Dat is gewoon integreren m.b.v. substitutie, je gaat van een integraal over dy over naar een integraal over dp, misschien dat deze voorbeelden bij Wikipedia je wat helpen, maar kort gezegd (ik heb even geen tijd om het helemaal uit te werken), het doel is om een makkelijker integraal te krijgen, m.a.w. men wil van integratie over y naar integratie over p, waarbij dat een ‘handige’ vorm heeft, daarvoor kiest men de substitutie p = y3 + 2, en dan geldt dp/dy = 3y2 (lijkt me logisch) en dan maakt men weer gebruik van de voordelen die Leibniz’ notatie biedt, en dan kun je stellen dat dp=3y2dy geldt, ofwel dy=dp/3y2, en dat proppen ze dan in die formule, dus waar dy staat, kun je dan dp/3y2 neerzetten.quote:Op woensdag 4 november 2009 16:37 schreef GoodGawd het volgende:
[ afbeelding ]
Waarom gaan ze in dat rode blok differentiëren?
Een eigenvector is een vector die na de transformatie niet verandert van richting, althans, kan wel omklappen, maar verschuift verder niet.quote:Op woensdag 4 november 2009 17:33 schreef Lord_Cardigan het volgende:
Even een makkelijke vraag die ik nergens in mijn boek kan vinden
Wat bereken je met een eigenvector. Ik kan het uitrekenen, maar weet niet wat het betekend.
De eigenwaarde is de verlenging/ verkorting van een vector, dat is dan wel weer meteen duidelijk.
er is ook een niet-wiskundetopic.quote:Op woensdag 4 november 2009 19:20 schreef maniack28 het volgende:
Ik zit hier met de vaag wanneer de golffunctie (in de quantum) een oscillerend karakter heeft (en wanneer deze een monotoom karakter heeft)
Mijn ene bron zegt: Etot > Epot -> oscillerend karakter, terwijl de andere bron zegt Ekin>Epot, wat niet op hetzelfde neerkomt. Immers kan Etot > Epot als Ekin < Epot.
Als q>0 is het rechterlid deelbaar door 11, maar het linkerlid niet. Als p>0 zelfde met 7. Dus p=q=0.quote:Op woensdag 4 november 2009 21:50 schreef Borizzz het volgende:
Ik moet 2 natuurlijke getallen p,q vinden met 35p=55q.
Lastig. Ik kwam tot nu toe niet verder dan priemontbinding maken;
(5*7)p=(5*11)q
5p*7p =5q*11q
Wie ziet hoe het verder moet en wil een tip geven?
Dus geen oplossingen.quote:Op woensdag 4 november 2009 22:09 schreef thabit het volgende:
[..]
Als q>0 is het rechterlid deelbaar door 11, maar het linkerlid niet. Als p>0 zelfde met 7. Dus p=q=0.
Ik gebruik de term 'natuurlijk getal' zelf zelden. Ik spreek liever van positieve danwel niet-negatieve gehele getallen.quote:Op woensdag 4 november 2009 22:11 schreef GlowMouse het volgende:
thabit vindt 0 een natuurlijk getal
Zeker, al kan je ook zonder de hoofdstelling wel bewijzen dat een 5-macht maal een 7-macht niet deelbaar is door 11, maar met de hoofdstelling is het wel zo makkelijk.quote:Op woensdag 4 november 2009 22:13 schreef Borizzz het volgende:
[..]
Dus geen oplossingen.
Kan je dit ook concluderen met hoofdstelling?
Nee het is geen 0,5t, het is officieel t1/2, het is een waarde, het is de halveringstijd van een bepaald isotoop.quote:Op donderdag 5 november 2009 12:31 schreef Iblis het volgende:
Het toverwoord is logartime, maar voordat ik het voor je uitwerk moet ik eerst even weten hoe die exponent in elkaar zit, bij de eerste heb je (t/t0,5) wat denk ik is: (t/(0,5t)), maar ja, dat is weer gewoon gelijk aan 2. En bij die tweede komt er opeens 20 te staan? Dat snap ik ook niet helemaal.
Ik volg het wel, heel duidelijk, maar dit is niet precies wat ik zoek. De vraag is namelijk niet namens mij zelf maar namens iemand die weinig van logaritme snapt. Voor mij is het weer opgeheldert maar als ik log helemaal moet gaan uitleggen ben ik weer 2 maanden verder ofzo. Ik meen me te herinneren dat de formule zo om te zetten was dat logaritme niet nodig was, kan dat? Anders ga ik wel even in mn archieven kijken.quote:Op donderdag 5 november 2009 12:54 schreef Iblis het volgende:
Ik snap ’m, nou, in dit dit laatste geval wil je dus uitrekenen wat t1/2 is. Ik zal het eerst gewoon uitrekenen:
[ afbeelding ]
Dit is gelijk aan:
[ afbeelding ]
Neem links en rechts een logaritme:
[ afbeelding ]
Die log2 en de 2-macht heffen elkaar op in feite:
[ afbeelding ]
Wat links staat kun je numeriek uitrekenen, het is hetzelfde als log(1/100)/log(2) (immers: loga x = logb x / logb a), en dat is ≈ -6,643, dus dat vullen we in:
[ afbeelding ]
En daar komt uit:
t1/2 = -20/-6,643 ≈ 3,01.
Kun je het ook ‘handiger’ doen, ja en nee. Je kunt een inschatting maken, namelijk (1/2)2 = 1/4, (1/2)3 = 1/8, (1/2)6 = 1/64, (1/2)7 = 1/128, dus die exponent zal wel ergens tussen 6 en 7 moeten liggen, maar dat is weinig precies.
Ik hoop dat je het een beetje volgt.
Als je twee maanden nodig hebt om iemand het principe van logaritmen uit te leggen dan word je nooit een goede docent ... Niet dat ik wil suggereren dat dat daar je ambities zouden liggen, maar mijn ervaring is dat je dingen beter uit kunt leggen naarmate je er zelf meer inzicht in hebt, dus dat voorspelt niet veel goeds voor wat betreft je eigen inzicht. Ik denk - net als Iblis - dat je je vergist wat dat 'trucje' betreft. Alleen in eenvoudige gevallen kun je je vergelijking omwerken zodanig dat je links en rechts exponenten krijgt van eenzelfde grondtal, waarna je de exponenten aan elkaar gelijk kunt stellen. Maar als je dat vermeende trucje nog boven water kunt krijgen, laat het hier dan maar eens zien. Ik ben benieuwd ...quote:Op donderdag 5 november 2009 13:04 schreef appelsjap het volgende:
[..]
Ik volg het wel, heel duidelijk, maar dit is niet precies wat ik zoek. De vraag is namelijk niet namens mij zelf maar namens iemand die weinig van logaritmen snapt. Voor mij is het weer opgehelderd maar als ik log helemaal moet gaan uitleggen ben ik weer 2 maanden verder ofzo. Ik meen me te herinneren dat de formule zo om te zetten was dat logaritme niet nodig was, kan dat? Anders ga ik wel even in m'n archieven kijken.
We zoeken 30 + 31 + 32 + ... + 49. Dit is 20*(30+49)/2 = 790.quote:Op vrijdag 6 november 2009 16:18 schreef EmileVanDoorne het volgende:
Ik heb een vraagje in verband met wiskunde :
In een bioscoopzaal zijn er 20 rijen stoelen. Op de eerste rij zijn er 30 zitjes en elke rij heeft één zijde
meer dan de rij ervoor. Hoeveel stoelen zijn er in deze zaal?
A. 790 B. 800 C. 810 D. 820 E. 830
ik heb dit ook al berekend en ik kom altijd 790 uit ...
toch blijkt dit volgens mijn leerkracht niet de juiste oplossing te zijn ...
!!! HELP !!!
wie kan beter ????????????
thanks
Emile
Je redenering is juist inderdaad. Je kunt ze formeel maken, en dan moet je bewijzen: A ⊆ B, dit betekent a ∈ A ⇒ a ∈ B. Dan kijk je ‘wat betekent a ∈ A’, en ‘wat betekent b ∈ B’. Je zegt het zelf al, voor het eerste geldt dat als een getal een 21-voud is, dat het dan in A zit, voor het tweede geldt dat een het een 3-voud moet zijn. Omdat elk 21-voud ook een 3-voud is, zal gelden dat a ∈ A ⇒ a ∈ B.quote:Op zaterdag 7 november 2009 10:06 schreef Dzy het volgende:
Horen hier ook Logica vragen? We zijn net begonnen met Verzamelingenleer en Logica maar ik vind het best wel lastig. Dingen als verzamelingenalgebra lukken wel maar het bewijzen van dingen vind ik erg lastig. Bijvoorbeeld de volgende opgave:
Laat zien dat A in B zit. A heeft alle 21-vouden, B alle 3-vouden. Omdat natuurlijk alle 21-vouden ook 3-vouden zijn klopt dit wel maar hoe ik dit echt moet bewijzen snap ik niet goed, hoe moet je zoiets aanpakken? Uit ons dictaat wordt ik ook niet echt wijzer.
Kan het niet goed opschrijven aangezien ik nog geen LaTeX kan, sorry!
Bij 3 elementen is dit de mooiste methode. Bij meer is het probleem ook anders en kun je een andere methode gebruiken.quote:Op zaterdag 7 november 2009 15:01 schreef Dzy het volgende:
Maar dit moet ook mooier kunnen, nu zijn het toevallig maar drie elementen in A met meer of oneindig kan dit niet zo natuurlijk..
Van a en b weet je dat ze reëel zijn (toch?).quote:Op zondag 8 november 2009 15:46 schreef Hanneke12345 het volgende:
Vanaf hier kom ik niet echt meer verder. c12+c22 is natuurlijk reëel, maar kan ik dan gelijk concluderen dat l ook reëel moet zijn?
Wat GlowMouse zegt klopt in feite, maar om nog iets meer te zeggen: bedenk dat je hier een derdegraads polynoom te pakken hebt, die heeft simpelweg hooguit drie (reële) oplossingen.quote:Op zaterdag 7 november 2009 15:01 schreef Dzy het volgende:
Ik moet het dus inderdaad formaliseren, maar ik vind dit al behoorlijk lastig te volgen, laat staan hier zelf op te komen. Ik ga nog even met deze som stoeien. De volgende som heb ik zelf opgelost maar ik denk dat het wel mooier kan:
A:= {1,2,3}
B := ( x ∈ |R : x3 - 6x2 + 11x - 6 = 0}
Bewijs of weerleg de inclusie A ⊆ B.
Ik ben nu gewoon de drie mogelijkheden langsgegaan, op de volgende manier:
1 ∈ B want (1-6+1-6=0)
2 ∈ B want (8-24+22-6=0)
3 ∈ B want (27-54+33-6=0)
Dus ∀x : x ∈ A ⇒ x∈ B
Maar dit moet ook mooier kunnen, nu zijn het toevallig maar drie elementen in A met meer of oneindig kan dit niet zo natuurlijk..
Schrijf om: l² - (a+b)l +ab - c'c' = 0 (jij had 2ab)quote:Op zondag 8 november 2009 15:46 schreef Hanneke12345 het volgende:
De matrix [ afbeelding ] moet ik van bewijzen dat 'ie alleen reële eigenwaardes heeft.
c is een complex getal 'c' (de c met streepje erop wat me teveel werk is ;p) de complex geconjugeerde van c.
Voor eigenwaarde l moet (a-l)(b-l) gelijk zijn aan c'c'
Als c = c1+c2i dan c'c'=c12+c22
(a-l)(b-l)=c'c'
Ok ja dat was een beetje een domme opmerking in dit geval. Ik vind het in ieder geval erg lastig die bewijzen te formaliseren. Ik zal hier binnenkort nog wel vaker komen met vragen. Hartstikke bedankt in ieder geval!quote:Op zondag 8 november 2009 17:14 schreef Iblis het volgende:
[..]
Wat GlowMouse zegt klopt in feite, maar om nog iets meer te zeggen: bedenk dat je hier een derdegraads polynoom te pakken hebt, die heeft simpelweg hooguit drie (reële) oplossingen.
Bij een verzameling met vier of meer elementen weet je dus sowieso dat deze geen deelverzameling kan zijn. Dus dat probleem ‘met oneindig veel elementen’ bestaat niet voor zo’n polynoom.
En nu is wat jij doet het simpelst.
| Forum Opties | |
|---|---|
| Forumhop: | |
| Hop naar: | |