Correspondentie met Eef BrouwersRijksvoorlichtingsdienst / Ministerie van Algemene Zaken,
Directeur-generaal E.Brouwers
Postbus 20009
2500 EA Den Haag
Don Haag, 22 november 2002
Betreft: schrijven Bro/at - Omwille van de Troon
Geachte heer Brouwers,
Om twee redenen las ik uw brief van 19/11 j.l. met stijgende verbazing. De eerste omdat u mij ervan beschuldigt in mijn roman "Omwille van de Troon" aantijgingen over leden van het Koninklijk Huis, respectievelijk hun verwanten, te hebben gedaan die feitelijk onjuist zijn en/of inbreuk maken op hun persoonlijke levenssfeer. Bovendien stelt u dat sommige van die aantijgingen grievend en beledigend zijn én dat mijn voorstelling van zaken op zijn minst onzorgvuldig is. Zijn aantijgingen overigens niet altijd grievend en beledigend?
De tweede reden is dat ik me niet kan voorstellen dat een voormalig journalist, nu directeur-generaal van de Rijksvoorlichtingsdienst zo onwetend kan zijn.
Allereerst neem ik het in mijn roman zowel op voor Bernhards' standpunt, i.e. de bescherming van de Noord-Atlantische belangen als ook voor dat van Juliana ("Nooit meer oorlog"). Zowel koningin als prins-gemaal, noch hun kinderen, wordt in een kwaad of caricaturaal daglicht gesteld. U verwart aantijgingen met feiten. Die feiten zijn inderdaad niet altijd even vleiend voor met name prins Bernhard, diens stiefvader Panchouliedzew en zijn moeder prinses Armgard, maar u kunt mij als auteur toch onmogelijk de vermelding van historische feiten verwijten! Ook u zult toch ooit geleerd moeten hebben "Facts are sacred, comment is free".
U stelt drie specifieke vragen, de eerste naar mijn bewering dat. de prins bij " een Engelse dame" tijdens WO II twee zonen heeft verwekt. Te uwer informatie: de dame in kwestie was Lady Ann or Lewis, de zonen zijn nu respectievelijk 58 en 59 en u kunt gedetailleerde informatie hierover onder meer vinden in het boek "Bernhard, een leven als prins" van de historicus J.G.Kikkert (Poseidon Pers, Utrecht,1998); in "Sisterhood of Spies" van Elizabeth McIntosh (Dell Publishing, New York, 1998) als ook bij Hanno de Yong's "Oranje Bastaarden" (Aspekt, Soesterberg, 2001).
Verbazingwekkend was ook dat de. roddelbladen Weekend en Story in het voorjaar van 1998 er uitgebreide reportages over publiceerden (respectievelijk "Twee Geheime zonen van Prins Bernhard wonen in Londen" en "Het halfzusje en de halfbroers die Beatrix nog nooit heeft gezien") en dat waar met name toch prins Bernhard - en dikwijls terecht - rectificaties eiste en eist, het koninklijk huis niets heeft ondernomen tegen zelfs deze publicaties.
Uw tweede vraag betreft de brief die Bernhard aan Hitler zou hebben geschreven vanuit Londen in 1942 met verregaande vredesvoorstellen en een rol voor zichzelf daarbij. Deze brief duikt op in veel literatuur en zou te maken hebben met de vlucht van een oude bekende van de prins, Rudolf Hess in '41 naar Engeland (zie ook Picknett/Prince en Prior "Hess", Anthos 2001), maar kwam onder brede belangstelling na eerst een artikel van Henk de Mari in "De Telegraaf " (!) van 22 januari 1977, vervolgens in een publicatie van Jan Pijper in "De Nieuwe Revue" van 17 november 1978 en daarna onder meer zeer uitvoerig in Wim Klinkenbergs' "Prins Bernhard – een politieke biografie" (In de Knipscheer,1979). Ik verwijs u met name naar de pp. 228-230 in de tweede druk als ook p. 296. Van groot belang daarbij is een zekere Jeanette Kamphorst die de brief na de oorlog zou hebben gehad en waarover de RIOD-medewerker Gerard Aalders o.m. een verrassend interview gaf aan het dagblad Het Parool. Verrassend was daarbij vooral de vermelding dat ook de Britse Secret Service kopieën van de brief zou bezitten en vooral ook dat er, naast de handtekening van de prins, een tweede persoon zou hebben ondertekend. De brief is volgens bovengenoemde bronnen gedateerd op 24/4-1942.
Het is even zo verrassend voor mij te horen dat het huidige NIOD tegen u zegt "van niets te weten". Volgens mijn - helaas voor u vertrouwelijke - informatie (zie ook de personen die ik voorin mijn roman bedank) bezat ook het RIOD wel degelijk een kopie van de brief en ik meen me zelfs te herinneren dat Het Parool daar enkele zinssneden uit citeerde.
Maar zeker moet het NIOD toch de bovenstaande bronnen kennen, zou je zeggen! Bijgaande stuur ik u tevens wat meer in dezen zoals mij weer door de oud-verzetsman Charles Destree werd toegezonden nadat ik me n.a.v. uw brief tot hem wendde. De inhoud spreekt voor zichzelf.
Ten laatste; zelfs Adolf Hitler zelf noemt de brief in het befaamde boek "Hitler's Tafelgesprekken ".
Tenslotte beweert u dat ik ook aantijgingen zou hebben gericht aan Bernhards' ouders, i.h.b. prinses Anngrad. Dat "ouders" is onzin, Bernhard van Lippe sr. komt nauwelijks voor in mijn roman, hij stierf toen zoon Bernhard zeer jong was. Stiefvader Panchouliedzew werkte onder meer als spion voor de Abwehr en voor I.G. Farben waarvoor ook Bernhard werkte onder meer als V-mann voor de Duitse spionagedienst NW 7 (zie ook Philip Droge "Beroep: meesterspion, het geheime leven van prins Bernhard", Vassallucci, 2002). Dat ook prinses Armgard nazi-sympathieën koesterde is een algemeen bekend feit, waarvoor ik opnieuw verwijs naar Klinkenbergs' biografie waarin dat werkelijk op tal van plaatsen wordt aangetoond, maar zeer feitelijk wordt zij door de toenmalige Abwehr-chef Soltikow al vanaf 10 augustus 1940 als "Abwehr-agente" betiteld. Het is een "bekend Hofgeheim" dat Wilhelmina ook daarom ,zoals ik ook schreef, huisvesting binnen Nederland weigerde aan Juliana's schoonouders. Armgard moest eerst maar eens "ont-Duitst" worden', 20 stelde de oude koningin en u zult vast en zeker begrijpen wat zij daarmee bedoelde. Mijn vader, lid van de verzetsgroep Albrecht, oud BNV-er, oud BVD-er, gedecoreerd door Bernhard, sprak in dat verband overigens gewoon over "zuiveren."
Mocht u nog denken dat ik ook Armgards' z.g. "Tolle Lola"-jaren in het keizerrijk Duitsland verzon, ook dat was de preutse Wilhelmina een doorn in het oog; ik verwijs u daarvoor naar J.G. Kikkert. "Crisis op Soestdijk" De Papieren Tijger, 1996).
Mocht u anderszins doelen op Bernhards' plan om Juliana op te doen nemen in '56 in de Wassenaarse Ursula-kliniek en zelf regent te worden voor kroonprinses Beatris, dan volstaat, het hier alleen maar te verwijzen naar een BBC-televisie-interview met de prins zelf uit nota bene 1961 dat deze zomer dan eindelijk door het Nederlandse volk mocht worden bekeken bij VPRO's "Andere Tijden."
Men vraagt zich af waarom dat zo lang moest duren.
R.V.D.?
Ten laatste wil ik u het werk "De Affaire Sanders" van de RIOD (!) - mediawerkers Aalders en Hilbrink (Sdu uitgevers 1996) niet onthouden waarin veel van het bovenstaande uitvoerig op wetenschappelijk verantwoordde wijze wordt belicht.
Het is, dit alles overlezend, wat professor Arnold Heertje 22 november j.l. in Het Parool schreef n.a.v. de discussie of Wilhelmina in Londen nu wel of niet weet heeft gehad van razzia's en jodenvervolgingen in bezet Nederland: "Liever geschiedvervalsing dan de historische waarheid."
Je zou ook kunnen zeggen: Iemand die feiten absurditeiten noemt, zal vaak verrast staan.
In afwachting van uw gewaardeerde antwoord en met
vriendelijke groet,
W.P.Hogendoorn
(Tomas Ross)