abonnementen ibood.com bol.com Gearbest
pi_106809743
quote:
0s.gif Op vrijdag 13 januari 2012 00:56 schreef Clan het volgende:
Dit zijn twee documentaires die gaan over de acties van Kapitein Westerling en de DST op Celebes;

http://www.geschiedenis24(...)/Celebes-deel-1.html

http://www.geschiedenis24(...)/Celebes-deel-2.html
Dat zijn twee aardige afleveringen. Bedankt voor de link ^O^
pi_106936371
Atjeh-oorlog 1873-1914

GroepjeKNILmilitairenopterreinbinnendebentingteAtjeh1874.jpg
Militairen op terrein binnen de benting te Atjeh 1874

De Atjeh-oorlog (1873-1914) was een koloniale oorlog die het Koninkrijk der Nederlanden voerde met het aanvankelijk oogmerk om de zeevaart door Straat Malakka te beveiligen tegen zeerovers uit Atjeh. Later was het doel het Sultanaat Atjeh onder Nederlands koloniaal gezag te brengen en te houden.


De Aanleiding tot de Atjeh-oorlog lag in de uitwerking van het Sumatra-tractaat van 1824, waarin Nederland zich verplichtte reizigers langs Sumatra een veilige vaart te verzekeren, maar zich tevens verplicht had de vrije staat Atjeh te respecteren. In 1871 werd tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland een nieuw Sumatra-verdrag gesloten, dat Nederland de vrije hand gaf in Atjeh. Afgezien van het prestige was Atjeh rijk aan landbouwgrond, waar pepers werden verbouwd. Doordat Atjeh daarnaast de Straat Malakka beheerste en doordat de rol daarvan door de opening van het Suezkanaal steeds belangrijker was geworden, was er ook een strategische reden om zich met Atjeh te bemoeien: de Atjehnezen maakten zich veelvuldig schuldig aan zeeroof.

LandkaartvanhetoorlogsterreininAceh1874.jpg
Landkaart van het oorlogsterreinin Atjeh 1874

Eerste expeditie naar Atjeh (1873). Op 26 maart 1873 stuurde regeringscommissaris Nieuwenhuijzen, mede namens gouverneur-generaal Loudon, een oorlogsmanifest gericht aan de sultan van Atjeh, van wie men vermoedde dat hij de macht in het land had. Op het Nederlandse ultimatum kwam niet de gewenste reactie. Daarop landde de eerste expeditie onder opperbevel van generaal-majoor KŲhler op de kust van Atjeh met als doel de tuchtiging van de bevolking om daarna een traktaat te kunnen sluiten. De expeditie werd versneld naar Atjeh gestuurd omdat er geruchten gingen dat de sultan van Atjeh in onderhandeling was, mogelijk met ItaliŽ en de Verenigde Staten, om zijn neutraliteit te behouden. Deze eerste Nederlandse inval liep uit op een vervroegde terugkeer der troepen, omdat de Atjehnezen te sterk waren en de opperbevelhebber zelf dodelijk getroffen werd door een kogel.

XEersteAtjehExpeditieDeoostelijkezijdevandeBentingPenajoengvanhetKNILindenoordwesthoekvandekratonteKoetaradjatijdensdetweedeAtjeh-expeditie.jpg
Tweede Atjeh-expeditie

Tweede expeditie naar Atjeh (1873-1874). Gedurende de Tweede expeditie, onder leiding van generaal Van Swieten, werd de Kraton veroverd, waarop de expeditie en de oorlog als beŽindigd werd beschouwd en Atjeh overwonnen. Er werd een kleine bezettingsmacht achtergelaten ter verdediging van het veroverde en om op vreedzame wijze toenadering te zoeken tot de bevolking.

Atjeh-oorlog (periode 1874-1876) was de tijd na de tweede expeditie, dus van april 1874 tot februari 1876, toen Pel overleed. De eerste periode kenmerkte zich door een afwachtende houding, maar door omstandigheden gedwongen, moest men aan het einde van 1874 weer offensief te werk gaan.

XEersteAtjehExpeditieBentingPenajoengvanhetKNILindenoordwesthoekvandekratonteKoetaradjatijdensdetweedeAtjeh-expeditie1874.jpg
Tweede Atjeh-expeditie 1874

Atjeh-oorlog (periode 1876-1877) was de periode tussen het overlijden van Pel en de komst van generaal Van der Heijden. Gedurende deze periode werd, onder de generaals Wiggers van Kerchem en Diemont, een afwachtende houding aangenomen en werd het stelsel van generaal van Swieten strikt gevolgd.

AtjehoorlogAcehWarOfficiersdamesopvisite.jpg
Officiersdames op visite

Atjeh-oorlog (periode 1877-1881) was de periode, dat er te Atjeh weer offensief werd opgetreden, onder kolonel Van der Heijden. Het afwachtende systeem van de periode ervoor had niet het gewenste resultaat opgeleverd en overvallingen en onveiligheid namen steeds grotere proporties aan. Van der Heijden volgde de offensieve strategie en deed veldtochten naar alle hoeken van Atjeh. In 1881 was het land eindelijk onderworpen.

Atjeh-oorlog (periode van het civiele bestuur) was de periode van 1881 tot 1883, waarin het militaire bestuur van Van der Heijden werd vervangen door een civiel bestuur onder Pruijs van der Hoeven, die het concentratie-stelsel invoerde. Het koloniale leger verschool zich in zestien vestingen (bentengs) die onderling waren verbonden door een stoomtramlijn. Dit stelsel werd tot 1893 gebruikt. De tramweg was een geliefd doelwit gebleven van de Atjehnese strijders. Onder het bewind van Pruijs van der Hoeven liepen de zaken weer uit de hand. Hij wilde de militaire invloed tot een minimum terugdringen, stelde politieagenten aan om de vrede te bewaren en zocht toenadering met de bevolking, die daar niet op gesteld was. Het aantal overvallen en moordpartijen op Europeanen nam weer toe. Tenslotte werd de gouverneur gedwongen af te treden.

AtjehoorlogAcehWarOlifantentransporttussenLamMeuloTangseenGeumpang1.jpg
Olifantentransport tussen Lam Meulo Tangseen Geumpang

Atjeh-oorlog (voortzetting van de afwachtende politiek) was de periode tussen 1883 en 1891, waarin de zaken verder uit de hand liepen en de civiele gouverneur, Laging Tobias, tenslotte aftrad omdat hij zichzelf als civiel gouverneur te Atjeh niet op zijn plaats achtte, maar een militair gouverneur noodzakelijk achtte (1883). Van 1884 tot 1886, onder generaal Demmeni, gingen de zaken steeds verder achteruit, vanuit Nederlands perspectief. In 1883 al laaide de openlijke oorlog weer op, nadat het Britse schip Nisero strandde op Atjeh, in een gebied buiten de Nederlandse controlezŰnes. Een lokale leider gijzelde de bemanning, en vroeg aan zowel de Britse als de Nederlandse regering om losgeld. Nederland moest toegeven dat Atjeh nog niet onder controle was, waarop een gezamenlijke Brits-Nederlandse expeditie werd georganiseerd. Een rivaliserende lokale leider, Teukoe Oemar, werd om steun gevraagd, maar deze weigerde. Uiteindelijk beval de Sultan van Atjeh vrijlating van de gegijzelden, waarvoor hij veel geld van de Britten ontving, dat hij meteen voor zijn leger gebruikte. Generaal van Teijn volgde Demmeni op, maar de toestand bleef achteruit gaan. Geconfronteerd met een goed bewapende Atjehnese oppositie moest Nederland wel weer openlijk de strijd aangaan, hoewel het volgens de officiŽle lijn slechts om politionele acties ging, en niet om militaire. Atjeh was immers formeel al, in februari 1874, door generaal van Swieten geannexeerd. Teukoe Oemar en andere lokale leiders werden omgekocht met opium en geld, en ontvingen wapens in ruil voor toezegging van steun aan Nederland. Oemar verkreeg de titel panglima prang besar (opperste strijdheer van de regering) van Batavia, en nam een Nederlandse naam aan: hij noemde zichzelf nu Teuku Djohan Pahlawan (Johan de dappere). Op 1 januari 1894 verkreeg Oemar officieel toestemming een leger op te zetten. Twee jaar later echter viel Oemar de Nederlanders aan, nadat hij zich weer aan de Atjehse zijde had geschaard. Dit werd in Nederland bekend als Het Verraad van Teukoe Oemar, waarbij erg veel Nederlandse militairen omkwamen in een waar bloedbad. Deze gebeurtenis betekende het ontslag van generaal Deykerhoff, die inmiddels Van Teijn was opgevolgd.

GroepsportretvangeneraalVanHeutszmetzijnstaftijdensdebestormingvanBatIliAtjeh1901.jpg
Groepsportret van generaal Van Heutsz met zijn staf tijdens de bestorming van BatIli Atjeh 1901


Atjeh-oorlog (periode 1896-1901) was de periode, waarin, na het bloedbad van 1896, onder leiding van commandant van het Nederlands Indisch leger Vetter weer offensief werd opgetreden. Vetter werd een jaar later opgevolgd door Van Heutsz, die de offensieve lijn doorzette. Van Heutsz werkte samen met de onderzoeker Hurgronje die een diepgravende studie had gemaakt van Atjeh en zijn bevolking. Snouck Hurgronje was een arabist die groot aanzien genoot in Atjeh, mede door het feit dat hij moslim was (althans daar gaf hij zich voor uit) en een pelgrimstocht naar Mekka had gemaakt, wat zijn aanzien verder vergrootte. Snoucks rol is tot op de dag van vandaag onduidelijk, maar gelet op het feit dat een deel van zijn onderzoek gedurende lange tijd staatsgeheim was, kan men aannemen dat Snouck Hurgronje een uiterst effectief spion was. Hij kwam tot de conclusie dat er drie soorten machthebbers waren in de Atjehnese maatschappij: de sultans, de landheren (oeleŽebalang) en de religieuze leiders (oelemas). Hij adviseerde om geweld te gebruiken tegen de oelemas. De macht van de sultan stelde volgens hem feitelijk niets voor en de landadel, zoals Teukoe Oemar, diende door middel van omkoping of chantage tot bondgenoot van de Nederlandse machthebbers gemaakt te worden. Snouck Hurgronje zag echter over het hoofd dat het nationalisme inmiddels vaste voet in Atjeh had gekregen en dat de verdeel-en-heerspolitiek op den duur niet meer zou werken. Van Heutsz ontwikkelde de zogenaamde marechaussee-tactiek verder; oorlogsvoering met kleine goed bewapende mobiele eenheden van voornamelijk Menadonese en later Ambonese en Javaanse soldaten onder leiding van Europese officieren. In 1903 verklaarde Van Heutsz, die in 1898 gouverneur van Atjeh was geworden, dat de oorlog was gewonnen. Aanleiding was de plechtige overgave van sultan Mohammed Daoed aan Van Heutsz, met op de achtergrond een bijna levensgroot staatsieportret van Koningin Wilhelmina.

COLLECTIE_TROPENMUSEUM_De_onderwerping_van_de_sultan_van_Aceh_en_zijn_zoon_in_het_gouvernementshuis_te_Kotaraja_met_generaal_Van_Heutsz_kapi.jpg
De onderwerping van de sultan van Aceh en zijn zoon in het gouvernementshuis te Kotaraja met generaal Van Heutsz

Atjeh-oorlog onder Van Daalen was de periode, waarin luitenant-kolonel van Daalen het bewind voerde te Atjeh. In deze jaren werden de resterende guerrillabenden ťťn voor ťťn uitgeschakeld, de laatste in 1914. Daarmee leek het verzet gebroken en dat jaar werd daarom wel beschouwd als het feitelijke einde van de Atjeh-oorlog (in deze jaren, na 1914, onder gouverneur Swart).

AtjehoorlogAcehWarVanDaalen1904veroverdebentengKoetoRehtijdensdetochtonderVanDaalendoorhetGajoelanderbleven561gesneveldeGajoesliggen.jpg
Veroverde benteng Koeto Reh tijdens de tocht onder Van Daalen door het Gajoeland er bleven 561 gesnevelde Gajoes liggen 1904

Helemaal rustig werd het nooit in Atjeh. Van tijd tot tijd flakkerde het vuur van het verzet weer op. Europeanen waren het doelwit van moordaanslagen en in de jaren 1920-1930 kwam het tot lokale opstanden van flinke omvang. Toen in 1942 de Japanse landing voor de deur stond kwamen de Atjehers meteen in opstand en werden de Nederlanders -deze keer voorgoed- uit Atjeh verdreven. De Atjehnezen stellen dat zij zich nooit hebben overgegeven en houden het einde van hun oorlog met Nederland op 1942.

In totaal vielen in Atjeh naar een schatting van onderzoeker Paul van 't Veer, meer dan 100.000 doden en een half miljoen gewonden. Aan Nederlandse kant sneuvelden circa 2.000 Europese en inheemse militairen en bezweken er nog eens ruim 10.000 aan ziekten als cholera, buiktyfus en beriberi. Van de indonesische dwangarbeiders in Nederlandse dienst kwamen er naar schatting 25.000 om. Hierbij zij ter nuancering aangetekend, dat gedurende de periode, na de dekolonisatie, onder legerleider Soeharto, meer dan 500.000 mensen het leven verloren, mede te Atjeh, en in de periode 1989-1998, te Atjeh, door een actie van het Indonesisch leger, nog eens 10.000 burgerdoden vielen.

Bron: Wikipedia
pi_106938827
Erg mooi filmpje, het valt me keer op keer op hoe goed jij een beeld kan geven aan een situatie/plek/oorlog, waar we het vaak met droge geschreven tekst moeten doen of wat wazige foto's zonder bijschrift weet jij toch elke keer zoiets een gezicht te geven, waarvoor hulde _O_
pi_106972661
Eerste Atjehexpeditie 1873-1874

De Eerste expeditie naar Atjeh in mei 1873 was een strafexpeditie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger tegen Atjeh in 1873 en 1874 met als doel een nieuw traktaat te sluiten, als vervolg op het traktaat uit 1859 (gesloten door generaal van Swieten) teneinde zeeroof tegen te gaan.

XEersteAtjehExpeditie.jpg
Eerste Atjehexpeditie

De eerste expeditie naar Atjeh

XGeneraal_Kohler.jpg
Generaal Kohler

Door het Verdrag van Sumatra werd Nederland verantwoordelijk gehouden voor de gevolgen van de toenemende zeeroverij aan de noordkust van Sumatra na de opening van het Suezkanaal. Regeringscommissaris Nieuwenhuijzen werd naar Atjeh gestuurd om te onderhandelen maar toen dit niet tot een gewenst tractaat leidde, verklaarde hij, na overleg met gouverneur-generaal Loudon, Atjeh de oorlog. Een blokkade van de kust had niet de gewenste uitwerking gehad. De regering stuurde nu een expeditie naar Atjeh, eerst onder leiding van Generaal KŲhler en na diens dood van kolonel van Daalen.

Generaal_Kohler_sneuvelt_in_de_Mesigit.jpg
Generaal Kohler sneuvelt in de Mesigit

Op deze expeditie maakte men voor het eerst gebruik van de dan nieuw geÔntroduceerde beaumontgeweren, maar de expeditie eindigde met een voortijdige terugkeer naar Java. Weliswaar was de Mesigit twee keer veroverd (na de tweede verovering sneuvelde KŲhler) maar ook weer prijsgegeven. Er vond een stormaanval op de Kraton plaats, op 16 april, onder leiding van majoor Cavaljť maar die kon niet doorgezet worden doordat de overmacht van de Atjehnezen te groot was en er een groot aantal doden en gewonden vielen. Men was niet genoeg voorbereid geweest op deze bestorming en op die van de Mesigit, waardoor die in front moest plaatsvinden. Daarnaast was de hoeveelheid (zwaar) geschut (de artillerie) onvoldoende en kende men de vijand niet goed genoeg. De troepen moesten zich terugtrekken naar het strand en in overleg met regeringscommissaris Nieuwenhuijzen (die in contact stond met gouverneur-generaal Loudon) besloot men Atjeh geheel te verlaten en terug te keren naar Java.

Daalen-EC-van.jpg
Kolonel Eeldert Christiaan van Daalen

Gevolgen van de expeditie

Men had volgens velen beter een versterkt punt kunnen behouden op de kust. Commandant van de marine (Koopman) kon echter geen zekerheid geven dat een geregelde verbinding tussen de wal en de rede tijdens de naderende kwade moesson mogelijk was, waardoor de aanvoer van nieuwe troepen onzeker werd. Na de terugkeer van de expeditionaire macht werd de schuld voor het mislukken van de expeditie gelegd bij de bevelhebbers. Er werd door gouverneur-generaal Loudon een enquÍte ingesteld waarbij ondergeschikten moesten oordelen over de handelingen van hun chefs. Deze enquÍte was dan ook zeer omstreden en een der geschilpunten in de "papieren oorlog" na de eerste Atjeh-oorlog (documenten en geschriften pro en contra de enquÍte gingen over en weer). De enquÍte kreeg nog een staartje toen, na de tweede expeditie naar Atjeh, de uiterst verdienstelijke kapitein en chef van de staf van de tweede brigade Van Daalen de hand weigerde te drukken van gouverneur-generaal Loudon.

Kroesen_WE.jpg
Luitenant-generaal Kroesen

De reden daarvoor was onder meer dat Loudon de enquÍte had ingesteld waardoor de oom van Van Daalen, de opperbevelhebber van de eerste expeditie, kolonel van Daalen, als kwade genius achter het mislukken van deze expeditie gepresenteerd werd en gedurende de enquÍte de (dan al overleden) vroegere chef van Van Daalen, commandant van het Indische leger, Kroesen verweten werd, de Nederlands Indische regering onvoldoende geÔnformeerd te hebben over de zorgwekkende toestand der bewapening van het leger. Loudon weigerde Van Daalen (de neef) vervolgens de Militaire Willems-Orde en zorgde ervoor dat Van Daalen met vervroegd pensioen werd gezonden. Het liefste had Loudon dit oneervol gedaan maar daarvoor waren de verdiensten van Van Daalen te groot geweest.

Atjehmedaille.jpg
Atjehmedaille

Koning Willem III stichtte op 12 mei 1874 een Atjeh-medaille 1873-1874. Bijzonder is dat de dragers van deze Atjeh-medaille ook een gesp met het opschrift "ATJEH 1873-1874" op het lint van het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven mochten dragen. Er werden ook kruisen van de Militaire Willems-Orde en Medailles voor Moed en Trouw uitgereikt.

ZilverenMedaillevoorMoedenTrouwvoorzijde1839-1.jpg
Zilveren Medaille voor Moed en Trouw (voorzijde), 1839
Bronzen Medaille voor Moed en Trouw (keerzijde Maleis), na 1869


Bron: Wikipedia/CIC/Geheugen van Nederland
pi_107006580
Tweede Atjehexpeditie 1873-1874

De tweede expeditie naar Atjeh was het vervolg op de mislukte eerste expeditie naar Atjeh van het Nederlands Indisch leger.

XGeneraalvanSwieten.jpg
Generaal van Swieten

Voorbereiding

De expeditie duurde formeel van 20 november 1873 (inscheping van generaal van Swieten en zijn troepen naar Atjeh) tot 26 april 1874 (inscheping van de generaal naar Java met de hoofdmacht). Oorspronkelijk was door gouverneur-generaal Loudon bepaald dat generaal Verspijck het opperbevel zou voeren maar hij veranderde, onder invloed van zijn adjudant, van mening en meende er juist aan te doen de dan reeds lang gepensioneerde generaal van Swieten aan te stellen in de functie van opperbevelhebber en regeringscommissaris. Een van diens eerste daden was de troepenmacht met een derde te verminderen, en van het restant nog eens een derde (de zogenaamde Padangse brigade) te Padang achter te laten als reserve. Ook het aantal transportschepen werd beperkt, waardoor de cholera tot volle bloei kon komen tijdens de overtocht, gedurende welke de soldaten opeengepakt zaten. In zijn eerste dagorder van 21 november 1873 bedreigde van Swieten zijn eigen manschappen met de dood als zij kampongs in brand zouden steken.

XLandingsdivisievanmariniersenmarineaanhetbeginvandeAtjeh-oorlog1873-74.jpg
Landingsdivisie van mariniers en marine aan het begin van de Atjeh-oorlog 1873

De eigenlijke expeditie

Uiteindelijk door cholera en gebrek aan drinkwater gedwongen vond op 9 december de landing plaats. Oorspronkelijk was het plan van generaal Verspijck om met een tweede colonne aan de westkust van Sumatra eveneens te landen en dan van 2 kanten de Kraton te naderen. Van Swieten wees dit plan af, trok op een zeer trage wijze naar Penajoeng, bleef hier dagen dralen om uiteindelijk op 6 januari de Mesigit van voren, zonder voorafgaande verkenningen, aan te vallen en uiteindelijk met veel verlies aan manschappen in te nemen (met name onder het derde bataljon infanterie onder leiding van commandant en majoor Cavaljť vielen veel doden en gewonden).

XEersteAtjehExpeditieArtilleristenvanhetKNILtijdensdetweedeAtjeh-expeditie.jpg
Artilleristen van het KNIL tijdens de tweede Atjeh-expeditie

XEersteAtjehExpeditieGroepsfotovanofficierendermilitaireadministratieinKoetaradjatijdensdetweedeAtjeh-expeditie.jpg
Groepsfoto van officieren der militaire administratie in Koeta radja tijdens de tweede Atjeh-expeditie

Er was door de Atjehnezen een enveloppe voor de Mesigit aangelegd, waarvan generaal van Swieten, door het gebrek aan verkenningen, onwetend was. Daarnaast achtte hij het nodig zijn acht informanten (die het terrein kenden) uit kostenoverwegingen heen te zenden. Wederom volgde nu een periode van passiviteit, zonder verkenningen, en pas op 24 januari werd de Kraton (weer frontaal) aangevallen, zodat de vijand alle tijd had om bijtijds weg te komen.

XEersteAtjehExpeditieGroepsfotovanonderofficierenvanhetKNILteAtjehtijdensdetweedeexpeditie1873.jpg
Groepsfoto van onderofficieren van het KNIL te Atjeh tijdens de tweede expeditie

Van Swieten achtte nu de oorlog beŽindigd en schreef dit in proclamaties aan het "verslagen" Atjehnese volk. Kapitein der artillerie Borel schreef hier terecht over dat een oorlog pas ten einde is als beide partijen het daarover eens zijn. En dat waren de Atjehnezen beslist niet.

LuitenantBorel.jpg
Kapitein der artillerie Borel

Er volgden nog enkele gevechten op de 29ste januari, een aanval op het bivak te Penajoeng op 12 februari en daarnaast nog het echec Romswinckel op 16 april (een nederlaag tegen de Atjehnezen, die een versterking pal onder de wallen van de Kraton hadden kunnen opwerpen omdat er geen patrouilles plaats hadden).

LuitenantVanRomswinckel.jpg
Majoor Romswinckel

De manschappen waren verplicht de proclamaties van Van Swieten verder te verspreiden onder de "verslagen" Atjehnezen; de toon daarvan was bevoogdend en aanmatigend. De opperbevelhebber zelf hield zich intussen onledig met het ontvangen van (waarschijnlijk) spionnen en Atjehnese passanten, aan wiens oordeel hij meer waarde hechtte dan aan het oordeel van zijn eigen manschappen (getuige het: hij, de onbekwame, subalterne kapitein Borel over kapitein Borel, of hij, de vechtmajoor over majoor Romswinckel, of hij is avontuurlijk en mist besef van de hogere krijgskunde over generaal Verspijck.

XEersteAtjehExpeditieGroepsfotovanKNIL-officiereninbezettingteKoetaradjainAtjehtijdensdetweedeexpeditie1873-1874.jpg
Officieren in bezetting te Koeta radja in Atjeh tijdens de tweede expeditie

XEersteAtjehExpeditieKNIL-artilleriegelegenaandehoofdweginbivakPenajoengbijKoetaradjatijdensdetweedeAtjeh-expeditie.jpg
KNIL-artillerie gelegen aan de hoofdweg in bivak Penajoeng bij Koeta radja tijdens de tweede Atjeh-expeditie

Aan Gigien betaalde hij 24.000 guldens, zodat daar de Nederlandse vlag gehesen werd. Dit zogenaamde kopen van de vlag bracht onder menigeen een gevoel van wrevel teweeg omdat het niet strookte met de Nederlandse waardigheid. Maar Van Swieten meende dat onderworpenheid beter door kopen dan door vechten bereikt kon worden en zag er niets onwaardigs in.

XEersteAtjehExpeditieBentingPenajoengvanhetKNILindenoordwesthoekvandekratonteKoetaradjatijdensdetweedeAtjeh-expeditie1874.jpg
Benting Penajoeng van het KNIL in de noordwesthoek van de kraton te Koeta radja tijdens de tweede Atjeh-expeditie1874

XEersteAtjehExpeditieDeoostelijkezijdevandeBentingPenajoengvanhetKNILindenoordwesthoekvandekratonteKoetaradjatijdensdetweedeAtjeh-expeditie.jpg
De oostelijke zijde van de Benting Penajoeng van het KNIL in de noordwesthoek van de kraton te Koeta radja tijdens de tweede Atjeh-expeditie

De wrange erfenis

Op 26 april (dus een week na het echec Romswinckel) vertrok generaal van Swieten met de hoofdmacht naar Batavia om "de palm der overwinning" te vieren. De manschappen van zijn leger, die in Atjeh moesten achterblijven, moesten de tijd zien te doden (er mochten geen offensieve acties plaatsvinden, volgens de door Van Swieten nagelaten order en daar waren nu dan ook geen manschappen genoeg meer voor) in een desolate, onveilige stelling, waar cholera en vijanden vrij spel hadden en waar na een overstroming de lichamen van hun begraven metgezellen weer boven de aarde kwamen, waardoor er wekenlang een lijkenlucht hing.

GroepjeKNILmilitairenopterreinbinnendebentingteAtjeh1874.jpg
Groepje KNIL militairen op terrein binnen de benting te Atjeh 1874

Daarnaast moesten ze lijdelijk toezien hoe nabij het verlaten bivak Penajoeng andere gestorven kameraden door de Atjehnezen werden opgegraven en verminkt. Generaal Pel zou aan deze niet zo fraaie erfenis nog een zware dobber hebben. Ook in latere jaren bleef generaal van Swieten zich intensief met de politiek in Atjeh bezig houden, hetgeen later de machinaties tot gevolg zouden hebben die tot het aftreden van generaal van der Heijden en het desastreuze optreden van de civiel commissaris Pruijs van der Hoeven zouden leiden.

XEersteAtjehExpeditieVeldwachtaandeoostelijkezijdevanhetbivakPenajoengbijKoetaradjatijdensdetweedeAtjeh-expeditie.jpg
Veldwacht aan de oostelijke zijde van het bivak Penajoeng bij Koeta radja tijdens de tweede Atjeh-expeditie

Koning Willem III stichtte op 12 mei 1874 een Atjeh-medaille 1873-1874. De medaille werd niet alleen voor de eerste expeditie naar Atjeh maar ook voor aanwezigheid in Atjeh gedurende de eerste zes maanden van de Tweede expeditie naar Atjeh verleend. Bijzonder is dat de dragers van deze Atjeh-medaille ook een gesp met de opschrift "ATJEH 1873-1874" op het lint van het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven mochten dragen.

MilitaireWillemsordeEretekenvoorKrijgsbedrijvenenOfficierskruis.jpg
Militaire Willemsorde, Ereteken voor Krijgsbedrijven en Officierskruis

Er werden ook kruisen van de Militaire Willems-Orde en Medailles voor Moed en Trouw uitgereikt aan hen die buitengewone moed, beleid en trouw hadden getoond. Een opvallend persoon bij deze uitreikingen was deThŁringse edelman von BŁltzingslŲwen, over wie de opperleiding van de expeditie zeer te spreken was, en die de eretitel eerste flankeur van het Nederlands Indische leger verwierf, evenals het ridderschap in de Militaire Willems-Orde.

Eretekenvoorkrijgsbedrijven.jpg
Eervolle vermelding

Bron; Wikipedia/Geheugen van Nederland/NIMH
pi_107114153
Atjeh-oorlog (periode 1874-1876)

De Atjeh-oorlog: onder leiding van kolonel Pel (1874-1876) was het vervolg op de tweede expeditie naar Atjeh van het Nederlands Indisch leger.

GeneraalPel_JLJH_3.jpg
Generaal Pel

Begintijd

Generaal van Swieten had het opperbevel van de troepen te Atjeh in april 1874 overgedragen aan kolonel Pel, met de instructie om voort te gaan op de ingeslagen weg, nu de Kraton in het bezit van de Nederlandse troepen was, namelijk hoofden en bevolking, bij voorkeur langs minnelijke weg, tot onderwerping brengen. Naar het stelsel van Van Swieten moest de verdediging passief blijven; men diende de vijand niet op te zoeken in zijn goed aangelegde en verdedigde stellingen, als ze de Nederlandse troepen niet hinderden. De troepen die achterbleven, na het vertrek van de hoofdmacht, waren vijf halve bataljons infanterie: het rechterhalf 2de onder majoor M.A.E. Phaff, het rechterhalf 3de onder luitenant-kolonel Wiegand, het linkerhalf 3de onder majoor F.B.A. Grooss, het rechterhalf 9de onder majoor C.J. Knoote en het linkerhalf 9de onder majoor Romswinckel; onder majoor van Zijll de Jong, de 6de compagnie artillerie met 6 korte bronzen kanonnen van 12 cm., 6 zware getrokken bronzen kanonnen van 8 cm., 12 gladde ijzeren kanonnen van 9 cm., 2 mitrailleuses en 4 bronzen mortieren van 20 cm; de derde compagnie berggeschut, met 6 lichte bronzen getrokken kanonnen van 8 cm., 6 mortieren van 12 cm. en 60 paarden; 5 genie-officieren met 109 onderofficieren en manschappen onder majoor der genie W.J. Leers; de nodige intendance en geneeskundige dienst, personeel voor militaire verkenningen en ordonnance-dienst; te samen 128 officieren, 1.788 Europese onderofficieren en minderen, 176 Afrikanen (ook wel Orang Blanda Itam genoemd), 489 Ambonezen en 698 inlanders; op Poeloe Bras bevond zich een detachement van het Korps Mariniers voor de bouw van de Willemstoren. Met deze macht moest kolonel Pel zijn opdracht uitvoeren.

De Kraton als hoofdkwartier zou later een slechte keuze blijken te zijn. Kolonel Pel kon echter niets anders doen dan zich volgens plan terugtrekken in een afwachtings gebied met de kraton als hoofdkwartier, vanuit de gedachte dat de kraton het centrum van de macht was. Aan dit gebied werden vervolgens de volgende eisen gesteld. Om aan alle eisen te voldoen werd het een gebied voldoen werd het vanuit een tactisch oogpunt een onmogelijk te verdedigen gebied. Bovendien had de kraton geen enkele strategische waarde, het was puur geestelijk. Deze politiek zou bekend komen te staan als de Benteng Politiek. Een belangrijke voorwaarde was dat de kraton ten allen tijde gemeenschap met de rede te bezitten.

Gezicht_in_de_Kraton_noordkant.jpg
Gezicht in de Kraton noordkant

Er bestonden twee mogelijkheden, tw. vanuit de kraton via de Kroeeng Daroe en de Atjeh rivier richting het strand. De marine wees er nadrukkelijk bij herhaling op dat de monding van de Atjeh Rivier in zee gedurende bepaalde perioden van het jaar onbevaarbaar zou zijn in verband met de branding en verschuivende zandbanken. Verder kon de rivier tijdens zware Moesson gevaarlijk zijn. Een vereiste hierbij was dat de rechteroever vanaf Koeta Radja volledig in onze handen moest zijn. Als verdediging van de rechteroever, de zgn. Oosterlinie, werd de Pedirdijk aangewezen. De tweede mogelijkheid was over land via de zgn. Sultansweg. Voor deze route was het nodig om een post te bezitten te Oleh Leh. Om de weg te beschermen werd in alle haast de Westerlinie aangelegd. Met de moesson op komst in Mei was het snel veiligstellen van deze route van levensbelang. De kraton was een dermate ongezond verblijf dat het leger steeds verder "wegsmolt" (bij overstromingen kwamen oude graven aan de oppervlak en hing er wekenlang een lijkenlucht), en het moreel van de troepen steeds slechter werd. Generaal van Swieten had aldus een zeer slechte erfenis nagelaten. Dag in dag uit werden de troepen getart door de Atjehnezen. 's Nachts liep men gevaar overrompeld en uitgemoord te worden, in de onveilige, aan twee zijden dicht begroeide kraton.

AtjehoorlogAcehWarOfficieren.jpg
Officieren

De buitengewoon slechte gezondheidstoestand van het leger

Terwijl Van Swieten op als held werd ingehaald in Batavia, was binnen een maand na zijn vertrek van de totale Nederlandse troepenmacht al bijna 50% uitgeschakeld (ziek, gesneuveld of gewond). De sterfte onder de troepen was buitengewoon groot, met de dwangarbeiders was het nog slechter gesteld. Sommige compagnieŽn konden geen 30 man meer onder de wapenen brengen van de 125 man organieke sterke. In zijn rapporten aan de regering verbloemde Kolonel Pel de zorgwekkende situatie in Atjeh niet. Met klem drong hij aan op spoedige toezending van versterkings- en aanvullingstroepen, zomede van geschut met het nodige personeel en munitie. Op 25 november 1874 werd door de genie gestart met het boren van een artesischen water put. Dat werk was dringend nodig, want er bestond in het hoofdkwartier dringend behoefte aan zuiver drinkwater. De gezondheidstoestand had zich in november 1874 nog niet verbeterd. Meer dan 700 zieken en gewonden werden eind november 1874 in de ambulances verpleegd. 11 officieren en bijna 200 manschappen zouden op 8 en 9 december 1874 naar Java geŽvacueerd worden aan boord van de 3 stoomschepen waarmee het 5e en het 10e bataljon infanterie gekomen waren, waardoor de ambulance weer wat meer lucht kreeg. In februari 1875 was de gezondheidstoestand nog steeds buitengewoon slecht. Allerlei ziekten, waaronder voornamelijk cholera, hadden op vreselijke wijze onder de troepen en koelies huisgehouden, niet alleen te Kota Radja maar ook in de bentengs. Alleen al in de ambulances te Kota Radja stierven die maand bijna 500 mensen, waaronder ca. 270 militairen. Gemiddeld dus 15 a 18 per dag, maar er waren zelfs dagen bij waarop het sterftecijfer tot zelfs 30 per dag klom. Het 5e bataljon infanterie, dat op 9 december 1874 met 500 man (voornamelijk Europeanen) vanuit Java was aangekomen, kon half februari 1875 nog slechts 100 bruikbare soldaten op de been brengen. Ondertussen was wel gebleken dat de kraton een slechte keuze was geweest met oog op de gezondheid maar er was nu geen weg meer terug. De toestand was zo onrustbarend dat men krachtige maatregelen moest nemen om ondergang van het gehele leger te voorkomen. Het hoofdkwartier in de kraton leek wel een grote ziekeninrichting hetgeen de kans op besmetting vergrootte en het moreel van de troepen geen goed deed. Voortdurend zag men lijken worden afgevoerd, gewikkeld in een sprei en door middel van een op wielen geplaatste brancard naar het kerkhof te K.Podjoet gebracht. Een eerste belangrijke stap was het overbrengen van de ambulances naar de rechteroever van de Atjeh Rivier, op de grasvlakte van Pantej Perak aan de zuidzijde van Penajoeng, waar een uitstekende gelegenheid tot bouwen bestond.

Voor de Atjehers was de strijd nu pas begonnen

Aanvankelijk zette kolonel Pel de politiek voort van zijn voorganger Van Swieten; afwachten tot de Atjehers hun onderwerping vrijwillig kwamen aanbieden. Dat de werkelijkheid lag anders voor de Atjehers en dat de strijd pas net begonnen was, bleek al toen in de nacht van 26 op 27 april 1874 de Atjehers massaal Marassa, het grondgebied van onze enige bondgenoot Teukoe Nek, aan om zodoende met de moesson op komst de weg naar de rede af te snijden en de verraders te straffen. De Marassanen zelf wisten de aanval op het nippertje af te slaan. Twee compagniŽn Afrikanen van het linker half 2e bataljon infanterie die gelegerd waren in Kampong Djawa werden direct naar Marassa en Lam Permeij gezonden om onze bondgenoot te beschermen. Door de aanval werd pijnlijk duidelijk hoe kwetsbaar de Nederlandse troepen waren en dat de Atjehers fanatieke en energieke tegenstanders waren die een “perang sabil” of “Djihad” (heilige oorlog) hadden afgekondigd tegen de Nederlandse “Kaffirs” (heidenen). Reeds de eerste nacht dat de troepen de reede verlaten hadden werd het nieuwe hoofdkwartier in de kraton, bij herhaling door de vijand gealarmeerd en moest de gehele bezetting onder de wapens komen. Op verschillende plaatsen in de omtrak werd op karbouwen hoorns geblazen of op gongs geslagen; er was blijkbaar iets aan de hand. De manschappen van zijn leger, die in Atjeh moesten achterblijven, moesten de tijd zien te doden (er mochten geen offensieve acties plaats vinden, volgens de door Van Swieten nagelaten order en daar waren nu dan ook geen manschappen genoeg meer voor) in een desolate, onveilige stelling, waar cholera en vijanden vrij spel hadden. Ondertussen begonnen de Atjehers de kraton meer en meer te naderen en vlogen de kogels iedere dag door de binnen ruimte. Men kon de tegenstanders vaak niet zien, maar wel horen. Zo was een veel gebruikte tactiek van de Atjehers om vooral ’s nachts maken van geluid met gongs en hoorns. Het gevolg was dat de Nederlandse troepen vaak geen oog dicht konden doen. Zowel onder de officieren als de manschappen heerste ondertussen een zeer gedrukte stemming. Kolonel Pel besefte dat het zo niet langer door kon gaan en dat de kraton middels bentengs beschermd moest worden maar kon verder weinig doen dan wachten op versterking door het gebrek aan mobiele troepen. In mei 1875 was de linie van Pel gereed. Het Nederlandse hoofdkwartier in de Kraton te Koeta Radja moest veilig zijn. De kraton was een moeilijk te beschermen gebied met een rivier de Kr Daroeh door het midden. Vanuit het zuiden was de Kraton zeer kwetsbaar wegens het gebrek aan een verdedigings wal. Besloten werd om het dicht begroeide terrein rondom de kraton op te ruimen en de kraton op een afstand van 1200 tot 1500 passen te omringen met een beschermende rij posten of buitenwerken (Zuider Linie), die de vijand op veilige afstand konden houden. De Zuiderlinie moest vervolgens aansluiten aan de Wester- en Oosterlinie om zo het gehele gebied af te sluiten. Pas na aankomst van nieuwe troepen was Pel in staat het contact met de rede te herstellen en te Oele Leh een (improvisorisch) brughoofd aan te leggen. Hij werd door de omstandigheden verder gedwongen een reeks van versterkingen aan te leggen en vijandelijke bentengs uit te schakelen.

XMilitairen_van_het_KNIL_op_de_Kraton1874.jpg
Militairen van het KNIL op de Kraton 1874

De Linie van Pel, Uitvoering van de Bentengpolitiek, april 1874 – 12 Juni 1875

Hand in hand met het beschikbaar komen van voldoende troepen werd in de loop van 1874 en eerste helft van 1875 gewerkt aan de aanleg en versterking van de linie rondom Koeta Radja, die de “Linie van Pel” zou gaan heten. Op 11 juni 1874 kwam dan eindelijk het Stoomschip Baron Sloet van de Beele met 400 man versterking en op 12 juni ankerde ook de stomer Prins Alexander ter rede van Oleh Leh met een paar honderd man aanvullingstroepen. Verder werden de voorraden aangevuld die ondertussen aardig geslonken waren. Hierdoor kreeg Pel wat meer armslag voor het realiseren van de afsluitingslinie. Op 30 juni 1874 arriveerden wederom 100 man aanvulling van Java ter vervanging van zieken en gewonden. Op 21 augustus 1874 arriveerde een voltallige compagnie van het 6e bataljon infanterie uit Padang gevolgd op 11 september 1874 door nog eens twee cie en de staf van het 6e bataljon infanterie. Op 22 september 1874 werd een tweede compagnie Vesting Artillerie opgericht. Begin oktober 1874 volgde de ontbrekende cie van het 6e bataljon infanterie uit Padang samen met een compagnie van het Korps Mariniers die reeds sedert 6 maanden te Padang Pandjang (Westkust van Sumatra) in garnizoen gelegen had in afwachting op inzet op het oorlogs toneel. Deze troepen kwamen goed van pas want het oprichten van de drie posten te Langkroek eind september 1874 had de vraag naar extra troepen vergroot. Bovendien werden op dat moment meer dan 600 zieken in de ambulance te K. Radja verpleegd. Het aantal bentengs stond vooraf niet vast maar de kunst was om maximaal effect te bereiken met een minimaal aantal posten gelet op de beperkte troepen middelen. Zodoende ontstonden er posten maar werden er ook posten weer opgeheven als ze onvoldoende nut bezaten. De bentengs werden aanvankelijk onder bijzonder zware (weers-) omstandigheden aangelegd. Zo liep de hele vallei van de Atjeh rivier in December 1874 onder water als gevolg van de zware Moesson regenval (vanaf Mei). Bij vrijwel iedere benteng moesten voor aanvang van de werkzaamheden zeer felle gevechten met fanatieke Djihad strijders worden geleverd.

Na gelang de stelling zich begin 1875 verder uitbreidde, werd het aantal posten dat zijn recht van bestaan verloren had groter. Toch besloot Pel om de posten niet direct te ontmantelen ondanks de grote druk die dit gaf op de beschikbare mobiele troepenmacht. Onder de posten die sedert kortere of langere tijd hun recht van bestaan verloren hadden behoorden Merdoewati (K.Loeng), Lampasej en Kampong Djawa in het Marassa gebied en verder oostwaarts van de rivier, de posten Marine Benteng, Penajoeng, Kota Radja Bedil, Lamara-West, Lamgkroek-West, Lemboe-Noord en de zgn. Rivier-Benteng (Lemboe-Zuid). Ook in de Zuider- en Wester linie waren nog enige posten die hun betekenis verloren hadden en toch bezet bleven, zoals Pendetti, Blang Tjoet, de Ooster-Benteng, Lampoe Oek en Mandarsa Poeti. In het begin van mei 1875, 1 zwaar jaar na de aanvang, was de geplande aansluiting tussen de posten van de Zuider- en Westerlinie verkregen en bezaten wij een linie die liep Blang Tjoet, aan de linker oever van de Atjeh Rivier, westwaarts over Longbatta Mesigit, Lohong, Lamara, Gitjiel, Setoe, Lamteboe, Poengej Blang Tjoet, Poe Oe, Soerian en Blang Oe tot aan het zeestrand te Oleh Leh. Kota Radja was nu dus aan de zuid- en oost. De stelling van Kota Radja werd aan alle zijden beschermd door een keten van forten; het contact met de zee was, ook langs de Atjeh-river, redelijk verzekerd; het voormalige sultansgebied was in Nederlandse handen, alsmede Marassa, Longbatta en een deel van de III Moekims.

XVoor-de-Kraton2.jpg
Voor de Kraton

Aanval op Longbatta, 31 december 1874

Allereerst werden nu het landschap Marassa en verschillende punten aan de rechteroever van de Atjeh-rivier als ook ten zuiden en zuidwesten van de hoofdplaats, de Kraton of Kota Radja, bezet. Er werd overgegaan tot de aanleg van een zeehoofd te Oeleh Leh en werd er een spoorlijn aangelegd tussen Kota Radja en die plaats; er werd daarnaast een vuurtoren (de Willemstoren) gebouwd te Poeloe Bras. In Groot-Atjeh was geen spoor van toenadering te bekennen; met de vijand werd op 20 juni 1874 een hardnekkig gevecht gevoerd om een aantal punten, die door de Nederlandse troepen bezet moesten worden om de vrije vaart op de Atjeh-rivier te herstellen. De vijand, naar schatting 3.000 Pedirezen, had stelling genomen in de kampongrand van Lampoeloe en in de dichtbegroeide rand van het oude bivak te Penajoeng. De toestand ten noorden van Kota Radja mocht na het bezetten van Lemboe en Kota-Alam redelijk zijn, Longbatta zuidoostwaarts was stevig versterkt en het hoofd daarvan dacht aan geen onderwerping. Aanhoudende regen en overstromingen beletten de troepen offensief optreden terwijl ook versterking van die troepen hard nodig was; pas op de laatste dag van 1874 kon tot de aanval op Longbatta worden overgegaan. Kolonel Pel nam zelf de algemene leiding op zich; met het eigenlijke commando werd overste Wiegand (tweede commandant en chef van de staf) belast; er zou in twee colonnes worden geageerd; het rechterhalf vijfde zou Longbatta in front aanvallen, het andere bataljon zou een omtrekkende beweging maken; al bij het aannemen van de gevechts-formatie werden de Nederlandse troepen ontdekt en beschoten; twee bentings, tussen Kota Radja en Lampoe Oek gelegen, werden stormenderhand veroverd. Nu pas kon de gehele colonne naar het oosten oprukken. In kampong Lampoe Oek werden geen vijanden gevonden maar het terrein leverde grote moeilijkheden op; men kon niet in verbinding treden met de andere colonne en men keerde terug naar de bentings die 's morgens genomen waren; intussen waren twee compagnieŽn van het rechterhalf 3de bataljon naar het zuiden, naar kampong Atoeh gemarcheerd, om de beweging van de eerste colonne te steunen; door het dichtbegroeide terrein kwamen zij niet in aanraking met het rechterhalf 5de terwijl ook haar signalen verkeerd begrepen werden. De derde colonne was doorgedrongen tot een grote sawah, door de kampongs Longbatta, Blang Tjoet en Lohong ingesloten; de vijand had in de kampongrand drie versterkingen aangelegd die werden veroverd, evenals de Mesigit. De colonne-commandant rukte nu met twee compagnieŽn naar Kampong LoŲng op, dat was gelegen tussen Lohong en de Mesigit Longbatta; door een misverstand werd er geen bezetting achtergelaten in de veroverde benting en evenmin in de Mesigit; toen de troepen uit LoŲng terugtrokken volgden zij een galangan, die hen door een aantal modderpoelen voerde; de Atjehnezen drongen zo dicht op dat de terugtocht ontaardde in een verwarde vlucht, waarbij het niet meer mogelijk was de doden mee te voeren en zelfs niet de gewonden; meerdere soldaten benamen zich het leven om niet in de handen van de vijand te vallen; herhaaldelijk deden de Atjehnezen klewangaanvallen en deze terugtocht kostte de Nederlandse troepen 42 doden en gewonden. Een compagnie van het rechterhalf 3de bataljon werd van Kota Radja gezonden om de veroverde stelling bij Longbatta-Mesigit te bezetten en de colonne keerde, van alle kanten beschoten, terug naar Pakan Atjeh.

De situatie in Kota Radja

In de hoofdvestiging liet de toestand aan het begin van het jaar 1875 nog veel te wensen over; er was gebrek aan goed drinkwater, het veldhospitaal moest meer zieken opnemen dan waarvoor de ziekenzalen waren bestemd zodat veel militairen, die met andere kwalen werden opgenomen, overleden aan cholera of dysenterie. Tussen 11 en 28 februari overleden 167 man aan cholera, niet minder dan 141 daarvan waren oorspronkelijk met andere ziekten opgenomen. De koele nachten, de vochtige dampkring en de zware diensten droegen ertoe bij om de gezondheidstoestand bedenkelijk te doen worden terwijl de vele sterfgevallen ongunstig werkten op het weerstandsvermogen van de soldaat. In het bestuur van het Nederlands-Indische gouvernement was verandering gekomen; gouverneur-generaal Loudon trad op 26 maart 1875 af en werd opgevolgd door van Lansberge; Te Atjeh waren inmiddels alle linies verbeterd en was aldus het veroverde gebied verder afgesloten; generaal-majoor Pel verkreeg drie maanden verlof om zijn gezondheid te doen herstellen in Buitenzorg en zijn positie werd waargenomen door kolonel Wiggers van Kerchem (8 juni 1875).

De stelling van Kota Radja werd aan alle zijden beschermd door een keten van forten; het contact met de zee was, ook langs de Atjeh-river, redelijk verzekerd; het voormalige sultansgebied was in Nederlandse handen, alsmede Marassa, Longbatta en een deel van de III Moekims. De 23ste juli 1875 werd bovendien de Willemstoren op Poeloe Bras ingewijd.

Afwijking van het stelsel Van Swieten

Generaal Pel was afgeweken van het stelsel-van Swieten, dat zich wilde bepalen tot een actieve verdediging van de hoofdstelling zelf; deze stelling was door zijn opvolger nu beveiligd door een bijna aaneengeschakelde kring van posten, waarvan het nadeel was dat de macht door het bezetten van een zo groot aantal verdedigingswerken te veel versnipperd werd. De verkregen resultaten konden, ondanks behaalde overwinningen en de uitbreiding van de Nederlandse stelling in vijandelijk gebied, de generaal zelf niet voldoen; een afwachtende houding kwam hem niet geraden voor tegenover een hardnekkige vijand, die zich alleen met de uiterste inspanning liet terugdrijven. Hij meende dus zodra het mogelijk was de operaties te hervatten en wel door over te gaan tot het bezetten van de lijn Kroeng Raba, aan de westkust tot Kroeng Raja, aan de noordkust, om de vijand naar het binnenland terug te dringen en zijn communicatie met de zee en de kuststaten af te snijden; op deze manier dacht hij het volk te isoleren en te dwingen zich te onderwerpen; het ingesloten gebied zou dan onder het rechtstreekse bestuur van het Nederlandse gouvernement komen. In de maand november 1875 keerde Pel terug naar Atjeh; in de houding van de vijand was gedurende zijn afwezigheid geen verandering gekomen; Longbatta-Mesigit en Lamteboe waren aanhoudend beschoten, de Atjehnezen hadden nieuwe versterkingen aangelegd en waren van plan om een aanval op Oeleh Leh te doen. Een krachtig offensief optreden was echter niet mogelijk in verband met de beschikbare troepenmacht; dit deed de geestkracht van de Atjehnezen alleen maar toenemen en de vijand trachtte nu de Nederlandse posten door veldwerken te omringen. In de nacht van 21 op 22 november wist hij zelfs de versterking te Longbatta binnen te dringen en de manschappen aldaar te overvallen; deze aanval kostte de troepen 13 gewonden. Pas de 26ste december kon weer offensief opgetreden worden omdat intussen het bataljon Barisan, onder bevel van overste Engel en kort daarna het 8ste bataljon onder majoor van Teijn te Atjeh waren aangekomen.

Afvoerenvandodenvanhetslagveld1875.jpg
Afvoeren van doden van het slagveld 1875

Generaal Pel ontving een nieuwe instructie, in acht te nemen bij een krachtige hervatting van de militaire operaties in Groot Atjeh; in artikel 1 daarvan stond voorgeschreven: "Het eerste doel waarna gestreefd moet worden is de verovering dan wel onderwerping van de VI Moekims - het zogenaamde gebied van Toekoe Nanta - in de sagi XXV Moekims. Indien, na de val der VI Moekims, het district der IV Moekims niet vrijwillig in onderwerping komt moet ook dit veroverd en Kroeng Raba bezet worden. Daarna moeten de IX Moekims, voor zover die nog niet veroverd mochten zijn, in bezit worden genomen; een en ander teneinde de verbinding tussen het bevriende staatje Kloewang aan de westkust en de Nederlandse vestigingen in Groot-Atjeh te verkrijgen en het contact van de vijand met de aan de westkust gelegen staatjes, zowel ter land als ter zee, af te snijden. Er mogen geen pogingen worden aangewend tot verdere uitbreiding langs de westkust maar voorlopig dient men er toe over te gaan het gebied ten oosten van de Atjeh-rivier tot aan de zee van vijanden te zuiveren. Te beginnen met Kwala Gigien zal daarna Kwala LoŽ en tenslotte Kroeng Raja, dat voorlopig de uiterste oostelijke post aan zee moet blijven, in bezit worden genomen. "

Gezicht_in_Oeleh_Leh1876.jpg
Gezicht in Oeleh Leh 1876

ervatting van de krijgsverrichtingen onder Pel
Gezicht op Oeleh Leh

De VI Moekims waren dus het doel van de eerste operaties; te Mibouw en te Ketapan Doewa zouden versterkingen worden aangelegd; de door Pel aangewezen troepen werden verdeeld in drie colonnes; Mibouw en de versterkingen ten zuiden van van Gitjiel Olejlo werden veroverd (waarbij eerste luitenant von Ende sneuvelde); majoor Mekern werd tijdens de gevechten dodelijk getroffen; te Mibouw werden niet twee - zoals aanvankelijk in de bedoeling lag - maar, om in de rug gedekt te zijn, drie posten opgericht. De volgende dag werd kampong Ketapan Doewa door majoor van Teijn bezet; de 27ste en de 28ste december werd het zuidelijke deel van kampong Penjarat bezet; luitenant kolonel Meijer veroverde de 29ste december Djempit en de Mesigit. Op het einde van het jaar 1875 waren de troepen, na een veldtocht van zes dagen, meester van de VI Moekims; de vijandelijke linie tegenover de Nederlandse stelling ten zuiden van Kota Radja was doorgebroken. In de nieuwjaarsnacht deed de vijand een aanval op het bivak maar werd op de vlucht gedreven; Pel besloot nu vanuit Blang Kala op te rukken en na het oprichten van diverse posten werd overgegaan tot de operaties in de IV Moekims, waarheen Toekoe Nanta en zijn volgelingen waren teruggetrokken. Men moest nu de kloof van Blang Kala forceren; de vlakte van de IV Moekims werd na diverse scherpe gevechten bereikt en op 18 januari 1876 werd Kroeng Raba bezet. De IV Moekims waren nu onderworpen en al na de overwinning, behaald in de kloof van Blang Kala, waren de hoofden vrijwillig in onderwerping gekomen.

Op de 28ste januari startte de veldtocht tegen de IX Moekims; met drie colonnes werd geageerd tegen Boekit Daroe en Boekit Terin; beide kampongs werden veroverd; de 31ste werd de Mesigit Oeleh-soesoe aangevallen en werden ook Atoeh en de Mesigit Biloel bezet; de 4de februari werd in noordelijke richting voortgerukt naar Lamsajoeng, teneinde in contact te komen met de oosterlinie en werd doorgedrongen tot de linie van Pagger Ajer, die door de Atjenezen ontruimd was. Nu diende het terrein ten oosten van de Atjeh-rivier nog op de vijand veroverd te worden; dan zou het plan, door generaal Pel ontworpen, geheel zijn uitgevoerd. Op de 13de februari werd een begin gemaakt met de tocht naar Kwala Gigien en, naar gelang de omstandigheden, verder naar Kroeng Radja, dat de uiterste oostelijke post aan zee zou worden; gedurende deze tocht werden weer hevige gevechten geleverd. In de nacht van 23 op 24 januari werd door de vijand een aanval beraamd op Lemboe noordoost; deze overvalling kostte het leven aan eerste luitenant W.D.C. Regensburg, twee minderen en er vielen 22 gewonden. De 8ste februari vond de ramp te Atoeh plaats: het transport onder kapitein J.M.E. van Swieten (2 officieren en 60 minderen) werd overvallen bij Atoeh; van de 47 gewapende mannen, die niet tegen 300 met klewang bewapende Atjehnezen opgewassen waren, werd het merendeel afgemaakt; met slechts 13 man wist luitenant J. Bosman Atoeh te breiken maar hij stierf nog die nacht aan een cholera-aanval. Inmiddels werd de tocht naar Kwala Gigien voortgezet: de troepen maakten zich meester van Meroe, waarna de versterkte kampong Lampermej werd genomen, de volgende dag gevolgd door Tjapoetoe; bij de verovering van deze laatste stelling vielen aan Nederlandse kant 1 dode en 21 gewonden maar de tocht voldeed aan de verwachtingen en de troepen keerden nu terug naar Lampermej.

Het_graf_van_Generaal_Pel_op_het_kerkhof_in_Atjeh.jpg
Het graf van Generaal Pel op het kerkhof in Atjeh

De dood van generaal Pel

Nadat te Pango en Pagger Ajer nieuwe posten opgericht en bewapend waren, kon de tocht naar Kwala Gigien worden voortgezet; het eerst werden kampong Tjiri en de nabijgelegen Mesigit Oleh Karang veroverd, de 24ste werd de verlaten kampong Tjiri doorgetrokken en tot de Kroeng Tjoet doorgedrongen; nadat de vijand tot de overkant van de rivier werd teruggeslagen werd het bivak betrokkken. In een woning, bij de brug, in kampong Tonga overleed geheel onverwacht generaal Pel; niet alleen onder de officieren maar ook onder de troepen bracht de doodstijding een algemene verslagenheid teweeg. In de nacht van de 25ste februari werd het stoffelijk overschot naar Kota Radja overgebracht. Door een compagnie infanterie begeleid bracht eerste luitenant J.H. de Bruijn het naar de hoofdversterking alwaar het de volgende dag met militaire honneurs op het kerkhof te Peutjoet begraven werd. Ook zou op dit kerkhof een indrukwekkend monument voor hem worden geplaatst.

Monument_voor_Generaal-Majoor_Pel_op_het_kerkhof_Petjoet_Koetaradja.jpg
Monument voor Generaal-Majoor Pel op het kerkhof Petjoet Koetaradja

Bron: Wikipedia/Geheugen van Nederland
pi_107125443
quote:
0s.gif Op dinsdag 9 augustus 2011 21:54 schreef Clan het volgende:
Uit: De OnderOfficier, juni 1991

[ afbeelding ]

[ afbeelding ]

[ afbeelding ]

[ afbeelding ]

[ afbeelding ]

[ afbeelding ]
2 juni t/m 23 september 2012 - prentenkabinet

In de zomer van 2012 vindt het festival Gelegerd in Gelderland plaats. Museum Het Valkhof sluit aan met een kleine tentoonstelling over de Koloniale Reserve. Van ongeveer 1910 tot begin jaren vijftig vormde de Prins Hendrik Kazerne in Nijmegen-oost het centrum van de rekrutering voor het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Het is een relatief onbekende tijd uit de geschiedenis van Nijmegen, waar prachtige verhalen over te vertellen zijn.

http://www.museumhetvalkh(...)loniale-reserve.html
pi_107194270
quote:
0s.gif Op maandag 23 januari 2012 00:22 schreef Coehoorn het volgende:

[..]

2 juni t/m 23 september 2012 - prentenkabinet

In de zomer van 2012 vindt het festival Gelegerd in Gelderland plaats. Museum Het Valkhof sluit aan met een kleine tentoonstelling over de Koloniale Reserve. Van ongeveer 1910 tot begin jaren vijftig vormde de Prins Hendrik Kazerne in Nijmegen-oost het centrum van de rekrutering voor het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Het is een relatief onbekende tijd uit de geschiedenis van Nijmegen, waar prachtige verhalen over te vertellen zijn.

http://www.museumhetvalkh(...)loniale-reserve.html
Bedankt voor de tip.
pi_107528737
“Jangan Lupa”, dat het nooit mag worden vergeten!

Op donderdagmiddag 19 januari 2012 onthulde Harry Berghout samen met actrice en zangeres Wieteke van Dort op het Ereveld in Loenen op de Veluwe het Tarakan-monument. Op het Ereveld liggen zo’n 4000 Nederlandse oorlogsslachtoffers begraven en waar op verzoek nog steeds gesneuvelde Nederlandse militairen worden begraven. Precies 70 jaar na dato hebben 215 militairen van het voormalig Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) die op 19 januari 1942 door de Japanners op volle zee zijn vermoord er ook een eigen gedenkteken gekregen.

De 215 KNIL-militairen waren in 1942 gelegerd op het eiland Tarakan voor de oostkust van Borneo en bemandden daar een batterij kustartillerie. De Japanners waren vooral geÔnteresseerd in dit strategisch gelegen eiland vanwege de daar aanwezige aardoliebronnen en de installaties van de Bataafse Petroleum Maatschappij (BPM). Tarakan werd na twee dagen strijd door de Japanners bezet. Ondanks de ongelijke strijd tegen de Japanse bezetter wisten de KNIL-artilleristen bij de verdediging van Tarakan wel twee Japanse marineschepen tot zinken te brengen. Wat ze daarbij niet wisten was dat de strijd eigenlijk al was opgegeven. Omdat de Japanners de telefoonlijnen hadden doorgesneden had het capitulatiebericht hen namelijk niet bereikt en vochten ze moedig door. De Japanners wisten ook dat deze eenheid nog niet op de hoogte was gebracht. Desondanks voeren Japanse marineschepen vlakbij de batterij. Toen de batterij¨commandant de vijandelijke schepen zag gaf hij dan ook opdracht het vuur te openen.

De Japanner namen na de verovering van Tarakan op vreselijke wijze wraak voor het tot zinken brengen van deze twee schepen. Tegen alle regels van het oorlogsrecht zoals verwoord in de Conventies van GenŤve besloten de Japanners de KNIL-militairen na de verovering van Tarakan over te brengen naar een van hun oorlogschepen. Vervolgens werden ze, precies boven de plek waar de twee Japanse schepen waren gezonken, op gruwelijke wijze met bajonetten en Katana-zwaarden om het leven gebracht. Hun geboeide lichamen werden respectloos overboord gesmeten, waarmee ze een zeemansgraf kregen. Van 92 zowel Nederlandse als Indonesische KNIL-militairen zijn de namen bekend. De overigen zijn tot op de dag van vandaag onbekend gebleven.

Met de onthulling van het monument op het Ereveld in Loenen, met daarop de 92 bekende namen, hebben nabestaanden nu dan eindelijk een tastbare plek om te herdenken en gedenken. Veel nabestaanden hebben daar lang op gewacht en nog langer voor gestreden.

“Twintig jaar heb ik geijverd voor het monument”, verteld een gelukkige Harry Berghout, zoon van een van de omgekomen KNIL-militairen. “Niemand kon mij helpen. Tot ik in contact kwam met de in Soerabaja geboren Wieteke van Dort en haar het verhaal over de dood van mijn vader vertelde. Zij zegde direct alle steun en hulp toe en richtte een comitť op om de omgekomen militairen een gedenkplaat te geven. Opbrengsten van benefietvoorstellingen, bijdragen van gulle schenkers en een bijdrage van de ‘Oorlogsgravenstichting’ (OGS) maakten het monument mogelijk. Het is weliswaar geen graf, maar op het monument staat de naam van mijn vader en daar kan ik eindelijk bloemen leggen ter ere van hem. Namen zijn voor nabestaanden namelijk altijd en steeds weer het enige dat nog overblijft als zichtbare, hoorbare en herdenkbare herinnering aan hen, hun dierbare familieleden, die hun leven gaven in de oorlog. Namen zichtbaar op een graf zijn belangrijk. Namen van degenen zonder graf, zoals de slachtoffers die vermeld staan op het monument Tarakan, moeten eveneens zichtbaar zijn daar waar mensen bijeen komen om hen werkelijk te kunnen herdenken.”

Ruim 250 nabestaanden, waaronder opvallend veel jongeren, en genodigden woonden de onthulling van het monument en herdenking bij. Daarnaast leverde het Wapen der Artillerie een bijdrage aan de onthulling met de aanwezigheid van een detachement. 12 Infanteriebataljon (Air Assault) Regiment van Heutsz steunde de plechtigheid met onder meer een erewacht. Muzikaal werd de plechtigheid begeleidt door de Regimentsfanfare ‘Garde Grenadiers en Jagers’.

“Vergeet hun naam niet. Die van ons zijn heen gegaan. Vergeet hun naam niet. Alsof zij nooit hebben bestaan”. Met dit gedicht van Cees van Wijgerden begon de heer mr. R.S. Croll, president van de OGS, zijn toespraak ter gelegenheid van de onthulling van het ‘Monument Tarakan’. Hij bracht in herinnering dat meer dan 180.000 Nederlanders het leven verloren als oorlogsslachtoffer. Het gaat hier om militairen en burgers, mannen, vrouwen en kinderen. Allemaal oorlogsslachtoffers die op verschillende plaatsen en onder verschillende omstandigheden zijn omgekomen sinds 9 mei 1940. Voor 50.000 oorlogsslachtoffers kon een graf worden ingericht. Het graf is een krachtig en belangrijk symbool bij het verwerken van verlies. Door het afscheid nemen en het bezoeken van een graf komt het rouwproces opgang en krijgt het gemis van een dierbare na verloop van tijd een plaats in ons leven.

Van 130.000 slachtoffers zijn nooit stoffelijke resten gevonden, ze verdronken op zee, hun lichamen rusten in massagraven bij Duitse of Japanse concentratiekampen of ze zijn vermoord in de vernietigingskampen van de nazi’s. Hun nabestaanden vonden geen troost en verwerking bij een graf. Ten einde ook deze slachtoffers te kunnen herdenken, zijn hun namen door de OGS opgetekend in 42 gedenkboeken. Hoewel deze boeken voorzien in de behoefte om namen te bewaren, realiseert de Stichting zich dat het nodig is om namen permanent zichtbaar te maken daar waar mensen bijeenkomen om te kunnen herdenken.”

Dat zo een plek nodig is, maakt de aanwezigheid van de vele nabestaanden duidelijk. Hierdoor zal de boodschap van het ereveld als waarschuwing dat vrijheid een verworvenheid is waarvoor hard is gestreden en waarvoor heel veel mensen grote offers hebben gebracht, breder worden. “Het is onze plicht steeds opnieuw bij die vrijheid te blijven stilstaan. Daar zullen wij allemaal, jong en oud, ons steentje aan moeten bijdragen uit eerbied voor onze oorlogsslachtoffers.” aldus de heer Croll.

Zie ook de website met het uitgebreide verhaal en originele documenten etc.
http://www.mobe.nl/tarakan/index.php/het-drama/

Bron: http://www.dutchdefencepress.com/?p=7617
pi_107635593
Toespraak Luitenant-generaal b.d. Ted Meines bij het monument van de 7 December Divisie 2011.

Toespraak Luitenant-generaal b.d. Ted Meines bij het monument van de 7 December Divisie. Herdenking 2011 Oranjekazerne Schaarsbergen. Wij werden geroepen. Een IndiŽ-veteraan ben je levenslang, laten wij hen niet vergeten.

pi_109558104
Comitť wil vervolging Nederlandse militairen om Sulawesi
Laatste update: 27 maart 2012 08:38

HEEMSKERK - Het Comitť Nederlandse Ereschulden wil dat twee Nederlandse oud-militairen worden vervolgd voor het begaan van misdaden tijdens Nederlandse acties in het zuiden van het Indonesische eiland Sulawesi.

Het comitť heeft daartoe mede namens zes Indonesische weduwen een verzoek ingediend bij de hoofdofficier van justitie in Arnhem, die over vervolging van militairen gaat.

Aanleiding voor het verzoek zijn uitzendingen van het tv-programma Altijd Wat, waarin de mannen verklaren misdaden te hebben begaan tegen de bevolking. Een van de twee zei daarvan geen spijt te hebben, aldus het comitť. De uitzendingen waren in februari en december.

Het tweetal maakte deel uit van het Depot Speciale Troepen dat vanaf 1946 onder leiding van de omstreden commandant Raymond Westerling in Zuid-Sulawesi (destijds Zuid-Celebes) het Nederlandse gezag probeerde te herstellen.

Weduwen
Volgens voorzitter Jeffry Pondaag van het Indonesisch-Nederlandse comitť vinden de weduwen het verzoek om vervolging een goed initiatief.

Het comitť diende in januari ook een aanklacht in tegen de nog levende Nederlandse militairen die betrokken waren bij het bloedbad in Rawagede op Java. Daar heeft het OM nog niet op gereageerd, zei Pondaag dinsdag.

Naar aanleiding van het tv-programma van de NCRV heeft het comitť verder in een brief aan premier Mark Rutte gevraagd om openbaarmaking van een verslag over misdaden van Nederlandse militairen tegen Indonesische burgers.

Volgens het programma heeft de toenmalige regering-Drees dat rapport geheim gehouden.

http://www.nu.nl/binnenla(...)tairen-sulawesi.html
In the fell clutch of circumstance
I have not winced nor cried aloud.
Under the bludgeoning of chance
My head is bloody, but unbowed.
pi_113085696
'Nieuwe studie nodig naar geweld politionele acties'

Drie gerenommeerde onderzoeksinstituten vragen de regering een nieuwe studie te laten uitvoeren naar het militaire optreden van Nederland in voormalig Nederlands-IndiŽ in de jaren 1945-1949. Ze noemen het van essentieel belang om naast Nederlandse ook Indonesische archieven en historici te raadplegen.

De oorlog in Nederlands-IndiŽ blijft terugkomen en het eind is niet in zicht, schrijven het onderzoeksinstituut voor oorlogsstudies NIOD, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie en het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) vandaag in de Volkskrant. Eind vorig jaar, bijna zeventig jaar na dato, bood Nederland excuses aan en een schadevergoeding voor het bloedbad in het Javaanse dorp Rawagede. Enkele weken geleden nog werden schadeclaims ingediend voor schendingen van het oorlogsrecht op Zuid-Celebes.

Wreedheden
Nieuw onderzoek is nodig om te kunnen begrijpen wat voor soort oorlog daar is gevoerd, waarom en hoe deze oorlog mensen van beide zijden ertoe bracht wreedheden te begaan. Ook 'harde' feiten zijn nodig en het antwoord op de vraag wie verantwoordelijk was. 'We hopen het voor eens en altijd goed aan te pakken', zegt Gert van Oostindie van het KITLV. De initiatiefnemers willen zelf het onderzoek begeleiden. Ze denken met een groep van zes ervaren onderzoekers drie jaar nodig te hebben. Oostindie raamt de kosten op 2 tot 3 miljoen euro.

'Verkeerde kant'
Nederland begon de 'politionele acties' in 1945 om de onafhankelijkheidsstrijd met geweld de kop in te drukken. In 1949 was de soevereiniteitsoverdracht. 'We stonden aan de verkeerde kant van de geschiedenis', zei minister Bot van Buitenlandse Zaken toen hij in 2005 een bezoek aan IndonesiŽ bracht. Het was voor het eerst dat Nederland een buiging maakte. Overigens niet tot ieders vreugde. Indische Nederlanders en militairen vinden het schandelijk dat veelal wordt gezwegen over de zogeheten bersiap-periode, het begin van de revolutie waarin Indonesische anarchisten duizenden doden maakten.

Volgens de initiatiefnemers kijken ook Indonesische historici nu met andere interesse naar deze periode, voorbij de jarenlang volgehouden clichťs van 'eensgezind heroÔsch patriottisme tegenover een wreed koloniaal regime'. De Indonesische historicus Bambang Purwanto spreekt van een 'excellent idee', niet het minst omdat ook in IndonesiŽ hard wordt gewerkt aan een standaardwerk over de eigen geschiedenis.

Excessennota
Het onderzoek moet ook gebruikmaken van historisch materiaal als de Excessennota uit 1969, waarin de oorlogsmisstanden op een rijtje staan. Tot een vervolgonderzoek is het nooit gekomen, ondanks toezeggingen. De historicus Cees Fasseur schreef de Excessennota voor een belangrijk deel. Hij is blij met het initiatief van de drie instituten. 'De draden zijn afgebroken in 1969, ik mag hopen dat ze hier weer worden opgepakt', zegt hij.

De advocate Liesbeth Zegveld diende de claims in voor de slachtoffers van zowel Rawagede als Zuid-Celebes. 'De kernfeiten zijn vrij duidelijk, hoewel ik de indruk heb dat niemand weet hoeveel mensen we nu precies hebben doodgeschoten - vrij opmerkelijk. Ook dat we niet weten wŪť we hebben geŽxecuteerd. We hadden destijds geen interesse en nu eigenlijk nog niet. De vraag is of nieuw onderzoek daar verandering in brengt. Wat kan er nog aan onderzoek gebeuren nu de meeste direct betrokkenen dood zijn? De tijd heeft veel deuren gesloten.'

Bron: http://www.volkskrant.nl/(...)tionele-acties.dhtml
In the fell clutch of circumstance
I have not winced nor cried aloud.
Under the bludgeoning of chance
My head is bloody, but unbowed.
pi_114002507
Eerste foto's ooit van executies Nederlands leger in IndiŽ

Voor het eerst in de geschiedenis zijn foto's opgedoken van executies die zeer waarschijnlijk zijn uitgevoerd door het Nederlandse leger tijdens de politionele acties in voormalig Nederlands-IndiŽ. De foto's komen uit het privťalbum van een soldaat die diende als dienstplichtige in Nederlands-IndiŽ.

Op de foto's is de liquidatie te zien van drie IndonesiŽrs. Ze staan met de rug naar het vuurpeloton aan de rand van een greppel op het moment dat ze worden beschoten. De greppel ligt vol lijken van geŽxecuteerden, blijkt op een tweede foto. Aan de rand staan twee Nederlandse militairen, te herkennen aan hun uniform.

media_xl_1271515.jpg

Nooit eerder
Deskundigen van het oorlogsinstituut NIOD en van het Nederlandse Instituut voor Militaire Historie (NIMH) zeggen dergelijke foto's nooit eerder te hebben gezien. 'Het zijn geen alledaagse foto's en het is beslist niet zo dat iedere IndiŽmilitair dit soort foto's mee naar huis bracht', aldus een medewerker van het NIMH. Ook bij het NIOD zijn soortgelijke foto's onbekend, zegt Renť Kok. 'We hebben heel veel albums hier. Je zit te wachten op het moment dat zo'n foto opduikt en dat is nu. Eerder heb ik dit nooit gezien.'

De geraadpleegde historici twijfelen niet aan de echtheid. De exacte plaats noch de toedracht van de executie is bekend. Mogelijk levert nader onderzoek meer details op.

De maker is een soldaat uit Enschede. Hij is inmiddels overleden. Hij werd uitgezonden in 1947, kort voor de eerste politionele actie, en hij is pas in 1950 teruggehaald, na de soevereiniteitsoverdracht. Hij diende bij de artillerie. In de Korpsgeschiedenis van zijn onderdeel wordt geen melding gemaakt van executies. Vermoedelijk heeft de artillerie alleen bijstand verleend aan de Speciale Troepen of infanteristen, die wel executies uitvoerden.

Bekend zijn de executies in de Javaanse kampong Rawagede en op Zuid-Celebes. De nabestaanden van de slachtoffers van Rawagede werd vorig jaar een schadevergoeding toegekend. De staat moet nog reageren op de aanklacht die is ingediend tegen de standrechtelijke executies op Zuid-Celebes. Hoeveel IndonesiŽrs bij beide acties precies zijn omgekomen, is niet bekend.

De soldaat heeft nooit ruchtbaarheid gegeven aan het bestaan van de foto's. Zijn albums zouden ook nooit zijn opgemerkt, als ze niet onlangs waren gevonden in een vuilcontainer in Enschede. Wie ze daarin heeft gegooid, is niet bekend. De eigenaar van de albums was kinderloos en zou de laatste jaren alleen hebben geleefd.

media_xl_1271519.jpg

Vuilcontainer
Een medewerker van het Gemeentearchief van Enschede zag de oude albums liggen in de vuilcontainer en hij besloot ze eruit te vissen. De gemeente Enschede verzamelt vaker foto's om de levensloop van de eigen inwoners te kunnen illustreren. De albums zouden alsnog terzijde zijn gelegd, als de archivarissen niet waren gealarmeerd door foto's van een gevangenentransport. Op dat moment besloten ze het album nog eens door te nemen waarbij ze stuitten op de foto's van de executies.

Onlangs riepen drie historische instituten de regering op opnieuw onderzoek te doen naar de politionele acties tussen 1945 en 1950, om te kunnen begrijpen wat voor oorlog er in IndonesiŽ is gevoerd. Het kabinet heeft nog niet gereageerd.

Bron: http://www.volkskrant.nl/(...)leger-in-Indie.dhtml

Meer foto's uit het album.

[ Bericht 2% gewijzigd door Cobra4 op 10-07-2012 10:22:40 ]
In the fell clutch of circumstance
I have not winced nor cried aloud.
Under the bludgeoning of chance
My head is bloody, but unbowed.
pi_115548916
Kapitein Westerling erkende executies op Zuid-Sulawesi in interview in 1969
Kapitein Raymond Westerling heeft op het Indonesiche eiland Zuid-Sulawesi mensen standrechtelijk geŽxecuteerd. Dat heeft hij gezegd in een interview dat in 1969 is opgenomen, maar nooit werd uitgezonden. Het televisieprogramma Altijd Wat zendt het interview vanavond alsnog uit, meldt de NCRV. (NRC, artikel gaat verder.)
pi_115549095
2110 uur op NL2.
In the fell clutch of circumstance
I have not winced nor cried aloud.
Under the bludgeoning of chance
My head is bloody, but unbowed.
pi_115630827
NIOD betreurt afwijzing IndiŽ-onderzoek

DEN HAAG - Het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudie NIOD is teleurgesteld dat het kabinet zelf geen onderzoek doet naar het gebruik van geweld van Nederland tijdens de dekolonisatie van IndonesiŽ. Woordvoerder David Barnouw van het NIOD zei woensdag het besluit van minister Uri Rosenthal (Buitenlandse Zaken) jammer te vinden. „Het wachten is nu op een nieuwe regering”, aldus Barnouw.

Volgens Rosenthal is er al veel onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen in de periode 1945-1950. Als er behoefte bestaat aan meer, zoals enkele instituten 2 maanden geleden bepleitten, dan zijn die daar in de ogen van Rosenthal zelf goed toe in staat. „Wij zien hier ten principale geen inhoudelijke, sturende of begeleidende rol voor het kabinet”, aldus de minister.

De organisaties die in juni om het onderzoek hadden gevraagd waren het NIOD, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Volgens het NIOD zijn er voldoende aanknopingspunten voor een onderzoek. „Er komt steeds meer naar buiten, zoals woensdag nog in de Volkskrant en dinsdag het interview met kapitein Raymond Westerling. Het verband daartussen zou onderzocht moeten worden”, zei Barnouw.

Rosenthal meldt dat het kabinet ook geen verder onderzoek zal doen naar recentelijk opgedoken foto's waarop mogelijk door Nederlandse militairen uitgevoerde executies in Nederlands-IndiŽ zijn vastgelegd. Rosenthal geeft aan dat militairen van de Nederlandse krijgsmacht zijn te zien, maar dat niet geconcludeerd kan worden wie verantwoordelijk is voor de slachtoffers op de foto. Het is volgens hem niet aan het kabinet maar aan de onderzoeksinstituten zelf of ze zich verder willen verdiepen in de achtergronden. Die zijn daar volgens de minister toe uitgerust.

Woensdag was in Den Haag bij het IndiŽmonument de herdenking van de capitulatie van Japan. Premier Mark Rutte legde een krans bij het monument.

Bron: http://www.telegraaf.nl/b(...)urt_afwijzing__.html
In the fell clutch of circumstance
I have not winced nor cried aloud.
Under the bludgeoning of chance
My head is bloody, but unbowed.
pi_115638150
"Hell ships, naar Flores en de Molukken"

Deze film is gemaakt door Kees Maaswinkel in samenwerking met het Veteraneninstituut in Doorn. De documentaire vertelt het verhaal van 6600 Nederlandse en Britse krijgsgevangenen die met deze zogeheten Hell Ships van Java naar de Molukken en Flores werden verscheept, waar ze voor de Japanners vliegvelden moesten aanleggen. Circa 2200 van hen overleefden dat niet. Ze stierven door torpederingen en bombardementen van de schepen door geallieerde onderzeeŽrs en vliegtuigen, als gevolg van een gebrek aan water, voedsel en medicijnen of mishandeling. Filmmaker Maaswinkel heeft bij de filmwerkzaamheden op de Molukken een getuige gevonden die vertelde wat de Japanners na de executie met de lichamen hebben gedaan. Dat was niet eerder aan het licht gekomen.

[ Bericht 76% gewijzigd door Cobra4 op 16-08-2012 13:01:13 ]
In the fell clutch of circumstance
I have not winced nor cried aloud.
Under the bludgeoning of chance
My head is bloody, but unbowed.
pi_120399881
Debat op 2: Onderzoek naar ons militaire verleden in IndiŽ?

http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1313253
In the fell clutch of circumstance
I have not winced nor cried aloud.
Under the bludgeoning of chance
My head is bloody, but unbowed.
  Moderator donderdag 21 februari 2013 @ 21:04:22 #172
74865 crew  Pumatje
Wij stelen die kazen!
pi_123176966
Eervolle militair, en eervolle man. Een held met een heldenbegrafenis.
[DEF] SC#8 Pumatje, niet geboren maar door de baas verstrekt
pi_125588501
Deur dicht voor claims

door Charles Sanders
AMSTERDAM -
De relatie tussen Nederland en IndonesiŽ is opnieuw onder druk gekomen nu onderhandelingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken met tien weduwen op Sulawesi zijn vastgelopen.

De vrouwen wilden elk 20.000 euro schadevergoeding van ons land omdat Nederlandse militairen begin 1947 hun echtgenoten hadden doodgeschoten.

Dat gebeurde door speciale troepen van kapitein Raymond Westerling. In 2010 waren er ook al grote spanningen tussen Den Haag en Jakarta nadat de Indonesische president Yudhoyono een staatsbezoek afzegde omdat Molukkers om zijn arrestatie hadden gevraagd.

Bron: http://www.telegraaf.nl/b(...)krijgen_niets__.html
In the fell clutch of circumstance
I have not winced nor cried aloud.
Under the bludgeoning of chance
My head is bloody, but unbowed.
pi_128322450
Veteranen IndiŽ en Nieuw-Guinea alsnog onderscheiden

25 juni 2013, 15.42 uur
De 97-jarige Charles Dibbets en 4 andere oorlogsveteranen zijn gisteren onderscheiden voor hun inzet in Nederlands-IndiŽ en Nieuw-Guinea. Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht (IGK) luitenant-generaal Ton van Ede speldde hen in Hilversum de versierselen behorende bij de eretekens op.

Als KNIL-soldaat der 1e klasse werd Dibbets door de Japanners geÔnterneerd en op transport gesteld naar Thailand. Daar werkte hij als dwangarbeider aan de Birma-spoorlijn. Toen Dibbets na de Japanse capitulatie terugkeerde bij het KNIL, nam hij tijdens de Politionele Acties deel aan veel militaire operaties.

Erkenning en waardering

Van Ede: “Velen viel bij terugkeer een slechte behandeling ten deel. Herstellend van alle ellende na de Tweede Wereldoorlog was er weinig oog voor wat u had meegemaakt in de periode dat u Nederland overzee diende. Ondanks de latere erkenning en waardering voor deze oud-militairen, zijn nog steeds relatief veel veteranen niet onderscheiden, terwijl ze daar wel recht op hebben.”

Versierselen
Uit handen van Van Ede kreeg Dibbets het Mobilisatie Oorlogskruis, het Ereteken Orde en Vrede met de gespen 1946/1947/1948 en het Demobilisatie Insigne KNIL. Korporaal Herman van Dijk ontving het Ereteken Orde en Vrede met de gespen 1948-1949 en het Demobilisatie Insigne van de marine. Het Nieuwe-Guinea Herinneringskruis was er voor dienstplichtig marinier Hendrikus Meijer, zeemiliciŽn der 3e klasse Jaap Wegenaar en machinist der 1e klasse Walter Waltmans.

Bron: http://www.defensie.nl/ac(...)alsnog_onderscheiden
In the fell clutch of circumstance
I have not winced nor cried aloud.
Under the bludgeoning of chance
My head is bloody, but unbowed.
abonnementen ibood.com bol.com Gearbest
Forum Opties
Forumhop:
Hop naar:
(afkorting, bv 'KLB')