Risico’s aangepakt, maar kwetsbaar. Den Haag.
Stichting Jeugdzorg St. Joseph (2014). Jaarverslag 2013 SJSJ Het Keerpunt. Cadier en Keer.
VenJ (2008 t/m 2014). Jaarverslag van het Ministerie van VenJ va resp. 2008, 2009a, 2010a, 2011a, 2012a en 2013a en begroting van het Ministerie van VenJ van resp. 2009b, 2010b, 2011b, 2012b, 2013b, 2014a en 2015. Zie rijksbegroting.nl.
VenJ (2014b). Brief regering; Geen alternatief voor sluiting JJI Amsterbaken. Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 24 587, nr. 597. Den Haag: Sdu.
WODC (2014). Capaciteitsbehoefte Justitiële Ketens t/m 2019. Den Haag: WODC.
Aanbevelingen en reacties
Aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer
Maak onderbouwde keuzes voor de toekomst
Door de sterke afname van de instroom van jongeren in justitiële inrichtingen zijn de uitgangspunten van regionale plaatsing en van de minimaal benodigde omvang van inrichtingen op gespannen voet met elkaar komen te staan. De staatssecretaris heeft regionale plaatsing van jongeren in het verleden als belangrijk uitgangspunt gehanteerd in zijn beleid, omdat jongeren zo gemakkelijker banden kunnen onderhouden met hun persoonlijke netwerk en omdat een betere aansluiting mogelijk is op regionaal georganiseerde ketenpartners. Regionale spreiding van inrichtingen vraagt echter wel om een minimum aantal inrichtingen. Daartegenover staat dat een minimale omvang van inrichtingen nodig is om doelmatig te kunnen functioneren en om de kwaliteit van de opvang, behandeling en het onderwijs te waarborgen. Op dit moment zijn er niet meer genoeg JJI-jongeren om op doelmatige en kwalitatief verantwoorde wijze veel grote inrichtingen te kunnen aanhouden.
Wij bevelen de staatssecretaris van VenJ daarom aan om bij de verkenning die hij verricht naar de toekomstige invulling van de vrijheidsbeneming van justitiële jeugd deze verschillende belangen expliciet in samenhang te bezien en af te wegen, inclusief de financiële consequenties.
De staatssecretaris zou hierbij ook na kunnen denken over andere oplossingen om de kwaliteit en doelmatigheid in stand te houden, zoals over samenwerking met de civiele jeugdzorg, om de doelgroep te vergroten, en over verdere fusies tussen inrichtingen. Tenslotte is momenteel onduidelijk in hoeverre het huidige onderscheid tussen particuliere- en rijksinrichtingen effecten heeft op de kwaliteit en doelmatigheid. Wij bevelen de staatssecretaris aan de wenselijkheid van dit duaal systeem beargumenteerd te onderbouwen.
Wij bevelen de staatssecretaris van VenJ verder aan om een helder en transparant afwegingskader op te stellen en om onderbouwde keuzes te maken. De verkenning zou moeten worden afgerond met een voorstel voor de wijze waarop hij het stelsel van JJI’s in de toekomst wil organiseren.
Wij bevelen de staatssecretaris aan dit voorstel voor te leggen aan de Tweede Kamer.
Informeer de Kamer periodiek over kwaliteitsontwikkelingen op de werkvloer
De staatssecretaris houdt via verschillende wegen zicht op de risico’s die zijn ontstaan voor de kwaliteit in JJI’s. De informatievoorziening aan de Tweede Kamer is echter summier en vindt niet periodiek plaats, met name wat betreft het pedagogisch leefklimaat in de inrichtingen, waardoor de Tweede Kamer geen goed zicht heeft op de ontwikkelingen in deze kwaliteit. Omdat wij constateren dat er risico’s zijn voor deze kwaliteit, bevelen wij de staatssecretaris aan om de Tweede Kamer periodiek te informeren over de kwaliteitsrisico’s in JJI’s, en daarbij specifiek aandacht te besteden aan het pedagogisch leefklimaat in de inrichtingen. Op dit gebied zien wij namelijk de belangrijkste risico’s voor de kwaliteit, die momenteel onderbelicht zijn richting de Tweede Kamer. In de jaarverslagen van VenJ worden namelijk nauwelijks indicatoren gehanteerd die hier goed zicht op bieden.
Reactie van de minister
Uitgangspunt van de minister van VenJ bij de bezuinigingen op JJI’s is, dat het kwaliteitsniveau behouden blijft. De minister erkent dat hij, als gevolg van efficiencymaatregelen en de verminderde bezetting in JJI’s, de keuze heeft moeten maken om functies te reduceren. De minister geeft aan dat De Hartelborgt vanaf 1 juli 2015 weer over 4,3 fte individuele trajectbegeleiders (ITB’ers) kan beschikken en dat er meer formatie beschikbaar zal komen voor ondersteuning, in totaal 18 fte voor 3 locaties. Het streven van de minister is en blijft een adequate uitvoering van de primaire taken: de zorg, behandeling en opvang van jeugdigen.
In reactie op onze aanbeveling om onderbouwde keuzes te maken voor de toekomst geeft de minister aan dat hij de resultaten van de lopende verkenning naar de toekomstige invulling vrijheidsbeneming zal delen met de Tweede Kamer. Bovendien zegt de minister in zijn reactie: ‘Ik neem kennis van de andere aanbevelingen en neem deze – voor zover mogelijk - mee in de huidige verkenning, dan wel het vervolg hierop’. Ten slotte zegt de minister toe dat hij met ingang van 2015 de overkoepelende resultaten van het leefklimaatonderzoek jaarlijks zal aanbieden aan de Tweede Kamer, voorzien van een beleidsreactie.
Lees de hele reactie PDF, 953.49 KB
Nawoord Algemene Rekenkamer
Wij waarderen de toezeggingen die de minister van VenJ in zijn reactie op onze aanbevelingen doet. De minister geeft in zijn reactie aan dat hij in drie of vier inrichtingen meer personeel beschikbaar wil stellen. Wij gaan er vanuit dat de minister de Tweede Kamer op de hoogte zal houden van de personele ontwikkelingen in alle 9 inrichtingen waarvoor hij verantwoordelijk is en van de effecten daarvan op de kwaliteit van de primaire taken.
Achtergrondinformatie
Justitiële Jeugdinrichtingen
Doel en functie justitiële jeugdinrichtingen
De primaire taak van justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s) is de uitvoering van straffen van jongeren van 12 tot 23 jaar. Zij kunnen in een inrichting worden geplaatst via het jeugdstrafrecht of het adolescentenstrafrecht. Het grootste deel van de jongeren dat in een jeugdinrichting verblijft, zit in voorlopige hechtenis. Daarnaast verblijven er jongeren die zijn veroordeeld tot jeugddetentie of een PIJ-maatregel (Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen) – een soort jeugd-TBS. Volgens de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen (Bjj) is het doel van de tenuitvoerlegging van de straf de opvoeding van de jeugdige en de voorbereiding op diens terugkeer in de maatschappij (artikel 2.2 Bjj). Dit doen de inrichtingen door de jongere opvoeding, onderwijs, zorg en behandeling te bieden. Sommige justitiële jeugdinrichtingen hebben ‘landelijke bestemmingen’ waarop jongeren met bijzondere behoeften worden geplaatst.
Verantwoordelijkheidsverdeling
De minister en staatssecretaris van VenJ zijn verantwoordelijk voor het justitiële jeugdbeleid. De staatssecretaris is verantwoordelijk voor de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), een agentschap dat belast is met de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties, waaronder de vrijheidsbenemende jeugdsancties. De uitvoering van de sancties vindt momenteel plaats in 9 JJI’s.
De inrichtingen
In 2010 waren er nog 11 JJI’s met in totaal 17 locaties. Op dit moment zijn er nog 9 inrichtingen op 9 locaties over, en zijn er nog 2 sluitingen gepland. Op onderstaande kaart is de huidige situatie weergegeven.
Gesloten en open justitiële jeugdinrichtingen op de kaart
Inmiddels zijn verspreid over het land 7 inrichtingen gesloten, terwijl er nog 9 open zijn, waarvan voor 2 sluiting is gepland
Er zijn op dit ogenblik 4 rijksinrichtingen en 5 particuliere inrichtingen. Rijksinrichtingen vallen direct onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van VenJ. De kosten van deze inrichtingen komen volledig ten laste van DJI. Particuliere inrichtingen vallen vaak onder een particuliere stichting of organisatie. Deze inrichtingen worden aangewezen door de minister en worden volledig gefinancierd door DJI. Doordat rijksinrichtingen direct onder VenJ vallen, hebben zij soms minder eigen beslissingsvrijheid in de bedrijfsvoering. Zo zijn zij gebonden aan rijks-cao’s en aan het gebruik van bepaalde centrale voorzieningen en contracten.
Het leefklimaat in inrichtingen
Bij de taak van opvoeding en herintegratie, is het leefklimaat in de inrichting een belangrijk onderdeel. Volgens onderzoek van Peer van der Helm e.a. wordt een positief leefklimaat gekenmerkt door “een veilige, gestructureerde en rehabiliterende omgeving waarin sprake is van veel ondersteuning, duidelijke kansen voor groei, minimale repressie en waarbinnen een goede balans tussen flexibiliteit en controle voor een goede sfeer zorgt” (Van der Helm e.a., 2014). Het leefklimaat wordt in wetenschappelijk onderzoek gemeten aan de hand van vier elementen: ondersteuning, groei, repressie en sfeer (zie het Prison Group Climate Instrument). Een open leefklimaat heeft volgens dit onderzoek positieve gevolgen voor het verblijf van de jongeren, onder andere voor de behandelmotivatie, emotionele stabiliteit, agressiviteit en het behandelresultaat.
Verbeteringen in de kwaliteit
Kwaliteitsverbeteringen 2007-2012
In 2007 hebben wij geconstateerd dat er problemen waren met de kwaliteit van de detentie, behandeling en nazorg van criminele jeugdigen (Algemene Rekenkamer, 2007). Ook de verantwoordelijke inspecties (Inspectie jeugdzorg, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie voor de Gezondheidszorg en Inspectie voor de Sanctietoepassing) stelden dit vast.
Wet- en regelgeving en beleidsstukken werden in de praktijk niet altijd nageleefd. Het opstellen van verblijfs- of behandelplannen duurde bijvoorbeeld vaak (te) lang en bleef soms zelfs helemaal achterwege. De kwaliteit van de uitvoering van de opgestelde plannen werd bovendien belemmerd door de grote doorstroom van jongeren, de instabiele bezetting van groepsleiders door verloop en ziekteverzuim en het opleidingsniveau van groepsleiders. Evaluatie van de voortgang van de uitvoering van plannen vond te weinig plaats. Verder kreeg slechts een klein deel van de jongeren die in aanmerking kwamen voor een scholings- en trainingsprogramma, dit programma aangeboden.
Naar aanleiding van de rapporten is de staatssecretaris een verbetertraject gestart. In 2012 hebben wij geconcludeerd dat de kwaliteit van de detentie en behandeling was verbeterd en dat de nazorg expliciet deel was gaan uitmaken van het traject dat de jeugdigen doorlopen (Algemene Rekenkamer, 2012). Wel stelden wij vast dat deze verbeteringen een forse financiële investering vroegen. Ook constateerden we dat de bereikte kwaliteit kwetsbaar was geworden, vanwege actuele ontwikkelingen rond leegstand in JJI’s.
Afname van capaciteit in inrichtingen
Sluiting van inrichtingen
In de figuur ‘Redenen voor sluiting justitiële jeugdinrichtingen’ (zie bevindingen) is weergegeven welke inrichtingen wanneer en om welke redenen zijn gesloten. Hieruit blijkt dat verschillende criteria zijn gehanteerd. In het Capaciteitsplan JJI’s van 2010 was de regionale functie van justitiële jeugdinrichtingen het belangrijkste uitgangspunt. Door het sluiten van inrichtingen vermindert namelijk de regionale spreiding van inrichtingen. Dat kan gevolgen kan hebben voor de afstand van de inrichting tot de woonplaats van de jeugdigen (‘regionale plaatsing’). Een grote afstand kan nadelig zijn voor de betrokkenheid van het netwerk (met name de ouders) van de jeugdigen en voor de aansluiting met de nazorg, die veelal regionaal georganiseerd is.
Daarnaast werden de volgende argumenten gehanteerd voor sluitingen:
het handhaven van landelijke bestemmingen waarin jeugdigen worden geplaatst waarvoor speciale kennis vereist is, bijvoorbeeld zedendelinquenten of verstandelijk gehandicapten;
een voorkeur voor inrichtingen met een minder penitentiaire uitstraling (huisvesting);
de mogelijkheid tot alternatief gebruik van het pand;
de mate van beveiliging van de inrichting.
Met het ‘Masterplan DJI 2013-2018’ van DJI kwam in 2012 doelmatigheidswinst meer centraal te zijn als doel van de treffen maatregelen (DJI, 2013b). Financiële overwegingen werden daardoor expliciet een criterium bij de keuze voor sluitingen. Ten slotte werd ook de regionale arbeidsmarkt een criterium. De Tweede Kamer heeft de regering namelijk verzocht om bij het sluiten van inrichtingen rekening te houden met het behoud van de werkgelegenheid in bepaalde regio’s met een hoge werkloosheid, de zogenaamde krimpregio’s (moties Heijnen/Van Raak en Segers/ Schouw).
Financiële gevolgen
Afgelopen jaren daling structurele kosten, maar hoge frictiekosten
Het totale budget voor de afdeling Jeugd van DJI wordt volgens planning tussen 2010 en 2018 bijna gehalveerd: van 254 miljoen euro in 2010 naar 165 miljoen euro in 2014, naar nog slechts 132 miljoen euro in 2018.
Het budget voor DJI-Jeugd valt uiteen in twee delen: de structurele kosten en de incidentele kosten (zie onderstaande figuur). De structurele kosten zijn de jaarlijkse bekostiging van de JJI’s, inclusief de overhead bij DJI. Incidentele kosten zijn bijvoorbeeld ‘frictiekosten’ als gevolg van het afstoten van capaciteit. Deze frictiekosten zijn de afgelopen jaren relatief hoog geweest, vanwege de sluitingen van inrichtingen. Ondertussen zijn de structurele kosten wel gedaald, met name in 2011.
Totale budget DJI-jeugd uitgesplitst in structurele en incidentele kosten 2010-2018 (in miljoenen euro’s)
In 2011-2013 waren de incidentele kosten hoog, o.a. vanwege frictiekosten door sluitingen. De totale uitgaven gaan hierdoor pas vanaf 2014 dalen
Bron: cijfers aangeleverd door DJI
Prijs per persoon per dag blijft ondanks budgetafname licht stijgen
DJI financiert jeugdinrichtingen op basis van hun capaciteit, vermenigvuldigd met de kosten per plaats (P*Q). Hoewel het totale bedrag voor bekostiging van plaatsen in jeugdinrichtingen de afgelopen jaren is afgenomen, is de kostprijs per persoon per dag juist toegenomen. In 2007 kostte een plek in een inrichting nog 313 euro per dag; in 2014 is dit gestegen naar 608 euro per dag.
Deze prijstoename kent verscheidene oorzaken. De belangrijkste hiervan is het kwaliteitsbevorderingstraject dat sinds 2007 in gang is gezet (+ 125 euro per persoon per dag). Daarnaast is een belangrijke oorzaak gelegen in de afname van de plaatsingscapaciteit. Kleinschaligheid van inrichtingen leidt tot hogere kosten per plek, vooral vanwege de vaste kosten van JJI’s, zoals de kosten voor beveiliging, bedrijfshulpverlening, bepaalde kwaliteitsfuncties, overhead en kosten voor automatisering. Overige redenen voor de toename van de prijs zijn de loon- en prijsbijstelling, de scheiding van strafrechtelijk- en civiel¬rechtelijk geplaatste jongeren, en verscherpte eisen voor brandveiligheid.
Kijk op de website zelf voor de plaatjes en een betere layout.