quote:
Op zondag 11 september 2011 17:13 schreef deelnemer het volgende:[..]
Eens. De objectieve wereld is een gedachte constructie.
Het draait niet om de vraag hoe het eruit ziet zonder te zien, maar om de samenhang tussen dingen en of deze samenhang objectief bestaat. Een simpel voorbeeld: eb en vloed hangt samen met het feit dat de maan om de aarde draait.
Bestaat deze samenhang
objectief? Bestaat de samenhang van dat voorbeeld objectief? Het dunkt mij, dat deze louter subjectief bestaat, hoogstens
intersubjectief.
Het dunkt ons een objectieve waarheid dat de maan de eb en vloed veroorzaakt, maar is het omdat
ik zie dat er eb en vloed en een maan is, dat die er zijn? Is het omdat ik zie dat de maan de eb en vloed veroorzaakt (dit beredeneer ik conform de logica) dat die eb en vloed daadwerkelijk door de maan veroorzaakt wordt?
Nu-- is het omdat heel de mensheid
ziet en
beredeneert dat de maan eb en vloed veroorzaakt, dat dit daadwerkelijk zo
is? Deze 'samenhang der dingen' is slechts een intersubjectieve waarheid, en dus niet objectief.
Maar ik ga verder... is deze intersubjectieve waarheid
wel waar? Hiervoor beroep ik me op David Hume. Het is niet dat we talrijke keren een oorzaak het gevolg hebben zien voorafgaan, dat dit daadwerkelijk de oorzaak
is. Het kan puur toeval zijn dat de oorzaak het gevolg voorafgaat. Derhalve is het slechts
waarschijnlijk, en niet
apodictisch, dat de maan de eb en vloed veroorzaakt.
Hier kan ik spreken over 'waarschijnlijkheid', omdat de relatie van de maan met onze getijden
empirisch is, en niet
transcendentaal zoals bij bijvoorbeeld de evolutietheorie.
Bij transcendentale theorieën, zoals de evolutietheorie, de Big Bang theorie, het creationisme, de abiogenese, ... bestaat er geen waarschijnlijkheid. Ze zijn ofwel apodictisch waar, ofwel gewoonweg niet waar. Het is derhalve louter geloof in zulke theorieën.
Aldus, deze 'samenhang der dingen' is
hoogstens intersubjectief. Ik noem daarom het objectief veronderstellen van empirische zaken (zoals de invloed van de maan op de getijden) een
geloof.
Je kan ze echter ook subjectief veronderstellen. De vraag is dan misschien of het nog steeds een geloof is, aangezien de invloed van de maan op de getijden dan een zekere waarschijnlijkheid heeft (keer op keer was het vloed als de maan op de juiste plaats stond, men kan nu wiskundig de waarschijnlijkheid berekenen). Dat is dan slechts een definitiekwestie. Maar weet dat het voorbeeld van de maan empirisch is, en daardoor onder de wiskundige statistiek valt. Transcendentale hypothesen, zoals bijvoorbeeld de evolutietheorie, vallen niet onder de statistiek. Daarom is er louter geloof in vereist.
Eigenlijk ben ik nog te mild met deze benadering. Ik stelde dus dat je subjectief wel kunt veronderstellen dat de maan de getijden veroorzaakt, omdat het keer op keer vloed is als de maan op de juiste plaats staat (en vice versa met eb), dus de kans op
'Humeaans toeval' is klein. Deze onwaarschijnlijkheid is zelfs berekenbaar, d.m.v. kansrekenkunde. Maar wat doe je als ik de kansrekenkunde begin te
bekritiseren? Deze is namelijk gebaseerd op axioma's (Kolmogorov, ...), waarin weer
geloof vereist is. Bovendien is de bewijsvoering ook gebaseerd op logische stellingen (een bewijs uit het ongerijmde bijvoorbeeld is gebaseerd op een logische stelling), die op hun beurt weer gebaseerd zijn op axioma's. Ik kan twijfel zaaien over die axioma's en heel het systeem stort in. Dat je zegt dat het
waarschijnlijk is dat de maan de getijden veroorzaakt (op intersubjectief vlak), berust op kansrekenkunde, en alhoewel dit evident kan lijken, is dit niet te bewijzen zonder axioma's. Je gelooft dus in axioma's om te geloven in de waarschijnlijkheid van deze 'samenhang der dingen'. Je hebt eerst dogma's aangenomen, waarin je apodictisch gelooft, vooraleer je ook maar iets van 'waarschijnlijkheid' in de mond
kan nemen!
quote:
Op maandag 12 september 2011 18:18 schreef deelnemer het volgende:[..]
Je gaat uit van radicale sceptische twijfel en zoekt naar absoluut zekere uitgangspunten. Dan kom je uit op wat onmiddellijk gegeven is. Zintuiglijke waarneming is al indirect, want er zitten zintuigen tussen het subject en het object. Dus wat je overhoudt, is een leeg bewustzijn als de enige absoluut (zie onderstaande video van 0:47 tot 2:03).
Neen. Zelfs mijn leeg bewustzijn is geen absoluut. Ik kom tot de conclusie dat alles verschijning is, op de apperceptie na. De apperceptie is een intelligibele extrapolatie van de verschijningen, om eenheid te scheppen in de waarnemingen:
"de transcendentale eenheid van de apperceptie".
Dat wil dus in het Nederlands zeggen: de apperceptie/het bewustzijn
is een illusie. Ik ben derhalve zelfs niet zeker van het bestaan van het subject/de apperceptie.
Het '
cogito ergo sum' is een illusie; een drogreden.
Wat men maar al te vaak vergeet is de achtergrond van het cartesiaanse denken. Descartes' '
systematische twijfel' heeft de filosofie enorm vooruitgeholpen, maar Descartes kon onmogelijk pretenderen dat het bestaan van God onzeker was, dat zou tot ferme klerikale kritiek leiden. Daarom riep hij snel, al te snel uit, dat er enkele 'onmiddellijke zekerheden' bestonden. Meeste mensen kennen enkel het 'cogito ergo sum', maar conform Descartes was de tweede zekerheid, het bestaan van God (zie zijn
meditaties). Hij hanteerde daarvoor het ontologisch godsbewijs (een herschreven versie van dat van Anselmus). Het lijkt me zelfs een beetje vreemd dat hij hier daadwerkelijk in zou geloven, zijn 'onmiddellijke zekerheden' zijn er mogelijk slechts bijgevoegd om het geheel verteerbaar te maken.
Aldus is niets zeker, zelfs het subject niet, maar als er één zaak is, dat iets objectiever en zekerder is dan al het andere, dan is het wel dat helemaal niets zeker is. Elke weg van de rede leidt namelijk tot deze conclusie. Dit "
de omnibus dubitandum est", deze absolute abusievelijkheid van alle verschijningen, van alle 'wijsheden', dat is mijn perspectief, en het past het meest bij het deelnemersperspectief, alhoewel ik zelfs aan mezelf als deelnemer twijfel.
Dit lijkt me echter het minst bevooroordeelde perspectief. Ik zal het voor de duidelijkheid het
'contemplatieve perspectief' noemen, omdat je volledig buiten de zekerheid en wereld staat.
Vanaf dat je het 'waarheidsperspectief' omarmt, doe je echter het contemplatieve perspectief teniet, want je denkt dat er echte waarheden zijn. Het dunkt me echter dat je dit contemplatieve perspectief, alhoewel de rede ertoe leidt, teniet moet doen door je gevoel, je emoties, je geloof.
Maar dan zeggen dat het geen
geloof is, is bijten in de hand die je uit de afgrond getrokken heeft. Daarom dient men het
geloof te omarmen. En
geloof in het waarheidsperspectief te omarmen, en alsook
geloof in het deelnemersperspectief te omarmen.
Ik denk dat de oorsprong van onze discussie misschien gelegen ligt in het verwarren van het deelnemersperspectief met het contemplatieve perspectief. Want terwijl het contemplatieve perspectief niet met het waarheidsperspectief te combineren is, is het deelnemersperspectief dat wél. En zo zie ik me een stap dichter bij jou denkbeelden.
Ik ga bij deze akkoord dat men deelnemersperspectief moet combineren met het waarheidsperspectief, maar ik blijf daarentegen wél beklemtonen dat men deze enkel in zijn
geloof moet verenigen en dat zodra men met zaken als deelnemersperspectief en waarheidsperspectief speelt, men de zekere gronden (en ook de waarschijnlijke gronden!) van de rede al ontvlucht is.
quote:
Decartes stelt dat er tenminste iets is, dat twijfelt, en dat moet tenminste zeker bestaan (het subject). Ik stel dat de verschijnselen meer continuïteit hebben dan het subject van Decartes, dus moet er tenminste nog iets bestaan. Tegenover de wil tot macht van Nietzsche stel ik datgene, ten opzichte waarvan men zijn macht vergroot of verkleind. Zo plaats ik er een tweede absoluut naast.
Het subject van Descartes is echter, zoals gezegd, geen absoluut (enkel in de ogen van Descartes is dit misschien zo). Daarom is het tweede absoluut dat
zeker niet.Het "ik denk, dus ik ben", is gewoonweg een sofisme. Allereerst is het niet eens een redenering, want de conclusie zit al in de majorpremisse. Verder is 'ik ben' niet eens een zin, het mankeert namelijk een predikaat, en derhalve ook betekenis.
'Bestaan en zijn' zijn geen predikaten.
Verder verondersteld Descartes dat
hij het is, die denkt. Het feit is dat er gedachten zijn --
en niet meer dan dat: dat de apperceptie het subject is van die gedachten, dat die gedachten een subject hebben, dat alles is al een vooroordeel. En ten slotte hoeft "A denkt, dus A bestaat assertorisch" niet te kloppen. Dat klopt enkel als je de logica veronderstelt, en dan is de uitspraak niet meer een 'onmiddellijke zekerheid' , maar slechts een
middellijke.
quote:
Het bezwaar dat de continuïteit van de verschijnselen op verschillende manieren kan worden toegeschreven aan een tweede absoluut, geldt ook voor het subject. Het subject kan een afgeleide zijn van de wereld (of geschapen zijn door God). Als we het absolute subject vergelijken met de wereld van de verschijnselen, dan constateer ik dat de continuïteit van de verschijnselen groter is, dan de continuïteit van het absolute subject. En dat is toch raar.
Dat geeft echter geen apodictische, noch waarschijnlijke uitspraak over het bestaan van de wereld. Kansrekenkunde heeft hier geen vat op.
Vergelijk het met het feit dat alle natuurwetten volledig op elkaar ingestemd zijn om leven mogelijk te maken, als één constante ook maar iets zou afwijken, zouden we niet bestaan (bereken de kans maar eens dat al deze natuurwetten op elkaar ingestemd zijn!). Dan zou een theïst kunnen zeggen:
"het is toch raar dat al die natuurwetten zo even op elkaar ingestemd zijn?", net zoals jij zegt:
"het is toch raar dat de continuïteit van de verschijnselen groter is dan die van het subject?" Hoe zou je de theïst beantwoorden? Er zijn twee methoden. Enerzijds op wijzen dat dit godsbewijs (het heet in theosofische kringen "
het fysico-theologisch bewijs") slechts een
argumentum ad ignoratiam is (zoals ik deed met jouw argument) en dat er mogelijkerwijs een onderliggend systeem is die de natuurwetten deed ontstaan. Of anderzijds hem op het antropisch principe wijzen.
Exact dezelfde twee argumenten kan ik tegen het continuïteitsargument gebruiken. Enerzijds wijs ik erop dat het een argumentum ad ignoratiam is, anderzijds wijs ik je op erop dat het mogelijk is dat hier een principe geldig is, analoog aan het antropisch principe. Ik moet dit zelfs niet bewijzen, twijfel zaaien was mijn doel, en daar ben ik in geslaagd. Daarom moet je, indien je het continuïteitsargument serieus wil nemen, eerst deze twijfel uit de weg ruimen, en dat dunkt me onmogelijk.
quote:
Stel, we zoeken achter de wereld van de verschijnselen een tweede absoluut. Zijn de twee absoluten dan verschillend of zijn ze dezelfde? Als ze verschillend zijn, dan ontstaat het lichaam-ziel dualisme en de vraag hoe die twee absoluten samenwerken.
I. Kant (hij wordt bezien als
de autoriteit op dit gebied) stelde dat er inderdaad een tweede absoluut achter lag.
De ware wereld, de mundus noumenon, de wereld achter de fenomenen... Deze was zéér verschillend van de wereld van de fenomenen. Deze tweede wereld kent immers bijvoorbeeld al geen ruimtetijd, geen causaliteit, geen bestendigheid, geen wisselwerking,...(volgens Kant) Hij had deze wereld immers méér dan nodig om nog stand te kunnen houden aan concepten als moraliteit, vrijheid, God, ...
Mij dunkt het dat deze 'tweede wereld' er niet met zekerheid ligt, maar het is alleszins mogelijk. De twee absoluten kunnen in verbinding staan door een causaal verband, bijvoorbeeld. Ik schrijf het ziel-lichaam dualisme zeker niet af.
quote:
Het ligt daarom voor de hand dat de twee absoluten dezelfde zijn.
Voor mij dus niet.
quote:
Er is maar één grond en die delen wij met de dingen. En vanwege de grotere continuïteit van het tweede absoluut, is het zelfs aannemelijk dat deze de echte absoluut is. De wereld is de echte absoluut en het subject is de afhankelijke.
Dat is slechts geloof en interpretatie, het naar voren schuiven als vaststaand feit, als 'onmiddellijke zekerheid' is subreptie.
quote:
Maar ik hou me niet bezig met het absolute. Ik ben alleen geïnteresseerd in de samenhang in wereld van de verschijnselen. Is deze samenhang objectief (dwz gemeenschappelijk toegankelijk)?
Met objectief bedoel je intersubjectief? Zo ja, dan luidt mijn antwoord:
"Das weiss ich doch nicht!".Zo nee, dan luidt mijn antwoord eveneens:
"Das weiss ich doch nicht!" Als we Wittgenstein zouden volgen, zouden we hierover een pythagoreïsche eed op ons kunnen nemen:
"Wovon mann nicht reden kann, davon muss mann schweigen"
Ik volg Wittgenstein gelukkig niet
.
(zie mijn uiteenzetting helemaal bovenaan voor de onderbouwing)
quote:
Zo ja, welke gemeenschappelijke voorstelling levert dat op. Waarom vind ik dat interessant? Omdat de leegte van het subject mij niet bevredigd. Zonder de verschijnselen is er niets. Ik vermoed daarom dat er iets mis is met de benadering, die zoekt naar absolute uitgangspunten.
Ik stel voor om eens aan de andere kant te beginnen. Je neemt je zintuiglijke waarneming serieus en je probeert zicht te krijgen op de objectieve samenhang der dingen. Dat geeft je een tweede perspectief. Het tweede perspectief is niet absoluut zeker. Toch noem ik het geen geloof, maar liever een gezond vertrouwen in je eigen natuurlijke mogelijkheden (het meest zekere wat je hebt), want anders blijf je met lege handen achter (een pragmatisch standpunt).
Het is niet zeker, maar het is tegelijkertijd geen geloof? Misschien eerst even uiteenzetten hoe ik een geloof bekijk. Ik volg Immanuel Kant in zijn definiëring (zei het met mijn eigen toets erbij), als men een hypothese supponeert zonder onderbouwing (noch emotionele, noch rationele) dan
meent men de hypothese. Als men een hypothese supponeert met louter emotionele onderbouwing (en geen rationele) dan gelooft men in de hypothese. Als men iets supponeert met rationele onderbouwing (verondersteld dat ze valide is, onafhankelijk van het feit dat men al dan niet ook nog emotionele onderbouwing heeft) dan
weet men iets.
Voor dit
weten is wel vereist dat als men hypothetische/causale oordelen gebruikt (als A klopt, dan klopt B), dat men de premisse ook onderbouwt (dus in dit geval A). De wiskunde valt daarom voor mij onder
geloof. Simpelweg omdat het gebaseerd is op axioma's die men niet rationeel kan onderbouwen (volgens mij, Kant beweert dat die axioma's wel te onderbouwen zijn), de axioma's zijn slechts emotioneel te onderbouwen, dus ik spreek van geloof.
Met deze definitie is voor mij alles geloof; maar het dunkt me toch dit de definitie is, die meeste mensen van geloof hebben. Waarom is het belangrijk dat alles geloof, d.w.z. slechts emotioneel onderbouwd is? Omdat er dan geen rationele onderbouwing bestaat. Emotionele onderbouwing is slechts een gevoel. Dat gevoel is afkomstig van de wil tot macht.
quote:
Waarom die nadruk op de samenhang der dingen? Ik kan me vinden in de Pythagoreïsche gedachte dat de eigenheid van dingen gelegen is de verhoudingen tussen de samenstellende delen. En alle samengestelde dingen komen en gaan. Het gaat dus niet om de laatste grond of het absolute, maar om de eigenschappen van samengestelde dingen (zoals ons lichaam).
Wat is het ideaal in deze benadering? Complete kennis van de samenhang der dingen. Iedere andere formulering van deze samenhang is dan een equivalente beschrijving. Daarom hoef je de werkelijke absolute grond helemaal nooit te identificeren, want die is irrelevant. De wereld van de verschijnselen is voldoende. Als we de samenhang kunnen samenvatten in een bewegingswet, dan zijn we klaar met de invulling van het waarheidsperspectief.
Dat is een mooi ideaal, maar weet dat die 'kennis over de samenhang der dingen' louter subjectieve kennis is, met geloof kan je er intersubjectieve kennis van maken, met zeer veel geloof zelfs objectieve kennis.
quote:
Omdat ik me niet druk maak over het absolute, zijn we het inmiddels vrijwel eens geworden. Het waarheidsperspectief is volgens mij ook een geloof, als je het afzet tegen absolute kennis. Zoals jij het als een geloof beschouwd, kan en wil ik dat niet ontkennen.
Hehe, ik had eerst
-zoals ik normaal gezien wel doe- de post in zijn geheel moeten doorlezen. Een groot deel van mijn argumentatie gaat hiernaartoe. Ik ga die argumentatie echter wel laten staan, je weet nooit dat er nuttige dingen in staan en het zou nogal zonde zijn het even te deleten.
quote:
Jou erkenning, dat geloven in het waarheidsperspectief belangrijk is, doet me deugd. Dat je het waarheidsperspectief niet ziet als een volwaardige tegenhanger van het deelnemersperspectief, zodat je de rollen evengoed kan omdraaien, is ons enige verschil.
Ik meen nu echter dat dit mijn fout is, door verwarring van het deelnemersperspectief met wat ik het 'contemplatieve perspectief' heb genoemd (vide supra). Ik volg je nu in het idee dat ze gelijkwaardig zijn, omdat het deelnemersperspectief een deelnemers/subject voorondersteld, en dat subject is 'slechts' een intelligibele constructie, en dus niet apodictisch. Het staat dus samen met het waarheidsperspectief op het niveau van het geloof.
quote:
Als ik zou moeten kiezen, welke van de twee primair is en welke afgeleidt, dan zou ik ervoor kiezen om het waarheidsperspectief als primair te beschouwen. Voor jou ligt dat dus omgekeerd.
Ik zou, als ik zou moeten kiezen, inderdaad nog steeds de voorkeur naar het deelnemersperspectief laten gaan. Dat is dan wel louter emotionele voorkeur.
quote:
Waarschijnlijkheid is alleen van toepassing op toetsbare hypothesen over de samenhang der dingen. Als een hypothese wordt getoetst en niet blijkt te kloppen, dan neemt de kans af dat de hypothese juist is, en als de hypothese wel blijkt te kloppen, neemt de kans toe.
Inderdaad, daar gaat hierboven ook een deel van mijn argumentatie naar toe. Toetsbaar noemde ik 'empirisch' en ontoetsbaar noem ik 'transcendentaal'. Na net zevenhonderd pagina's Kant gelezen te hebben, kan men ook moeilijk anders dan zijn véél te duistere idioom overnemen...