engels:
winkel de (m.)
( voornamelijk Brits-Engels ) shop, store
dagwinkel lock-up (shop)
grote winkel emporium
context
de winkels aflopen voor een plaat
scour / go round the shops for a record
in een winkel staan
work in a shop, stand behind the counter
er is iemand in de winkel
there's someone in the shop
winkels kijken
go window-shopping / -gazing
een winkel van modeartikelen
a boutique, a fashion store
er zijn in die straat mooie winkels
there are attractive / smart shops in that street
op de winkel letten
( letterlijk ) mind / tend the shop
( figuurlijk ) hold the fort
( figuurlijk ) op de winkel passen
be a caretaker, mind the shop
een winkel openen / hebben
open up / keep a shop, be in trade
je kunt er wel een winkeltje van opzetten
you could open / stock a shop with it / them
een rijdende winkel
a mobile shop
winkeltje spelen
play shops / shopkeeper
zijn winkel wegdoen
sell up, shut up shop
idioom
het lijkt hier wel een winkel van Sinkel
van alles te koop this place sells everything except kitchen sinks
grote rommel this place looks as if it has been hit by a tornado
winkelbedrijf het
retail business
chain-store business