abonnement Unibet Coolblue Bitvavo
pi_36005243
Ik ben helemaal niet zo'n literatuurkenner, de enige boeken die ik lees zijn studieboeken en thematische non-fictie, maar nou heb ik vandaag voor mijn studie kennisgemaakt met het gedicht 'Awater', op zich al best grappig, maar nou werd er ook dieper ingegaan op de diepere betekenissen erachter (veel verwijzingen naar de Bijbel bijvoorbeeld) en allerlei woordgeintjes die er in verborgen zitten. Ik heb onder het gedicht een linkje gezet naar één van de vele uitleggingen die er mogelijk zijn. Hoe dan ook, ik heb er veel plezier aan gehad.
quote:
Wees hier aanwezig, allereerste geest,
die over wateren van aanvang zweeft.
Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,
het is gelijk de wereld woest en leeg.
Het wil niet, als geheel een vorige eeuw,
puinhopen zien en zingen van mooi weer,
want zingen is slechts hartstocht van een zweer
en nimmer is, wat ook, ooit puin geweest.
Een eerste steen ligt nauwelijks terneer.
Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.
Al wat geschiedt geschiedt nog voor het eerst.
Geprezen! Noach bouwt, maar geen ark meer,
En Jonas preekt, maar niet te Ninive.
Ik heb een man gezien. Hij heeft geen naam.
Geef hem ons aller vóórnaam bij elkaar.
Hij is de zoon van een vrouw en een vader.
Zodra de rode zon is opgegaan
gaat hij de stad in. Hij komt langs mijn raam.
De avond blauwt, hij komt er weer vandaan.
Hij werkt op een kantoor, heet daar Awater.
Zie hem. Hij is bekleed met kemelhaar
geregen door een naald. Zijn lijf is mager
gespijsd met wilde honing en sprinkhanen.
Niemand heeft ooit hetgeen hij roept verstaan.
Het is woestijn waar hij gebaren maakt.
Hij heeft iets van een monnik, een soldaat,
maar er wordt niet gebeden, niet geblazen,
wanneer men op kantoor het boek opslaat.
Men zit als in een tempel aan een tafel.
Men schrijft Arabisch schrift met Italiaans.
In cijfers, dwarrelend als as omlaag,
rijzen kolommen van orakeltaal.
Het wordt stil, het wordt warmer in de zaal.
Steeds zilter waait dun ratelend metaal.
De schrijfmachine mijmert gekkepraat.
Lees maar, er staat niet wat er staat. Er staat:
"o moeder, zult gij ooit een bontjas dragen?
gaan nu de rozen naar het hospitaal?"
Awater is clean-shaven van gelaat.
Hoe laat is het? Awater's hoofd voelt zwaar.
De telefoon slaapt op de lessenaar.
De theekopjes worden teruggehaald.
De klok tikt, tikt, slaat, tikt tot half-zes slaat.
De groene lampen worden uitgedraaid.
Vandaag, toen ik voor 't raam de bloemen goot,
is het voornemen in mij opgekomen
Awater te gaan halen van kantoor.
Ik heb sinds mijn broer stierf geen reisgenoot.
Als men een vriend zoekt, is het doodgewoon
dat men eerst ziet of men bij hem kan horen.
Vanavond volg ik dus Awater's spoor,
ik kijk de kat, zo men zegt, uit de boom,
en morgen, gaat het goed, stel ik mij voor.
Zo sta ik bij de hoge stoep. Ik schroom.
Het slaat half-zes. De tijd wordt eindeloos.
De straat wordt door voorbijgangers doorstroomd.
In elke schaduw wordt een licht ontstoken,
makend, al dwalend, omtrekken in rook.
O broeder in den hemel, wees hier ook.
Bescherm mij, dat mijn schim geen licht vertoont.
Bewaar mij ongezien en ongehoord.—
Opeens Awater. Van een overloop
zie ik hem komen, knipperend met 't oog.
Geen sterveling, geen stad, geen avondrood
bestaat voor hem. Hij komt gesneld van boven,
zandstenen trappen af langs slangen koper.
Hij ziet, schijnt het, een horizon, een zoom
waaruit ononderbroken weerlicht gloort.
Het is alsof hij hoort waarvan hij droomt
en de plek ziet waar hij te vinden hoopt,
zo snelt hij langs me, en ik voel mij doorboord.
Hij loopt haastig de vestibule door.
Hij hangt een sleutel op het sleuterboord.
Een droge distel doet zich aan hem voor,
hij grijpt zijn stok, hij wandelt fluitend voort.
Hij dekt zich, ik echter ontbloot het hoofd:
Wees hier, nogmaals, gij die op hoogten woont
zo onbewoonbaar als Calvario.
De straten zijn met asfalt geplaveid.
Ik merk dat de echo, die mij uitgeleide
deed door de hall met tegels, buiten zwijgt.
De stad verleent de voet geluidloosheid.
Een rij auto's glijdt karavaansgewijs
met zacht gekraak van leer aan ons voorbij.
Awater is mij reeds vooruitgeijld.
Ja, ja, 't schijnt waar te zijn, hij wil op reis.
Hij staat stil voor het modemagazijn.
Ik zie dat hij naar een gezelschap kijkt
van poppen die met plaids en verrekijkers
legeren aan de oever van de Nijl
gelijk uit pyramide en palmboom blijkt.
O Awater, ik weet waarvan gij peinst,
iets verder, bij de plaat der scheepvaartlijn
waarop een Bedouïn in de woestijn
een schip begroet dat over zee verschijnt,
en, weer iets verder, bij het bankpaleis
waar "vreemd geld" genoteerd staat in de lijst.
Zo gaan wij samen langs de winkelschijnsels.
Eensklaps is hij verdwenen in een zijstraat.
Een deurbel klinkt. Daar moet hij binnen zijn.
Er staat geschreven: scheren en haarsnijden.
Het klein vertrek met kasten aan weerszij
lijkt door de sterke geur van allerlei
parfumerie-artikelen nog kleiner.
Awater—ik moet zeggen, ik ben blij
dat ik hem zie, ik was hem bijna kwijt,—
zit in een mantel van gesteven lijnwaad
voor de wastafel van wit porcelein.
De kapper doet zijn werk, en ik zet mij
als wie zijn beurt wacht, op een stoel terzijde.
Nooit zag ik Awater zo van nabij
als thans, via de spiegel; nooit scheen hij
zo nimmer te bereiken tegelijk.
Tussen de flessen, glinsterend verbrijzeld,
verrijst hij in de spiegel als een ijsberg
waarlangs de gladde schaar zijn snavel strijkt.
Maar het wordt lente, en terwijl wijd en zijd
de damp hangt van een bui die overdrijft
ploegt door het woelend haar de kam de scheiding.
Dan neemt Awater van de kapper afscheid
en ik volg hem op straat, werktuigelijk.
Het toeval neemt een binnenweg naar 't doel.
Moest het, dat Awater belanden moest
in het café waar ik kwam met mijn broer?
Het moest, en hij zit zelfs in onze hoek.
Ik zet mij ergens anders. Plaats genoeg.
De kelner kent me. Hij weet wat ik voel.
Hij heeft mijn tafeltje al tweemaal gepoetst.
Hij blijft, met in zijn hand de witte doek,
geruime tijd staan zwijgen naast mijn stoel.
"De tijden" zegt hij "zijn niet meer als vroeger."
Ik weet dat hij ook aan mijn broer denkt, hoe
met zijn hond aan de ketting en zijn hoed
iets achterover op, hij binnenwoei
en 't heele zaaltje vulde met rumoer.
Hier ligt hetzelfde zand nog op de vloer,
dezelfde duif koert in zijn kooi als toen.
Oei, zei de wind, voort, voort! Zo is het goed.
Wie is dat? zeg ik daar 'k iets zeggen moet.
En hij, wetend terstond op wien ik doel:
"Iemand die voor het eerst de zaak bezoekt."
Dan trekt hij van 't buffet het hekje toe.
In 't water worden glazen omgespoeld.—
Wat is 't dat in zijn zak Awater zoekt?
Het is een boekje van marocco groen.
Het is een schaakspel nu hij 't opendoet.
Awater's ogen kijken koel en stroef.
Zijn hand, op tafel trommelend, schenkt moed
aan het visioen dat door zijn voorhoofd woelt.
Een sneeuwvlok dwarrelt tussen droppen bloed.
Het spel wordt tot een nieuw figuur gevoegd.
Zijn glas, vóór hem, beslaat onaangeroerd.
De cigaret die in de asbak gloeit
maakt een stokroos die langs 't plafond ontbloeit.
Hij zit volstrekt alleen en ongemoeid.
Hij heeft wat een planeet heeft en een bloem,
een innerlijke vaart die diep vervoert.
Nu drinkt hij het glas leeg en sluit het boek.
Hij krijgt, nu hij stil voor zich kijkt, iets droevigs.
Hij kijkt mijn kant uit, zodat ik vermoed
dat hij mij roept als hij de kelner roept.
Maar neen, hij rekent af, ik ook, en spoedig
gaan wij weer samen door het straatgewoel.
Elektrisch licht dat langs de gevel schiet
schrijft ieder ogenblik de naam opnieuw
van 't restaurant, en een dubbele file
mensen gaat in en uit langs de portier
die de toegang van draaiend glas bedient.
Terwijl wij binnentreden klinkt muziek.
Awater blijkt bekendheid te genieten.
Waar hij langs komt wordt naar hem omgezien.
"Wat?" zegt iemand "kent u Awater niet?
Ik meen, hij is accountant of zoo iets.
Ik ken hem, maar ik ken hem niet intiem.
Sommigen zeggen, 's avonds leest hij Grieks,
maar anderen beweren het is Iers."—
Er is intussen iets zeer vreemds geschied.
Een heer die zich op 't podium verhief
zegt dat hij Awater zijn plaats aanbiedt.
"Ik spreek" zegt hij "uit naam van allen hier.
Wij hebben tussen ons een groot artiest."
Awater, met gebaren naar 't servies,
wil zeggen dat hij van de eer afziet
en liever had dat men hem eten liet.
In de biljardzaal staakt men een serie.
Het wordt doodstil. Boven schaart men nieuwsgierig
zich langs de balustrade der verdieping.
Het schroefblad van de ventilator wiekt.
Dan staat Awater op en zingt zijn lied:
—Steeds troostte ze, steeds heeft zij als ik sliep
mij met haar liefelijke komst bezield,
de aanbedene; thans kwam ze en heeft vernield
de laatste steun die mijn verlies zich schiep.
Zij was, toen 'k haar ontwaren ging, in diep
met schrik vermengd verdriet terneergeknield;
ik hoorde dat zij mij geloof voorhield
maar zonder dat het hoop of vreugde opriep:
"Herinnert ge u dien laatsten avond niet"
sprak ze "toen ik uw tranen heb ontzien
en zonder meer de wereld achterliet?
Ik kon, noch wilde ik, melden u sindsdien
hetgeen ik thans u te verstaan gebied:
niet hopen mij op aarde ooit weer te zien."
Awater zwijgt. Hij verstijft tot graniet.
Men applaudisseert, werpt met serpentines,
Awater, als een pop, als een pop die
te zwaar is voor zijn eigen mechaniek,
waggelt den uitgang toe dwars door 't publiek.
Er wappert nog een smalle strook papier
hem langs de rug. Ik volg hem op de hielen.
Ik zorg—want het is stil en de straat nauw—
gelijke tred met Awater te houden.
Zo hoort hij niet dat iemand hem bijhoudt.
Mijn bezorgdheden worden menigvoud:
er ligt post thuis, ik heb aan de werkvrouw
nog niet gezegd dat ik op reis gaan zou,
mijn raam staat aan, er brandt vuur in de schouw,
ik heb niets bij me, wat doe ik ?upt
op reis te gaan.—De vlieger aan zijn touw
tuimelt en stijgt: telkens slaat mijn benauwdheid
in vaster blijdschap om: wat zou 't, wat zou 't!
Zo voer ik, het hoofd diep gebogen houdend,
met mijzelf het beslissend onderhoud.
De straat wordt breder. Uit bomen druipt dauw.
Recht voor ons uit ligt het stationsgebouw.
Zou men hier middernacht een meeting houden?
't Is stampvol op het plein. Tussen flambouwen
staat op een ruw getimmerte van hout
in haar heils-uniform, een jonge vrouw.
Toeristen met rugzakken op de schouders,
kinderen, vrouwen, arbeiders, hun blauw
werkpak nog aan, staan onder de toeschouwers.
"Wij leven" zegt zij "heel ons leven fout."
Awater, die de pas heeft ingehouden,
kijkt naar mij om als kent hij mij van ouds.
Maar waar? in een tram? in een schouwburgpauze?
zo vraagt de blik waarmee hij mij beschouwt,
terwijl hij—want het waait—zijn hoed vasthoudt.
Wind, spelend met haar haar, legt langs de mouw
der heilsoldaat een losse knoop van goud.
"Liefde" zegt zij "wordt nooit vergeefs vertrouwd."
Awater blijft, ik loop door, en zoo gauw
of ik de trein zag die ik halen wou.
De stoker werpt steenkolen op het vuur.
De machinist staat leunend uit te turen.
Buiten de kap, boven de rails-figuren
beginnen de signalen hun prelude.
De klok verspringt van minuut naar minuut.
Weer roept zij, de locomotief; voortdurend
roept zij, roepend dat het te lang reeds duurt.
Haar zuil van zuchten wordt een wolkenkluwen.
Maar denk niet, dat zij zich bekreunt om u,
de Oriënt Express; nog minder deelt ze uw jubel
als gij plaatsnamen ziet in een schriftuur
die de eerste klank is van het avontuur.
Zij kent in haar reisvaardigheid geen r?ht.
Wat voor hoop gij ook koestert of wegduwt,
nogmaals, het deert haar niet; zelfs voor de illusie
een reisgenoot te hebben is ze immuun.
Dat gij, geheel alleen, u in haar luxe
beklemd voelt, 't raampje neerlaat, en zelfs nu
't perron nog afblikt; of dat gij het puurst
geluk smaakt dat voor het individu
is weggelegd: te weten, 'k werd bestuurd,
't is niet om niet geweest, ik was geen dupe,—
geprezen!—'t laat haar koud. Zij ziet azuur.
Van schakels is haar klinkende ceintuur.
Zij zingt, zij tilt een knie, door stoom omstuwd.
Zij vertrekt op het voorgeschreven uur.

Martinus Nijhoff, Utrecht, 1934.
Een uitleg over 'Awater'

[ Bericht 1% gewijzigd door LodewijkNapoleon op 14-03-2006 09:47:03 ]
pi_36005301
Ok.
pi_36013191
Lodewijk, je mist nog het eerste deel van dat gedicht:

Wees hier aanwezig, allereerste geest,
die over wateren van aanvang zweeft.
Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,
het is gelijk de wereld woest en leeg.
Het wil niet, als geheel een vorige eeuw,
puinhopen zien en zingen van mooi weer,
want zingen is slechts hartstocht van een zweer
en nimmer is, wat ook, ooit puin geweest.
Een eerste steen ligt nauwelijks terneer.
Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.
Al wat geschiedt geschiedt nog voor het eerst.
Geprezen! Noach bouwt, maar geen ark meer,
En Jonas preekt, maar niet te Ninive.


Verder hoort bij poezie ook de juist witruimte, de versies die ik vind van Awater, hebben wel alinea's. Dat maakt het een stuk leesbaarder. Dit gedicht is volgens mij echt een verhaal, onderverdeeld in hoofdstukken.

Beter leesbaar vormgegeven versie zijn bijvoorbeeld: http://www.dbnl.org/tekst/nijh004awat01/nijh004awat01_0001.htm
Of deze: http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/nijhoff/AwaterEE.html
ik moet verrassend weinig
Es ist heute schlecht und wird nun täglich schlechter werden, – bis das Schlimmste kommt
pi_36014787
quote:
Op dinsdag 14 maart 2006 07:52 schreef sigme het volgende:
Verder hoort bij poezie ook de juist witruimte, de versies die ik vind van Awater, hebben wel alinea's. Dat maakt het een stuk leesbaarder. Dit gedicht is volgens mij echt een verhaal, onderverdeeld in hoofdstukken.

Beter leesbaar vormgegeven versie zijn bijvoorbeeld: http://www.dbnl.org/tekst/nijh004awat01/nijh004awat01_0001.htm
Of deze: http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/nijhoff/AwaterEE.html
Dankje .
Ik zal de witregels toevoegen als ik straks wat meer tijd heb, heb jij dit gedicht al op het VWO gehad? Ik had er namelijk nog nooit van gehoord.
pi_36015013
quote:
Op dinsdag 14 maart 2006 09:48 schreef LodewijkNapoleon het volgende:

heb jij dit gedicht al op het VWO gehad? Ik had er namelijk nog nooit van gehoord.
VWO -even denken- dat was toen ik óf in het cafe zat, óf zat in bed lag, toch?

Nee hoor, niet op school gehad, ik denk mijn wel aanwezige klasgenoten ook niet.

Maar ik verdiep me wel eens op verzoek van een gewaardeerd forumgenoot in iets. Een gedicht bijvoorbeeld . Dit gedicht was me te lang om echt goed te lezen, en de thematiek spreekt mij niet aan. Maar ik keek even rond, en nu juist het eerste couplet -wat jij niet had geplaatst - vond ik wel aardig.

Ikzelf weet weinig van poezie, wat ik leuk vind is Paul van Ostaijen.
ik moet verrassend weinig
Es ist heute schlecht und wird nun täglich schlechter werden, – bis das Schlimmste kommt
pi_36018637
Dat sonnet is van Petrarca, overigens.
Nijhoff doet ergens uit de doeken hoe hij aan de naam ''Awater'' komt; die heeft hij eens een dokter aan de telefoon horen zeggen. De vorm waarin het gedicht gegoten is, heet laisses monorimes. Als me iets meer te binnen schiet dan deze losse weetjes, dan zal ik het natuurlijk zeggen.
pi_36021454
quote:
Op dinsdag 14 maart 2006 12:25 schreef Johan_de_With het volgende:
Dat sonnet is van Petrarca, overigens.
Welk sonnet?
quote:
De vorm waarin het gedicht gegoten is, heet laisses monorimes.
Kan ik dat weer uitzoeken. Alsof ik niet moet werken.

Laisses monorimes; De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren:

En wat nu meer bepaald den vorm der gedichten betreft, zij bestonden uit zoogenaamde tirades of laisses monorimes: dat zijn afdeelingen of strophen van een onbepaald getal regels: nu eens slechts van drie, vier of zes, maar soms ook van een paar honderd. In de Chanson des Lorrains vindt men zelfs een couplet van vijfhonderd-zes-en-veertig regels.
ik moet verrassend weinig
Es ist heute schlecht und wird nun täglich schlechter werden, – bis das Schlimmste kommt
pi_36021584
quote:
Op dinsdag 14 maart 2006 13:57 schreef sigme het volgende:

[..]

Welk sonnet?
Steeds troostte ze, steeds heeft zij als ik sliep
mij met haar liefelijke komst bezield,
de aanbedene; thans kwam ze en heeft vernield
de laatste steun die mijn verlies zich schiep.
Zij was, toen 'k haar ontwaren ging, in diep
met schrik vermengd verdriet terneergeknield;
ik hoorde dat zij mij geloof voorhield
maar zonder dat het hoop of vreugde opriep:
"Herinnert ge u dien laatsten avond niet"
sprak ze "toen ik uw tranen heb ontzien
en zonder meer de wereld achterliet?
Ik kon, noch wilde ik, melden u sindsdien
hetgeen ik thans u te verstaan gebied:
niet hopen mij op aarde ooit weer te zien
pi_36022368
Ik kan natuurlijk geen sonnet van een sinterklaasrijm onderscheiden.
quote:
Voor “Awater”, Nijhoffs lange gedicht en waarschijnlijk samen met zijn “Het Uur U” het bekendste lange gedicht uit de moderne Nederlandstalige literatuur, valt op te merken dat de parallellen met Joyce's meesterwerk Ulysses bijzonder groot zijn. Zowel Meeuwesse, Van Caspel, Schenkeveld als Sötemann gaan in op de gelijkenissen tussen het Nederlandse gedicht en de grote Engelse roman. Daarnaast wijst Sötemann erop dat “de eerste regels van de ‘invocatio’ […] geïnspireerd zijn op de inzet van Miltons Paradise lost” (Sötemann 1985, 230) en meldt hij dat “Awaters lied […] een schijnbaar getrouwe vertaling van het tweehonderdvijftigste sonnet van Petrarca” (idem) is.

Bron: NEDWEB/Literatuur in Context
ik moet verrassend weinig
Es ist heute schlecht und wird nun täglich schlechter werden, – bis das Schlimmste kommt
abonnement Unibet Coolblue Bitvavo
Forum Opties
Forumhop:
Hop naar:
(afkorting, bv 'KLB')