En zou je dit bijvoorbeeld ook met nCr kunnen doen?quote:Op maandag 20 mei 2013 14:25 schreef la_perle_rouge het volgende:
[..]
Zoals uit het gegeven voorbeeld al blijkt mag je een cijfer vaker gebruiken (in het voorbeeld staan twee 5'en), dat geldt ook voor de letters, want er staat niet dat het niet mag. Dus AAAU kan, en BBBU ook. Voor de eerste letter mag je kiezen uit het hele alfabet (handig als je uit je hoofd weet dat er 26 letters in het alfabet zitten, maar als je dat niet kan onthouden kan je ze natellen op je GR).
Voor de tweede letter heb je nog steeds 26 mogelijkheden, en voor de derde ook, dus 26 x 26 x 26 voor de letters. De vierde letter is een U, dat is maar één mogelijkheid.
Idem voor de cijfers, er zijn er 10 op de eerste plek, maar nog steeds 10 op plek twee, en zo tot je de eerste 6 cijfers hebt gekozen. Het laatste cijfer mag je niet kiezen, dus 10^6 voor de cijfers.
Dan 26^3 x 10^6, en je hebt de mogelijkheden.
Wat jij uitrekent is hoeveel mogelijkheden er zijn als elke letter maar één keer in de code mag voorkomen, en elk cijfer ook maar één keer, jij hebt dus berekend hoeveel codes er zijn zonder dubbele letters of dubbele cijfers (Hoewel: ook niet echt, want je kan met jouw berekening codes hebben met twee U's, aangezien de laatste altijd een U is, als ze hadden gevraagd hoeveel codes zonder dubbele letters er waren, was de vraag pas echt tricky...)
Je zegt het zelf al, je pakt 5 leerlingen uit een groep van 30. Je pakt niet twee keer dezelfde leerling, want dan pak je er maar 4 uit een groep van 30. Je pakt /kiest dus geen dubbelen bij nPr en nCr.quote:Op maandag 20 mei 2013 14:31 schreef Tiezol het volgende:
[..]
Hmm oke dus ik denk gewoon veel te moelijk...
Ik wist overigens niet dat als je nPr doet dat hij dan geen dubbele letters kiest. Geldt dit ook voor nCr?
Meestal gebeurt het dan zo: als er gewoon 5 leerlingen worden gepakt uit een groep van 30 leerlingen en ze krijgen allemaal dezelfde functie, dan is het nCr.
Maar als er 5 leerlingen van de 30 worden gepakt, en de eerste wordt Leider, de 2e wordt aap, de 3e wordt mongool, de 4e wordt giraf, en de 5e wordt computer. Dan is de volgorde dus wel van belang en gebruik je nPr.
Hoop dat het duidelijk is (en dat dit klopt haha)
Nope, want je pakt bij nCr ook een subgroepje uit een groep. In dit geval zou je met nCr dus zeggen dat een boot met lettercode ABCU dezelfde lettercode heeft als een boot met CABU of BACU. Voor nPr is nog wat te zeggen, al geef je er dan zelf de voorwaarde bij dat dubbele letters of cijfers niet mogen, terwijl ze daar niets over zeggen.quote:Op maandag 20 mei 2013 14:38 schreef coolekido het volgende:
[..]
En zou je dit bijvoorbeeld ook met nCr kunnen doen?
Ja, maar over het algemeen laten ze je die niet tekenen, maar vragen ze op basis van een tekening iets over de info die je er uit moet kunnen halen. Of ze geven er 4 en vragen welke bij de gegevens past, multiple choice dus.quote:Op maandag 20 mei 2013 14:47 schreef Fuleco het volgende:
Behoort dat van mediaan en het tekenen v.e boxplot enz. tot de examenstof? Ik heb meerdere examens gemaakt, maar ik heb het nog geen 1 keer zien terugkomen.
Dat is wel even belangrijk om te onthouden. Zodra het dus om code's gaat waarbij AA of 11 gebruikt mag worden moet je nooit nPr of nCr gebruiken, toch?quote:Op maandag 20 mei 2013 14:45 schreef la_perle_rouge het volgende:
[..]
Je zegt het zelf al, je pakt 5 leerlingen uit een groep van 30. Je pakt niet twee keer dezelfde leerling, want dan pak je er maar 4 uit een groep van 30. Je pakt /kiest dus geen dubbelen bij nPr en nCr.
Of het nou leerlingen zijn of letters van het alfabet, een groep is een groep, en bij nPr en nCr pik je daar een deel van in.
Vervolgens kijk je naar P of C: Permutatie (ik onthoud dit als Prijsuitreiking) de volgorde is van belang, want of Joke goud wint of brons maakt (in ieder geval voor haar) veel verschil
C komt van Combinatie (ik onthoud dit als Corvee), de volgorde maakt geen steek uit, want of Joke nou als eerste of als laatste een bezem krijgt is lood om oud ijzer.
Je eerste stap is: mag ik iets vaker gebruiken (vaas met terugleggen) of niet (vaas zonder terugleggen), de tweede stap is: maakt de volgorde uit?
dom genoeg: omdat de eerste stap zo simpel is, wordt hij meestal vergeten, iedereen wil gelijk maar moeilijk doen
Got it!!!!quote:Op maandag 20 mei 2013 15:24 schreef Tiezol het volgende:
[..]
Dat is wel even belangrijk om te onthouden. Zodra het dus om code's gaat waarbij AA of 11 gebruikt mag worden moet je nooit nPr of nCr gebruiken, toch?
Nog even conclusie over je 2 stappen:
Mag ik iets vaker gebruiken> Zo ja, geen nPr en geen nCr.
Als je iets niet vaker mag gebruiken kun je wel gaan voor nPr of nCr. Klopt dit?
2e stap is; Volgorde van belang> npr, volgorde boeit niet> ncr.
Kloppen deze conclusies?
Chille uitleg heb je
H0: 0.48, H1: <0.48quote:Op maandag 20 mei 2013 17:43 schreef Tiezol het volgende:
Iemand die even wil kijken naar 2011-1 vraag 10? Antwoordmodel heb ik weinig aan.
En vraag 12, groeifactor berekenen kan ik nog volgen, hoe gaan ze ineens naar 28%?
De groeifactor is 0.72, dan is er dus een afname van 1- 0.72 = 0.28quote:Op maandag 20 mei 2013 17:43 schreef Tiezol het volgende:
Iemand die even wil kijken naar 2011-1 vraag 10? Antwoordmodel heb ik weinig aan.
En vraag 12, groeifactor berekenen kan ik nog volgen, hoe gaan ze ineens naar 28%?
Stap 1: zit ik naar een normale verdeling of naar een binominale verdeling te kijken?quote:Op maandag 20 mei 2013 17:43 schreef Tiezol het volgende:
Iemand die even wil kijken naar 2011-1 vraag 10? Antwoordmodel heb ik weinig aan.
En vraag 12, groeifactor berekenen kan ik nog volgen, hoe gaan ze ineens naar 28%?
quote:Op maandag 20 mei 2013 18:14 schreef la_perle_rouge het volgende:
[..]
Stap 1: zit ik naar een normale verdeling of naar een binominale verdeling te kijken?
Het gaat om wel waar of niet waar, dus keuze uit twee, binomiaal (bi = 2)
Stap 2: formuleer je hypothesen
H0: het klopt, van elk product zijn er 16% dus van de drie duurste samen 3 x 16% = 48%
H1: het klopt niet, van de duurste producten zijn er minder dan 48% kaartjes
Iets korter opgeschreven: ik toets H0: p = 48% tegen H1: p < 48%
Stap 3: Het beste maak je nu een klein schetsje van dat heuveltje (Die muts van Napoleon, jeweetwel). De leerlingen denken dat het minder is dan 48%, dus ze kijken maar naar een kant (meer dan 48% interesseert ze niet zo), minder zit links, het is dus een linkszijdige toets.
Stap 4: Het significantieniveau dat ze kiezen is 5 % (0,05). Omdat ze maar één kant op kijken, naar links, krijgt links die volle 5 %, in je tekening zet je een streepje dat links een klein stukje van je heuveltje afsnijdt, en je kleurt dat zwart.
Je gaat zometeen op basis van hun steekproef (die 123 kaarten waarvan 51 “dure”) kijken of je in dat zwarte gebiedje uitkomt, of in het witte stuk van je heuveltje.
Stap 5: In je rekenapparaat kijk je met binomcdf wat de kans is op 51 van de 123 als je uitgaat van 48% (0,48). Dus binomcdf(123 , 0.48 , 51)
De uitkomst daarvan is 0,09. Dat is nog ruimschoots in het witte gebied, want 0,09 is groter dan 0,05.
Stap 6: (Conclusie formuleren) Er is geen reden aan te nemen dat je nulhypthese niet klopt. De leerlingen krijgen geen gelijk.
Let op: je weet niet of ze geen gelijk hebben, maar op basis van deze uitkomst krijgen ze het niet.
Wanneer moet je het significantieniveau door twee delen? Bij een tweezijdige hypothese?quote:Op maandag 20 mei 2013 18:14 schreef la_perle_rouge het volgende:
[..]
Stap 1: zit ik naar een normale verdeling of naar een binominale verdeling te kijken?
Het gaat om wel waar of niet waar, dus keuze uit twee, binomiaal (bi = 2)
Stap 2: formuleer je hypothesen
H0: het klopt, van elk product zijn er 16% dus van de drie duurste samen 3 x 16% = 48%
H1: het klopt niet, van de duurste producten zijn er minder dan 48% kaartjes
Iets korter opgeschreven: ik toets H0: p = 48% tegen H1: p < 48%
Stap 3: Het beste maak je nu een klein schetsje van dat heuveltje (Die muts van Napoleon, jeweetwel). De leerlingen denken dat het minder is dan 48%, dus ze kijken maar naar een kant (meer dan 48% interesseert ze niet zo), minder zit links, het is dus een linkszijdige toets.
Stap 4: Het significantieniveau dat ze kiezen is 5 % (0,05). Omdat ze maar één kant op kijken, naar links, krijgt links die volle 5 %, in je tekening zet je een streepje dat links een klein stukje van je heuveltje afsnijdt, en je kleurt dat zwart.
Je gaat zometeen op basis van hun steekproef (die 123 kaarten waarvan 51 “dure”) kijken of je in dat zwarte gebiedje uitkomt, of in het witte stuk van je heuveltje.
Stap 5: In je rekenapparaat kijk je met binomcdf wat de kans is op 51 van de 123 als je uitgaat van 48% (0,48). Dus binomcdf(123 , 0.48 , 51)
De uitkomst daarvan is 0,09. Dat is nog ruimschoots in het witte gebied, want 0,09 is groter dan 0,05.
Stap 6: (Conclusie formuleren) Er is geen reden aan te nemen dat je nulhypthese niet klopt. De leerlingen krijgen geen gelijk.
Let op: je weet niet of ze geen gelijk hebben, maar op basis van deze uitkomst krijgen ze het niet.
quote:Op maandag 20 mei 2013 18:24 schreef Heliosphan het volgende:
[..]
Wanneer moet je het significantieniveau door twee delen? Bij een tweezijdige hypothese?
Dan was mijn invulling van Binomcdf dus toch wel goed. Vreemd, ik kwam op 0,025. Misschien verkeerd in m'n GR getypt.quote:Op maandag 20 mei 2013 18:00 schreef jordyqwerty het volgende:
[..]
H0: 0.48, H1: <0.48
Het gaat hier over de drie duurste groepen vandaar 0.48 (0.16 *3)
Binomiaal verdeeld met n = 123, p = 0.48 en k = 51.
Binomcdf(123,0.48,51) geeft 0.09, dat is hoger dan het significantieniveau van 0.05, dus verwerp je H0 niet, de leerlingen hebben geen gelijk
quote:Op maandag 20 mei 2013 18:14 schreef la_perle_rouge het volgende:
[..]
Stap 1: zit ik naar een normale verdeling of naar een binominale verdeling te kijken?
Het gaat om wel waar of niet waar, dus keuze uit twee, binomiaal (bi = 2)
Stap 2: formuleer je hypothesen
H0: het klopt, van elk product zijn er 16% dus van de drie duurste samen 3 x 16% = 48%
H1: het klopt niet, van de duurste producten zijn er minder dan 48% kaartjes
Iets korter opgeschreven: ik toets H0: p = 48% tegen H1: p < 48%
Stap 3: Het beste maak je nu een klein schetsje van dat heuveltje (Die muts van Napoleon, jeweetwel). De leerlingen denken dat het minder is dan 48%, dus ze kijken maar naar een kant (meer dan 48% interesseert ze niet zo), minder zit links, het is dus een linkszijdige toets.
Stap 4: Het significantieniveau dat ze kiezen is 5 % (0,05). Omdat ze maar één kant op kijken, naar links, krijgt links die volle 5 %, in je tekening zet je een streepje dat links een klein stukje van je heuveltje afsnijdt, en je kleurt dat zwart.
Je gaat zometeen op basis van hun steekproef (die 123 kaarten waarvan 51 “dure”) kijken of je in dat zwarte gebiedje uitkomt, of in het witte stuk van je heuveltje.
Stap 5: In je rekenapparaat kijk je met binomcdf wat de kans is op 51 van de 123 als je uitgaat van 48% (0,48). Dus binomcdf(123 , 0.48 , 51)
De uitkomst daarvan is 0,09. Dat is nog ruimschoots in het witte gebied, want 0,09 is groter dan 0,05.
Stap 6: (Conclusie formuleren) Er is geen reden aan te nemen dat je nulhypthese niet klopt. De leerlingen krijgen geen gelijk.
Let op: je weet niet of ze geen gelijk hebben, maar op basis van deze uitkomst krijgen ze het niet.
Stap 1: zit ik naar een normale verdeling of naar een binominale verdeling te kijken?quote:Op maandag 20 mei 2013 18:10 schreef othie het volgende:
[ afbeelding ]
[ afbeelding ]
Wie kan me hierbij helpen dit op te lossen?
Zie uitleg (stap 4) over die vage afbeeldingen van Othie, (die te lui is even iets over te typenquote:Op maandag 20 mei 2013 18:24 schreef Heliosphan het volgende:
[..]
Wanneer moet je het significantieniveau door twee delen? Bij een tweezijdige hypothese?
Haha, het is een opgave uit 2001 maar de vraag die erbij hoort was een extraatje verzonnen door docentquote:Op maandag 20 mei 2013 18:44 schreef la_perle_rouge het volgende:
[..]
Zie uitleg over die vage afbeeldingen van Othie, (die te lui is even iets over te typen)
en die docent werkt nog met een ouderwetse typmachine en een stencilapparaat? Ik heb in jaren niet meer zoiets gezien, dacht dat het uit een museum kwam.quote:Op maandag 20 mei 2013 18:48 schreef othie het volgende:
[..]
Haha, het is een opgave uit 2001 maar de vraag die erbij hoort was een extraatje verzonnen door docent
Als je gewoon redelijk bent in Wiskunde, en altijd zonder veel moeite voldoendes hebt gehaald, moet dit echt wel goed komen. Het is redelijk basis, ze gaan niet diep op de stof in vind ik.quote:Op maandag 20 mei 2013 20:40 schreef Curuu het volgende:
Ik heb nog helemaal niet kunnen leren en kan alleen morgen na 2 examens leren. Iemand tips over hoe ik dat het beste aan kan pakken? Sta niet slecht voor WiA dus het moet wel goedkomen.
Alle formules krijgen we toch?
De eerste gebruik je bij een som van standaardafwijkingen. Bijv als een stuk hout eerst bewerkt word en vervolgens gelakt. Bewerken heeft een gemiddelde van 150 en een standaardafwijking van 2. Lakken heeft een gemiddelde van 100 en een standaardafwijking van 1.quote:Op maandag 20 mei 2013 23:50 schreef Tiezol het volgende:
Heb een vraagje, la_perle_rouge kan misschien weer met een subliem antwoord komen.
Bij een vraag met Normale verdeling, waarbij ik normalcdf moet gaan gebruiken:
*Wanneer gebruik je WORTEL(standaardafwijking2+standaardafwijking2+standaardafwijking2)
*En wanneer gebruik ik standaardafwijking / WORTEL(N)
Wat is het verschil?
| Forum Opties | |
|---|---|
| Forumhop: | |
| Hop naar: | |