Zo, dit wordt uitgegeven:
quote:
Taal en stijl in Philicinus’ Esther
De tragedies van Seneca vormen het belangrijkste stilistische voorbeeld voor Philicinus’ Esther. Deze invloed valt in twee delen uiteen. Enerzijds valt het grote aantal letterlijke citaten uit Seneca’s tragedies op. Deze citaten komen voor het leeuwendeel uit diens Troades, Medea en Phaedra. Daarnaast put Philicinus veelvuldig uit de Octavia, een tragedie die onder Seneca’s naam aan ons is overgeleverd, maar waarvan de authenticiteit tegenwoordig vrij algemeen in twijfel wordt getrokken.
Anderzijds worden typische kenmerken van de Romeinse tragedie (die ook voor Philicinus enkel uit Seneca bestond) meermaals overgenomen. Het sterke retorische karakter van de tragedies van Seneca – iets dat zich uit in bijvoorbeeld het veelvuldig voorkomen van stichomythie en een sterke hang naar sententiae – vinden terug in de Esther, zij het in bescheiden mate. Daarnaast valt bij Philicinus een voorkeur voor parataxis boven hypotaxis te bespeuren, een eigenschap die hij met Seneca deelt. Cf:
Adsit piis prosper Deus conatibus.
Hei membra mihi stupent exanguia,
Pedes cupitum nec queunt gradum addere.
Mihi fulcientem porrigat aliquis manum.
Adeste famulae, me gradatim ducite
Ad regis usque basilicam: hic subsistite.
Hei mihi pavor miserae anxius cor perculit,
Gelidus mihi horror ac tremor mentem eripit..
Meis labasco destituta viribus.
Oh sustinete, pedissequae, lapsantem heram.
Bovendien staat Philicinus volledig in de traditie van de poeta doctus, een ideaal dat Hellenistische schrijvers hebben ontwikkeld, en dat Seneca voor het Latijn verder heeft vormgegeven. Denk hier bijvoorbeeld aan de uitweiding van Mardochaeus over de afwisseling der seizoenen aan het begin van de tweede akte, of aan het gebruik van graecismen en termen die vermoedelijk ook voor geleerden uit Philicinus’ tijd moeilijk thuis te brengen waren als summus Brabeutes (p.14) of chameuniis (p.31).
Naast citaten uit Seneca’s tragedies wordt er ook uit andere heidense auteurs geput. Cicero en Vergilius, de meest gelezen schoolauteurs in Philicinus’ tijd, zijn een belangrijke bron. In het geval van Cicero gaat het voornamelijk om citaten uit diens filosofisch proza, citaten uit Vergilius komen voor het grootste gedeelte uit de Aeneis. De komedieschrijvers Terentius, en in mindere mate Plautus, worden soms ook letterlijk geciteerd. Het gaat hier dan vaak om frasen die typisch voor een toneelstuk zijn als silentium date.
Echter, we treffen niet alleen reminiscenties uit de heidense latiniteit aan. Vanzelfsprekend vormt het bijbelboek Ester een grote inspiratiebron. Naast vele letterlijke citaten uit de Vulgaattekst , sluit het stuk nauw aan bij het plot zoals in de Bijbel verteld. Daarnaast gebruikt Philicinus met enige regelmaat bepaalde specifieke liturgische of scholastische formules: Dignare quaeso ... Audi supplicum vota et preces (p.35).
Om een en ander te illustreren een fragment dat in velerlei opzichten kenmerkend is voor Philicinus’ stijl:
AM : Animus tumet mihi, fervet immensum dolor,
Scitis me habere vel tribus opes regibus
Pares, mihi numerosa proles est domi,
Ex marmore pario affabre palatia
Extructa, gemmis undique radiantibus,
Omnibus in his visuntur oris, vitibus
Colles mihi confiti feracibus,
Vireta et horti omnis voluptatis, cavis
Quos unda labens irrigate canalibus.
Taceo diaetas, porticus, triclinia,
Omitto, zetas, valida propugnacula,
Coenacula et praetoria politissima.
Quid persequar villaticos ovium greges?
Quid narrem equorum armenta multiformium?
Ten eerste valt hier onmiddellijk de retorische inkleding van Haman’s opsomming op. Denk hierbij aan de vele assonanties op –is/-ibus (gemmis radiantibus // omnibus oris // vitibus feracibus etc.) en op –a (triclinia, zetas, valida propugnacula, coenacula, praetoria politissima). Dit alles wordt nog eens afgesloten met een praeteritio in de laatste twee regels. Daarnaast betoont Philicinus’ zich hier een poeta doctus door zijn cataloog van mogelijke vertrekken rondom een paleis, inclusief enkele moeilijk thuis te brengen begrippen als zetas.
Tenslotte geeft Philicinus hier ook blijk van een grondige kennis van Seneca’s werk, blijkens een citaat uit diens Phoenissae: De eerste regel van dit fragment vinden we hier namelijk terug als: tumet animus ira, fervet immensum dolor. (Phoen. 352).
Wel jammer dat het het meest waardeloze stuk is dat ik ooit heb geschreven.