Stuk over SASR in Irak :
Australische SAS in de Irak-oorlog (2003)
De Australische SAS, het best vergelijkbaar met de Britse naamgenoot en in Nederland het KCT, was al
voor de invasie in Irak begon in de regio aanwezig. In de eerste fase had zij als taak om lanceerinstallaties van Irakese Scud’s (tactische, ballistische raketten) te zoeken en deze zelf aan te vallen of met
luchtaanvallen te laten vernietigen. Diep in de woestijn moesten ze kou (tot -5 graden Celsius), sterke
wind, zand, regen en modder trotseren.
De Australiėrs wisten de Irakese grenswachten te passeren, maar kwamen al snel Irakese troepen tegen, gingen een vuurgevecht aan en namen de groep gevangen. Omdat SOF-eenheden geen gevangenen kunnen meenemen, gaven ze de gewonde Irakezen medische hulp en lieten ze de groep gaan. Met
de helikopters werden andere teams diep in het land afgezet. De Irakezen hadden hun les uit de Eerste
Golfoorlog geleerd en zetten direct eenheden in om op de SOF te jagen. Ook dit resulteerde in verschillende gevechten, waarvan de meeste door de Australiėrs werden gewonnen.
Eén van de doelen van de SAS was een militair radiodoorgeefstation. Dit bleek zwaar te worden
verdedigd, wat ook het belang van het object aangaf. De Australiėrs vielen aan, versloegen de Irakese
militairen buiten en vochten in het complex tot er geen tegenstand meer was. Pas hierna riepen ze een
luchtaanval in om de instalatie te vernietigen.
De groep van tachtig Ausralische SAS-ers die actief was in de woestijn in het westen van Irak vond
uiteindelijk geen Scud’s, maar liet wel in de eerste week al 46 ton aan explosieven op doelen gooien. Ze
waren in totaal 42 dagen in het land en vochten met meer dan 2.000 Irakese militairen – zonder eigen
slachtoffers.
Terwijl conventionele landeenheden van de coalitie tegen Irak nog niet aan hun aanval waren begonnen was de Australische SAS dichter bij Bagdad dan welke andere SOF-eenheid dan ook. Met helikopters werden ze de 600 kilometer Irak in gevlogen. De volgende dag werden verschillende Irakese
eenheden op pad gestuurd om hen te vinden. Dit resulteerde in een lang vuurgevecht. De Australiėrs
werden met ten minste zes voeruigen aangevallen, die ze beschoten met antitank raketten, zware
machinegeweren en granaatwerpers. Uiteindelijk maakte een luchtaanval een einde aan de strijd.
Een ander doel was een belangrijk verkeersplein, waar de Irakese snelweg nummer 10 en autoroute 1
aansluiten op de snelweg naar het zuiden. De kruising was ook van belang vanwege twee nabij gelegen
vliegvelden: Qasir Amij en Qasir Amij-Zuid. De Australiėrs beschoten de Irakese troepen bij het verkeersplein eerst van een afstand en lieten luchtaanvallen uitvoeren. Hierna vielen ze zelf direct aan.
De meeste Irakezen bleken echter al gevlucht. Met de snelwegen tussen Ramadi en Ar Rutba in handen
konden de SOF voorkomen dat Bagdad werd bevoorraad en Irakese leiders zouden ontsnappen.
Het volgende doel van de Australiėrs was de luchtmachtbasis Al-Asad, de op een na grootste van het
land. Deze lag 180 kilometer ten westen van Bagdad. Op de basis waren drie Irakese luchtmacht squadrons gelegerd en vlakbij lag een grote wapenopslagplaats. Op 16 april 2003 viel de SAS aan. Terwijl
ze naderbij kwamen werden ze door Irakese eenheden in met machinegeweren uitgeruste sport utility
vehicles aangevallen. Ondanks een duidelijke overmacht wisten de Australiėrs de Iraki’s te verslaan. Ze
namen de vliegbasis in en zuiverden daar alle gebouwen. Na de nodige reparaties aan het gebombardeerde terrein konden ze een eigen, Australisch Hercules-transportvliegtuig ontvangen.
Wow, was er maar is zoiets bekend over NL....