Etappe 4: Carcassonne - Foix, 181,9 kmDe derde etappe van de Tour, de laatste op Catalaans grondgebied, begon als een typische, chaotische Tourrit. Er gebeurde enorm veel, teveel om bij te houden. Na een paar meter koers werd De Lie alweer gelost, hij zou vervolgens de hele dag heel ver achter de rest rijden om uiteindelijk toch maar af te stappen toen de tijdslimiet onhaalbaar bleek. Een enorm kutidee om die jongen eerst ziek naar de Giro te sturen en nu naar de Tour, wanbeleid tot en met. Buiten de onnodige lijdensweg van De Lie om zagen we ook vrij snel een valpartij, met Bruno Armirail als grootste slachtoffer. Er lagen nog wat meer renners bij, maar die zaten zo weer op de fiets. Even later zagen we op een klimmetje dan weer Cian Uijtdebroeks lossen, achteraf bleek dat hij koorts had. Ja, de ene Belg sturen ze ziek naar de Tour, de andere Belg laten ze rondrijden met koorts. Gaat goed. Professioneel. Verstandig. Ondertussen keken we naar ontelbaar veel aanvalspogingen, het duurde een eeuwigheid voor de vlucht vertrokken was. Na 60 kilometer was er nog geen kopgroep weg, ondanks een stuk of 20 pogingen van iemand als Bernal bijvoorbeeld. Iedereen wilde in de vlucht, en dan duurt het vaak lang voor de vlucht vertrekt. Na een aanvangsfase met daarin voldoende klimwerk werd de rit gaandeweg wat vlakker, juist in die vlakkere fase zou uiteindelijk de vlucht ontstaan. De kopgroep ontstond in meerdere schuifjes, iedere keer reed er een nieuw plukje weg uit het peloton. We begonnen met een man of vier, dat werden er acht, werden er 12 en voor we het wisten zat er een mooie groep vooraan met daarin klinkende namen. Bernal zat er ook bij, maar hij moest na een lekke band die groep vrij snel weer laten gaan. Dat was best sneu, al maakte het aan het eind van de rit niet uit. Willekeurige observatie: tijdens de passage in Vic zagen we een spandoek met daarop de tekst Free Catalonia, ik kan me zo voorstellen dat er een paar Spanjaarden schuimbekkend voor hun tv hebben gezeten. We hebben de afgelopen dagen genoten van de Catalanen en hun folklore, al moeten we verder ook zo eerlijk zijn om te zeggen dat het geen Grand Départ was dat lang zal blijven hangen.
Nog een observatie: UAE zat meteen weer op het wiel op het moment dat Jorgenson een keer in de aanval probeerde te gaan, hij staat nog steeds bovenaan de zwarte lijst. Geen Jorgenson in de kopgroep dus, maar wel genoeg andere grote namen. Een Pedersen bijvoorbeeld, of een Aranburu. Het leek me dat die kopgroep zonder meer voor de dagzege zou gaan, maar vrij snel besloot UAE toch de boel te gaan controleren. Pogacar had in Barcelona een cadeautje uitgedeeld aan Del Toro, hij wilde nu heel graag zelf ook een rit winnen. Daar had ik even geen rekening mee gehouden, zelfs een cynicus kan de onstilbare honger van de kannibaal onderschatten. De kopgroep kreeg nooit meer dan drie minuten voorsprong, daardoor werd het een lastig verhaal. De groep vooraan werd ook vrij groot, dat is altijd slecht voor de samenwerking, waardoor UAE het fluitend kon controleren. Op de Collada de Toses werd ondertussen de kopgroep uitgedund, terwijl ook in het peloton een hoop renners lieten lopen. De voorsprong liep op die klim alweer terug naar twee minuten, UAE liet er geen gras over groeien. Van een grote kopgroep hielden we zes renners over, met daarin Alex Baudin als sterkste klant. Hij zou later op de Col du Calvaire samen met Prodhomme wegrijden van de rest, om nog wat later Prodhomme achter te laten. Baudin had de benen om de rit te winnen, maar Pogacar besliste anders. Dat maakte de rit ineens heel saai en voorspelbaar. Leuke aanvangsfase, leuke kopgroep, maar na de controle van UAE was het wel duidelijk. Baudin mocht nog even in z'n eentje op kop zwemmen, maar bij UAE besloten ze dat het een dag voor Pogacar zou zijn. Het grote probleem is dat het dan ook echt een dag voor Pogacar wordt. Dat is mijn grootste bezwaar: alles wat die ploeg wil komt uit. Er gaat nooit iets mis, er is geen vorm van onvoorspelbaarheid, er is geen verrassing, er is geen spanning, er is helemaal niets. Mijn aandacht zakte volledig weg op het moment dat de koplopers nog maar een minuutje voorsprong hadden, vanaf dat moment was het volstrekt duidelijk dat Pogacar zou winnen. Er was geen enkel ander scenario mogelijk. Het was niet mogelijk dat hij een keer een mindere sprint zou rijden, het was ook niet mogelijk dat een andere renner hem ineens kon bedreigen. Voor we de aankomst hadden bereikt stond de uitslag al vast. Je wist dat Pogacar op het klimmetje aan het eind weg zou sprinten van de rest, om met twee vingers in zijn neus te winnen. En wat gebeurde er? Precies dat. Dat is voor mij niet wat wielrennen hoort te zijn. Hoort wielrennen bizar voorspelbaar en eentonig te zijn? Lijkt me niet. Weer een overwinning voor Pogacar, zijn eerste ritzege in deze Tour, er volgen er vast nog een stuk over zes. Hij neemt ook meteen het geel over van Vingegaard, na de iets mindere ploegentijdrit zijn de verhoudingen nu weer even rechtgezet. Vingegaard had geen antwoord op de sprint van Pogacar, al viel dat ook niet te verwachten. Er is niets tegen te beginnen, en dat zorgt ervoor dat dit ontzettend lange weken gaan worden. De Tour kan alleen maar gered worden door een paar leuke ritten voor de vluchters, de volgende rit is daarvoor een geschikte kandidaat. Tenzij UAE beslist dat vandaag Tim Wellens of Florian Vermeersch moet winnen, dan kijk je weer naar een kutrit. Ik weet niet hoe we deze Tour door gaan komen, ik weet het echt niet. We zijn nu in ieder geval definitief terug in Frankrijk, waar we een rit gaan afwerken tussen twee plaatsen die op mijn zenuwen werken. Dat krijg je er dan ook nog bij. Altijd tegen mij.
![bad39]()
![6aaac]()
Nou, daar zijn we weer, in het onvermijdelijke Carcassonne. De tourist trap der tourist traps, waar we vorig jaar getuige waren van een afgrijselijke rit. In een door Pogacar gedomineerde Tour wilden zijn ploeggenoten niet achterblijven. In wat een leuke rit voor de vluchters had moeten worden besloot de ploeg zelfs een van de weinige kansen op vermaak te verpesten. Voormalig regenrijder Tim Wellens reed zichzelf in de kopgroep en op meer dan 40 kilometer van het eind ging hij solo, hij reed iedereen volledig op een hoop. Hartelijk UAE, allen. Niet alleen de kopman kan de koers vermoorden met een lange solo, zijn knechten zijn daartoe ook in staat. Dat was geen goede dag, altijd tegen ons. In 2021 waren we dan weer getuige van geschiedenis in de straten van Carcassonne. De 13e rit kwam daar toen aan en het zou eindigen in een massasprint. Mark Cavendish had al drie ritten gewonnen die Tour en moest er nog eentje winnen om het record van Eddy Merckx te evenaren. Het winnen van 34 etappes in de Tour de France, geen geringe prestatie. In Carcassonne slaagde Cav in zijn opzet, hij ging met de zege lopen. Zijn vierde ritzege in die Tour en zijn 34e in totaal, het record van Merckx werd geëvenaard. Het record aanscherpen lukte dat jaar dan weer niet, maar een jaar later slaagde hij er alsnog in. Hij mag nog even genieten van zijn eretitel, tot Pogacar die titel onvermijdelijk gaat overnemen. Een jaar daarna kwam er nog een rit in Carcassonne aan, een stad die de laatste jaren veel te vaste prik is geworden. Dat was weer een rit met wat heuvels onderweg, zowel ten noorden als ten zuiden van Carcassonne kom je de nodige bergen tegen. In 2022 moest er flink geklommen worden, waardoor enkele matig klimmende sprinters als Ewan en Jakobsen keihard werden gelost. Ook Groenewegen werd gelost, maar hij wist dan toch nog terug te keren. Dat was ook de rit dat Alexander Kristoff zigzaggend ademend als een koikarper in beeld kwam, fascinerende beelden. Local hero Benjamin Thomas reed in de aanval en hij wist zijn aanval door te trekken tot in de laatste kilometer. Op 500 meter van het eind werd hij pas ingerekend, waarna het alsnog een massasprint werd. In die massasprint wist Jasper Philipsen na talloze ereplaatsen eindelijk zijn eerste Tourrit te winnen, hij klopte Wout van Aert en Mads Pedersen. Daags nadien ging er nog een rit van start in Carcassonne, we trokken toen naar Foix en daar gaan we nu toevallig ook naartoe, wat een innovatief parcours weer. Tussen 2022 en vorig jaar waren we eventjes niet in Carcassonne, maar nu zijn we er dus weer twee jaar achter elkaar. Genieten. Carcassonne is verschrikkelijk, vraag maar aan Mart Smeets. De beelden die ze op tv laten zien geven een heel idyllisch beeld van de stad, maar eigenlijk is het een verschrikking. Veel te toeristisch, kan ook alleen maar erger zijn geworden nu de Tour hier bijna jaarlijks te vinden is. Voor de zevende keer in dertien jaar zijn we in Carcassonne, dat is toch een aardige score. In 2014 en 2016 startte er een rit in deze stad, die na Parijs en Mont-Saint-Michel de grootste toeristische trekpleister van Frankrijk is. De bekendste bezienswaardigheid van Carcassonne is uiteraard de citadel. De hele oude binnenstad is bijna volledig gerestaureerd en de vesting is zo'n beetje de grootste en best bewaarde uit de middeleeuwen. La Cité de Carcassonne is de moeite van het bezoeken waard, volgens in ieder geval de organisatie van de Tour en meerdere duizenden mensen die zich hier jaarlijks vergapen aan alle pracht. Carcassonne is trouwens veel meer dan de vesting alleen, het is tegenwoordig een stad met 47.000 inwoners. Het is dus niet zo lang geleden dat de Tour nog in deze stad was, we komen hier tegenwoordig veel te vaak langs. Voor de rit in 2021 kwam er ook nog een rit aan in 2018. Een rit met een totaal ander verloop, onderweg moesten we dwars door de Montagne Noire en lag de Pic de Nore op het parcours. Op die Pic de Nore was Majka nog de sterkste van de kopgroep, maar in de afdaling werd hij weer ingelopen door de rest. In de straten van Carcassonne wisten Magnus Cort, Bauke Mollema en Ion Izagirre weg te rijden van de rest van de vluchters. Cort was duidelijk de snelste, dus moesten Mollema en Izagirre iets anders verzinnen. Dat lukte niet echt, op een paar meelijwekkende halfslachtige demarrages na lieten ze zich rechtstreeks naar de slachtbank leiden. Cort klopte dat hele zooitje in de sprint, uiteraard. Net als in 2018 en 2021 ging er in 2022 na een finish ook weer een rit van start in deze stad, het is al heel wat dat we dit jaar slechts één dag in deze stad te vinden zijn. In 2022 zat er tussen de aankomst en het vertrek ook nog een rustdag, toen bleef men drie dagen in Carcassonne, een waanzinnige overdosis in deze stad die vernoemd is naar een spelletje. Enfin, in de Tour van 2016 ging hier ook een rit van start, die rit zou eindigen in Montpellier alwaar Peter Sagan de winnaar was. In 2014 zou er dan weer een rit vanuit Carcassonne richting Bagnères-de-Luchon gaan, waar Teflon Mick wist te winnen. De laatste keer dat er een rit eindigde in Carcassonne voor de editie van 2018 is ondertussen wel lang geleden, we moeten daarvoor terug naar 2006. De zege ging toen naar Yaroslav Popovych, hoe zou het ondertussen met Popo zijn? Andere winnaars in Carcassonne zijn onder meer Jean Stablinski, André Rosseel en Lucien Teisseire. Daarnaast won Raleigh hier ooit een ploegentijdrit van meer dan 70 kilometer. We voegden daar vorig jaar Wim Tellens aan toe en nu zijn we hier dus weer voor een vertrek. Nu echt een paar jaar geen Carcassonne meer, alsjeblieft. Met je kasteel.
![1_carcassonne_aerial_2016.jpg]()
![po85jl3v9gkjnpedfzdn]()
In het smerig warme Carcassonne, men verwacht daar dat het overdag 39 graden kan worden, gaan we van start in het centrum van de stad. We hebben zicht op de stadsmuur en een stadspoort, je kunt slechtere startplaatsen treffen als je het zo bekijkt. Tijdens de neutralisatie rijden we een rondje door de stad heen, waarna we over de Pont Neuf gaan rijden. We zien hier ook de oude brug, de Pont Vieux liggen, en natuurlijk de onvermijdelijke citadel. Uiteraard fietsen we vervolgens naar de citadel toe, de renners rijden een gezellig rondje langs de Cité de Carcassonne, de middeleeuwse citadel van drie kilometer lang. Er zijn liefst 52 torens te zien, die we de afgelopen jaren ook 52 keer hebben gezien. Citadel. Carcassonne. Het is zo voorspelbaar als een overwinning van Pogacar. De laatste jaren zijn we vanuit Carcassonne regelmatig richting de Pyreneeën getrokken, zo reden we in 2022 dus ook al eens van Carcassonne naar Foix. Wel op een volledig andere manier, er zit bijna geen overeenkomst tussen deze rit en de rit van toen. Zelfde start en finish, maar toch enige variatie. Ik denk wel dat dit de mindere variant is ten opzichte van toen, maar goed, het parcours mag voorlopig dus nog niet te zwaar zijn. Je zag het gisteren weer, zelfs op een niet al te uitdagend parcours veegt het gedrocht alles op een hoop. In 2021 reden we vanuit Carcassonne dan weer naar Quillan, een plaats die vandaag ook de revue gaat passeren. In ieder geval, voorbij de citadel rijden we een tijdje langs de Aude richting Trèbes, hier slaan we af om vervolgens ter hoogte van het lokale industrieterrein officieel aan de rit te beginnen. Prudhomme zwaait weer met zijn vlag en dan verwachten we eigenlijk opnieuw een felle strijd om in de vlucht van de dag terecht te komen. Gisteren redde de vlucht het uiteindelijk niet, maar dit is absoluut meteen weer een nieuwe kans. Een betere kans, zelfs. Hier heeft UAE echt geen belang om te rijden, zou je denken. Al weet je het met die ploeg nooit, misschien willen ze vandaag Florian Vermeersch wel laten winnen. Kan gewoon. De renners gaan van start op een typisch Frans weggetje. De afgelopen dagen hebben we veel over snelwegen gereden, dit is zo'n weg die net een slag smaller is. Nog steeds breed genoeg, maar ook wel geschikt om af te zetten als ploeg. Als er ploegen zijn die het hier op een uitgedunde sprint willen laten aankomen, je hebt de gelegenheid om hier de weg te blokkeren. In de eerste zes kilometer van deze rit rijden de renners richting het dorp Monze, dit doen ze over een weg die behoorlijk glooiend is. Een bochtige weg ook, we slingeren wat af terwijl we langs de kant van de weg heel wat wijnranken zien passeren. Een omgeving vol wijngaarden, dat geeft altijd ook wel weer een apart beeld. Na een paar kilometer rijden we door Fontiès-d'Aude heen, een piepklein dorpje waar de renners even moeten oppassen voor een drempeltje. De weg loopt overwegend vals plat omhoog, maar we komen ook een paar strookjes in dalende lijn tegen. Vlak voor we na zes kilometer het dorp Monze betreden komen we een halve kilometer in dalende lijn tegen, met in die halve kilometer zelfs een pittige haarspeldbocht. Aangezien iedereen deze rit in de vlucht zal willen kan dat wel weer even een nerveus momentje worden. Het is wel echt een behoorlijk makkelijke start, voorlopig komen de renners geen serieus klimwerk tegen. Er liggen hier in de omgeving genoeg beklimmingen, maar we rijden daar voorlopig mooi met een boog omheen. Helemaal vlak is het ook weer niet, om Monze te bereiken moet er een kilometer aan 4% geklommen worden. In dit dorp, omgeven door wijngaarden, komen we een paar wegversmallingen tegen, waarna we buiten het dorp een kilometer over een vlakke weg rijden over de weg die redelijk bochtig blijft. Een vrij ruige omgeving hier, met nog steeds een grote hoeveelheid wijnranken. Wat Pyreneeëncols op de achtergrond, maar de organisatie krijgt het toch twee dagen achter elkaar heel knap voor elkaar om de echte Pyreneeën te negeren. Na een vlakker stukje begint de weg weer een tijd vals plat omhoog te lopen, al mag dat eigenlijk geen naam hebben. Na 11 kilometer komen we uit in het gehucht Pradelles-en-Val, na de doortocht in dit gehucht vol huizen waar al 50 jaar niets meer aan is gedaan begint de weg na een tijd wat 'serieuzer' omhoog te lopen. Stukje vals plat buiten het gehucht, terwijl we over een mooie laan met wat platanen rijden, vooraleer we even verderop opnieuw tussen de wijnranken een kilometertje mogen klimmen aan 4%. Er is zelfs een profiel van dit klimmetje, dan kunt u meteen zien hoe makkelijk deze aanvangsfase is. Een groot verschil met de rit van gisteren, de strijd om hier in de vlucht van de dag terecht te komen wordt nog lastiger.
![proxy.php?image=https%3A%2F%2Fimage.climbfinder.com%2Fcote-de-la-borde-de-combe.png%3Fv%3D1757610119&hash=7f257619c75e3ec3463ac9a51938e066]()
![Monze_12-19_3.jpg]()
Heel ingewikkeld is de aanvangsfase dus niet, de kans bestond zelfs dat De Lie een tijdje had kunnen aanhaken, ware het niet dat hij inmiddels is afgestapt. Een paar bochtjes omhoog, daarna een paar bochten omlaag over een weg die gelukkig wel is voorzien van fatsoenlijk asfalt. We rijden in het midden van het niets, maar zelfs in het midden van het niets ligt soms een goede weg. Even verderop moeten de renners wel even opletten voor wat vluchtheuvels, terwijl ze een stevige bocht naar rechts nemen. We bevinden ons hier in de buurt van Montlaur, waar op het kerkhof de Frans-Nederlandse architect Eduard Niermans ligt te rusten. Een architect uit de belle époque, vooral verantwoordelijk voor een hoop gebouwen in Parijs, zoals de Moulin Rouge. Later zou hij in het departement van de Aude terechtkomen, waar hij in deze omgeving zijn eigen wijndomein bestierde. De renners rijden voorbij Montlaur langs nog wat meer wijnranken af, het levende bewijs dat je hier prima een château omringd door wijngaarden kunt bezitten. De komende kilometers gaan nog tragischer worden, we rijden een kilometer of 14 vooral vals plat omlaag richting Lagrasse. Koerstechnisch gezien gaat hier weinig gebeuren, het is op deze stroken haast ondoenlijk om weg te rijden uit het peloton. Een kilometer of vijf rijden we vooral rechtdoor tussen de wijnranken in, daarna betreden we plotseling een stukje natuurschoon. Richting Lagrasse rijden de renners negen kilometer door de kloof van de Sou heen, een behoorlijk fraaie kloof. Wel even een punt van aandacht voor de renners, want in deze afwisselend groen en rotsachtige kloof rijden we zeker de eerste kilometer gestaag naar beneden, terwijl we tientallen bochten tegenkomen. Daar zitten een paar vrij scherpe varianten tussen, toch best link. De vlucht zal hier vermoedelijk nog niet vertrokken dus, dus kunnen een paar waaghalzen zich hier flink door de bochten smijten. Kan wat breukjes opleveren in het peloton, en dus de nodige nervositeit. In de laatste kilometers van de kloof loopt de weg soms ook een paar meter omhoog, al zit er geen echt klimwerk tussen. Op al dat bochtenwerk na kun je hier vooral genieten van de omgeving, prima kloofje. We passeren ook een keer een mooie middeleeuwse brug langs de kant van de weg, terwijl we via wat smallere stenen bruggetjes ook een aantal keer over de Sou zullen rijden. Dat stroompje komt zo nu en dan ook in beeld, geflankeerd door enkele rotswanden. Na 27 kilometer rijden we via een smalle maar mooie brug Lagrasse binnen, een dorpje dat lid is van Les Plus Beaux Villages de France. In het dorpje vinden we onder meer een gave markthal, alsmede een abdij. Lagrasse ligt in de streek die we ook wel Les Corbières noemen, tevens een laag bergmassief dat deel uitmaakt van het voorgebergte van de Pyreneeën. De streek ligt in de regio Occitanie, voornamelijk in het departement Aude. Les Corbières is ook een wijnregio, dat hebben we de afgelopen kilometers al gemerkt. In Lagrasse komen we volgens Wikipedia een bodem van kalksteen tegen, bedekt met rode mediterrane grond. Door de wat hogere ligging wordt de hitte wat afgezwakt. Het geeft krachtige rode wijnen met name door de laatrijpende druiven Carignan, Mouvèdre en Grenache. Daarnaast brengt de Lagrasse ook levendige witte wijnen voort. Dan weten we dat.
![Lagrasse_2004.jpg]()
![0?width=2560&height=3200&crop=false&q=80]()
In het middeleeuwse Lagrasse is de Sou overgegaan in de Orbieu, we rijden via een smalle brug over die Orbieu heen en daarna rijden we dwars door het centrum van dit pittoreske dorpje heen. De rit is voorlopig een flop, maar de lokale VVV kan in ieder geval tevreden zijn. We noteren een wegversmalling en een drempeltje in Lagrasse, buiten het dorp komen we dan weer op een bredere weg terecht. Deze weg zal nog een paar kilometer zo goed als vlak zijn, voor we mogen gaan klimmen. Een paar vlakke kilometers lang rijden we over een licht bochtige weg langs nog wat meer wijnranken, terwijl we toch ook een hoop boompjes zien verschijnen. Volgens een bord langs de kant van de weg rijden we na een tijd het land van de Katharen binnen, het wordt dus ook weer een kasteeltjesdag. Van Lagrasse rijden we in de richting van Saint-Pierre des Champs, maar na vier kilometer over deze weg gereden te hebben slaan we vlak voor we Saint-Pierre des Champs zouden bereiken linksaf een andere weg in. We zijn nog eens wat meer wijngaarden en ook een wijnchâteautje gepasseerd, de komende kilometers zullen er nog meer passeren. Na de bocht naar links beginnen we aan een ongecategoriseerde klim van 8,5 kilometer aan 3%. Na de bocht naar links rijden we een tijd door de bossen waar het eerst een kilometer of vier aan vier procent omhoog zal lopen. Bepaald geen monsterklim, maar na het lange vlakke stuk en zelfs het stuk in voornamelijk dalende lijn is er nu wel weer meer kans om een kopgroep te laten ontstaan. Slinger je grootste versnelling aan en stamp er maar van weg op deze stroken die net iets meer zijn dan vals plat. We slingeren omhoog in de bossen, het is best een mooi weggetje. Had iets steiler gemogen, maar na de zo goed als vlakke start zijn we blij met iedere klimmende meter. De weg voert in de richting van Talairan, maar ook dat dorpje gaan we niet bereiken. Na vier kilometer in stijgende lijn vlakt de weg af, we komen in een wat meer open vlakte terecht waar ook weer wat nieuwe wijnranken te zien zijn. Hier loopt de weg een halve kilometer licht naar beneden, vooraleer we bij een T-splitsing rechtsaf gaan slaan. Als je linksaf slaat fiets je richting Talairan, maar we slaan dus rechtsaf, op weg naar de top van de Col de Villerouge. Na het vlakkere stukje en de paar meter in dalende lijn loopt de weg nu nog eens een kilometer of drie omhoog, al wordt het nog steeds niet steil. We klimmen aan iets van 3,5%, af en toe een strookje aan 4%, maar toch vooral veel stroken waar we met niet meer dan vals plat af te rekenen hebben. Wel een mooi weggetje, op links is er een fraai zicht op de omgeving. De renners kijken kilometers weg in de verte, de plaatjes zullen niet te versmaden zijn. Nu de percentages nog. Na 40 kilometer komen we boven op de Col de Villerouge, op de top ligt een streep en dat wil zeggen dat er hier wel eens eerder een koers is gepasseerd. Blijkt ook zo te zijn, al moet je dan vrij ver terug in de geschiedenis. In de Tour van 2005 reden we onderweg naar Ax-3-Domaines eens over deze klim. Niet alleen over deze klim, ook over de drie klimmetjes die hierna komen. Een kopie, maar meer dan 20 jaar na dato mag dat wel. Georg Totschnig won die etappe overigens, godbetert. Bleef vanuit de vlucht nog net Armstrong voor, ik kan me dat nog levendig voor de geest halen. Enfin, ook in een kleinere koers als de Tour du Languedoc-Roussilon zijn we hier wel eens gepasseerd, op deze totaal niet boeiende klim. Voorbij de top van de klim gaan we kort dalen richting Villerouge-Termenès, in het land van de Katharen komen we in dat dorpje meteen een kasteel tegen. Een stuk in dalende lijn van anderhalve kilometer, waarbij we direct na de top een aantal bochten tegenkomen. Niet al te lastig, het is hier ook best open, dus de renners zien perfect waar ze naartoe moeten sturen. Na het bochtige begin wordt het een stuk rechter, we rijden rechtdoor Villerouge-Termenès binnen, al moeten we in dit dorp dan weer opletten voor een stuk of drie wegversmallingen. In Villerouge-Termenès staat dus een kasteel, een kasteel waar tijdens de Albigenzische Kruistochten Guillaume Bélibaste, de laatste volwaardige Kathaar, op de brandstapel werd gegooid. Het liep niet heel goed af met de katharen, maar gelukkig hebben we de kastelen nog! Het onderstaande profiel klopt overigens niet helemaal, we kennen tijdens de klim een ander startpunt en sluiten alleen in de laatste drie kilometer aan op het onderstaande profiel, maar bij gebrek aan beter heb je dan alsnog een idee van het gegeven dat het hier in deze omgeving helemaal niet lastig is.
![col-de-villerouge-talairan.png?v=1709901761]()
![image%2F6830784%2F20250923%2Fob_4e9412_20250914-130337-img-7926.jpg]()
![France_aude_villerouge_termenes_chateau.jpg]()
Buiten Villerouge-Termenès begint de weg vrij snel weer omhoog te lopen, het gaat de komende kilometers continu op en af zonder dat we klimwerk tegenkomen om bang van te worden. Door een vrijwel uitgestorven omgeving rijden we over een bochtige weg door de bossen omhoog naar de Col de la Tranchée, na een paar vlakke meters loopt de weg ineens een kilometertje aan 5% omhoog. Na dit korte hupje dalen we een kilometer af richting Félines-Termenès, in die kilometer komen we geen bocht van belang tegen. In Félines-Termenès, een nogal rustiek aandoend gehucht, komen de renners een stevige wegversmalling tegen als ze over een tweetal bruggen rijden. Ook wat drempels hier, toch maar even opletten als je met hoge snelheid dit dorp betreedt. Vrij snel verlaten we het dorp weer en dan loopt de weg opnieuw omhoog, we beginnen nu zowaar aan een gecategoriseerde klim. We trekken naar de Col de Bedos, een klim van 3,3 kilometer aan 4,4%. Dat klinkt niet spannend, is het ook niet. De renners komen onderweg een paar strookjes aan 5% tegen, maar in dit deel van de Pyreneeën is het blijkbaar onmogelijk om tot hogere percentages te komen. Over een weg vol bochten slingeren we wel door een mooi decor, het is hier vrij groen, met wat rotsen en ook een boel gele struiken tussendoor. Er is hier verder ook geen hond, als je jezelf af wil sluiten van de buitenwereld is dit een goede plek om te bezoeken. Na 48 kilometer komen de renners boven op dit klimmetje van vierde categorie, dat net als de twee vorige klimmetjes deel uitmaakte van een Tourrit in 2005. In het oostelijke deel van de Pyreneeën komen we niet zo vaak, aan dit specifieke deel missen we ook weinig. Op de top komen we een mooi stenen hutje tegen waar de renners kunnen schuilen als UAE weer besluit het peloton te geselen. We rijden op de top rechtdoor en dalen daarna eigenlijk niet echt af. Het gaat voorbij de top een kilometer voorzichtig omlaag, we komen in dit stuk ook een paar bochten tegen, maar vrij snel wordt de weg weer vlak. In een bos rijden we twee kilometer over een zo goed als vlakke weg verder tot in Laroque-de-Fa. Best een mooi dorpje, authentiek. Rotsachtige omgeving ineens, een deel van Laroque-de-Fa is half in die rotsen gebouwd. Het is alleen wel dusdanig klein dat de renners het dorp alweer verlaten hebben voor ze überhaupt in de gaten hebben door een dorp te rijden. Al ligt er hier ook wel weer een wegversmalling en een drempel, op dat vlak moet je altijd alert zijn. Als we via een bocht of twee door Laroque-de-Fa zijn gereden gaat het buiten dit dorp opnieuw omhoog, we gaan nu 2,3 kilometer aan 4,8% klimmen naar de top van de Col des Fourches. Geen bergpunten hier, terwijl we voor het eerst een klimmetje hebben gevonden waar we zowaar een paar stroken aan 6% tegenkomen. Nog steeds geen al te lastige klim natuurlijk, maar we komen in ieder geval achter elkaar genoeg meters in stijgende lijn tegen om een leuke kopgroep weg te laten rijden. We rijden verder door een vergelijkbare omgeving, nog steeds vrij groen met soms wat rotsen tussendoor. De weg is prima, niet al te lang geleden ook nog eens van een nieuwe laag asfalt voorzien. Na 53 kilometer komen we boven op deze klim, waarna we een kilometer vals plat rechtdoor omlaag rijden richting het dorpje Mouthoumet. Tussen alle authentieke dorpjes in is dit ineens wel een vrij aftands gat. Het meest sjofele tankstation ooit vinden we langs de kant van de weg, aan de andere kant van de weg vinden we dan weer een château dat wel een likje verf kan gebruiken. We hebben 54 kilometer achter de rug als we hier passeren, en als we geluk hebben is de vlucht hier nog steeds niet vertrokken.
![0BT8LLN.png]()
![col-des-fourches-laroque-de-fa.png?v=1682003945]()
![Laroque-de-Fa_%28France%29_Rocher.jpg]()
![Mouthoumet-cr-G-Deschamps-PTCM--1-.jpg]()
In Mouthoumet komen we een drempeltje en een tweetal vervelende bochtjes tegen aan de buitenrand van het dorp, waarna we beginnen aan een afdaling van vier kilometer richting Pont d'Orbieu. Dit wordt een razendsnelle afdaling, een ontzettend bochtige ook. Het gaat niet enorm steil naar beneden, maar toch ziet deze afdaling er vrij link uit. De weg is breed en goed genoeg, maar we komen meerdere scherpe bochten tegen. Een aantal van die bochten worden afgeschermd door een plotseling opdoemende rotswand of een paar bomen, je ziet dus niet altijd waar je naartoe gaat. De snelheid zal hier hoog liggen terwijl je van bocht naar bocht aan het hollen bent. Ik tel toch op z'n minst vier bochten die je gevaarlijk zou kunnen noemen, het wordt wat dat betreft geen saaie rit. Beneden komen we uit in Pont d'Orbieu, waar we via een brug over de Orbieu rijden, je verwacht het niet. Ook nog even een listige bocht, maar meteen daarna loopt de weg weer omhoog. We beginnen aan de volgende gecategoriseerde klim, de Col du Paradis. Is het een paradijselijke klim? Daarover zullen de meningen verschillen. We rijden in ieder geval 5,8 kilometer tegen 4,1% gemiddeld omhoog, dat klinkt voor de toerder paradijselijk, voor de wielerprof die het verschil wil maken misschien net iets minder. De omgeving mag je wel paradijselijk noemen, we rijden weer eens door een groene omgeving heen, met tussen al het groen in ook weer een tijd wat fraaie rotswanden langs de kant van de weg. Het is weer een bochtige weg, maar die bochtige weg wordt nooit steil. In de eerste vier kilometer gaat het een tijdje aan 4% omhoog, maar we komen ook wat vals platte stroken aan 2% tegen. Tussendoor passeren we het dorpje Albières, waarvan het me zou verbazen als er daadwerkelijk mensen wonen. Richting de top gaat het twee kilometer aan 5% omhoog, dat zijn de percentages waar we het tijdens het eerste deel van deze etappe mee mogen doen. Na 65 kilometer komen we boven op deze Col du Paradis, een beklimming van de derde categorie. Na deze klim beginnen we aan een afdaling van 6,5 kilometer richting Arques, de andere zijde van deze Col du Paradis is vergelijkbaar en dus gaat het vooral aan 4% naar beneden. Minder rotswanden aan deze kant van de klim, we rijden nu continu door het bos heen. In het bos liggen bochten genoeg, in het begin zijn deze bochten nog niet zo spannend. Naar verloop van tijd komen we wat meer bochten kort achter elkaar tegen, een aantal snelle bochtjes, ook een paar wat stevigere doordraaiende bochten. De bochten liggen soms wat verdekt opgesteld, het is zo'n dag waar je in plaats van bergop ook een keer kunt proberen bergaf weg te rijden. Al is de kans aanwezig dat we met een kilometer of 70 in de benen al lang en breed een vlucht hebben. Bijna beneden komen we een keer twee haarspeldbochten tegen, daarna verschijnt er toch nog een keer een rotswand en om die rotswand heen ligt ook nog een scherpe bocht op de renners te wachten. Hierna stelt de afdaling niet veel meer voor, we rijden even verderop Arques binnen, zo'n dorpje waar de tijd ook weer stil lijkt te hebben gestaan. In Arques hebben we 71 kilometer afgewerkt, na een fase van bijna 40 kilometer waarin het continu op en af ging beginnen we nu aan een fase waarin het een tijd vlak gaat zijn. Dat kan het moment zijn om even weg te dromen, de rit ligt vanaf nu misschien wel een tijdje in de plooi. In Arques komen we in het centrumpje een wat smallere straat tegen, waar we het asfalt een paar meter inruilen voor een betonweg. Bij het verlaten van het dorp rijden we vervolgens langs het absolute hoogtepunt, een kicken kasteel.
![col-du-paradis-albieres.png?v=1744713951]()
![Paradis.jpg]()
![011_arques_parcours_d%27orientation_%281%29.jpg]()
Enorm veel kastelen in deze omgeving, als de rit een beetje saai is kunnen we gerust de hele dag het ene na het andere kasteel in beeld brengen. Dit is ook weer echt een puik exemplaar, niks mis mee. Voorbij dit kasteel is de afdaling eigenlijk nog niet helemaal gedaan, in de komende vijf kilometer dalen we nog wat verder richting het dorpje Serres. In deze vijf kilometer komen we zo nu en dan nog steeds wat bochtenwerk tegen, maar het gaat inmiddels vals plat omlaag. Het echte gevaar is nu wel voorbij, ik zie eigenlijk maar één lastige bocht verschijnen in dit strookje, verder is dit prima te doen. Het decor blijft mooi, je rijdt een beetje door de bossen heen terwijl je tussendoor op de achtergrond een paar bergtoppen ziet opdoemen. Her en der ook nog wat rotswandjes, ik word daar altijd wel vrolijk van. Na 76 kilometer bereiken we zonder veel problemen Serres, de dorpjes hier kennen bij de entree vaak een laan vol platanen, dat geeft toch ook altijd een typisch Tourbeeld. Wegversmalling en een drempeltje in dit dorp, voorts kunnen we stellen dat de afdaling nu echt gedaan is. Over een rechtere en vlakkere weg rijden we zes kilometer verder tot in Couiza, waarbij we ondertussen de tijd hebben om naar nog wat meer kasteeltjes te kijken. In Serres hebben ze er ook weer eentje, het is haast overal raak. Door de bossen trekken we verder in het land van de katharen, na een tijdje over deze weg te hebben gereden die verder weinig omschrijving nodig heeft zien we boven op een heuvel de restanten van het Château de Coustaussa liggen, en zo gaan we verder. Na 82 kilometer komen we zonder veel oponthoud uit in Couiza, waar een bocht naar links volgt. Hier komen we op de Route des Pyrénées terecht, een weg die ons rechtstreeks naar de Pyreneeën brengt. In Couiza hebben ze overigens ook weer een kasteel, het Château des Ducs de Joyeuse. Doet dienst als hotel, er zijn slechtere plekken om te overnachten. In Couiza komen we langs de rivier de Aude te rijden, we volgen deze rivier tot in Quillan, 11 kilometer verderop. Dit worden geen spannende kilometers, bepaald niet zelfs. Mooie omgeving, maar het is hier behoorlijk recht en bijna volledig vlak. De rit komt hier tot stilstand, al gaat ie binnenkort opnieuw in gang schieten. Onderweg komen we een keer een rotonde tegen, veel meer obstakels zijn er niet. Na een tijd rijden we langs Espéraza af, een dorp waar ze over een toeristische attractie beschikken. Sinds de 20ste eeuw is Espéraza bekend door de ontdekking van fossiele beenderen en eieren van dinosaurussen. Dinosauria, het lokale museum, stelt deze fossielen tentoon, samen met levensgrote wederopgebouwde dinosaurussen. Wij gaan alleen niet naar Dinosauria, wij rijden over een weg die ineens een stuk breder is geworden rechtdoor verder naar Quillan. Onderweg passeren we nog wat dorpjes, zo komen we door Campagne-sur-Aube, maar verder rijden we vooral door het groen. Totaal geen boeiend stukje rit, al komt er nu wel weer een belangrijk moment aan. Na 93 kilometer bereiken we Quillan, hier volgt de tussensprint van de dag. Hopelijk is er een grote kopgroep vertrokken, want deze sprint wil je liever niet met het peloton doen. In aan loop naar de tussensprint gaat het eerst een tijdje omhoog, maar in de kilometer voorafgaand aan de tussensprint loopt de weg juist omlaag. Een sprint op hoge snelheid, het zou beter zijn als er hier geen punten meer te rapen zijn voor de sprinters. Geen echte afdaling, maar toch, vals plat omlaag is genoeg om de snelheid flink de hoogte in te jagen. Voorbij de tussensprint slaan we rechtsaf, we rijden via een brug over de Aube en aan de andere kant van deze rivier volgt meteen nog een bocht naar rechts. Na deze bocht naar rechts begint meteen de volgende klim van de dag, maar niet voordat we even terugkeren naar het jaar 2021. In de Tour van 2021 reden we tijdens de 14e rit van Carcassonne naar Quillan, in een etappe die voor een deel over vergelijkbare wegen voert. Het werd een dag voor de vlucht en vanuit die vlucht reed Bauke Mollema op een slim moment weg van zijn vluchtgenoten. Hij deed dat niet bergop, nee, hij deed dat in een eindeloos stuk vals plat omhoog, waar men over een bochtige weg door een kloof reed. Hij was binnen een mum van tijd uit zicht, en de rest zag hem ook niet meer terug. Hij overleefde de opvallende klim van Saint-Louis en kwam daarna solo aan in Quillan, de plaats waar nu een tussensprint zal volgen. Voorlopig de enige winnaar in dit stadje, in de Tour althans. Het oudste criterium van Frankrijk wordt sinds 1938 georganiseerd in deze plaats. Alleen tijdens de Tweede Wereldoorlog en in 2020 ging het feest niet door, verder zijn hier alle jaren alle grote renners gepasseerd. Wat Stiphout of Boxmeer is voor Nederland is Quillan voor Frankrijk, zou je kunnen stellen. Lenny Martinez was hier vorig jaar nog de winnaar, ik bedoel maar! Ieder jaar op 15 augustus wordt dit criterium verreden in Quillan, de plaats waar we nu snel gaan beginnen aan de volgende klim van de dag.
![9d543]()
![075d4]()
Na de twee bochten naar rechts in Quillan, waar uiteraard ook weer een kasteel te vinden is, beginnen we direct aan de Col de Coudons. We laten het plaatsje waar de dit jaar overleden voormalig coureur Jesus Martinez uit afkomstig was achter ons om de komende 10,7 kilometer aan 5,5% omhoog naar het dorpje Coudons te klimmen. Geen klim van de buitencategorie, nee, het is een klim van de tweede categorie. Een wat langere klim, maar de percentages laten weer te wensen over. In eerste instantie rijden we vijf kilometer over een enorm brede weg naar de Col du Portel toe, in deze eerste kilometers van de klim komen we de steilste stroken tegen. Vrij snel in het begin een keer een halve kilometer aan 8%, later nog een keer een halve kilometer aan 7%. Op die stroken na is de klim verder behoorlijk regelmatig, het gaat steeds tussen de vijf en zes procent omhoog. De renners slingeren door een enorm groene omgeving over die brede weg omhoog, waarbij er soms uitzicht is op enkele fraaie bergtoppen in de omgeving, ook kun je zo nu en dan een mooie blik in de diepte werpen. Het is sowieso een mooie omgeving, in deze streek kom je de ene na de andere kloof tegen. De bergtoppen zijn ook lekker rotsachtig, je kunt je daar prima aan vergapen. Na vijf kilometer klimmen slaan we op de top van de Col du Portel linksaf een andere weg in, waarna we nog eens dik vijf kilometer moeten klimmen. De weg blijft na deze bocht breed, maar de klim wordt hierna nog net iets makkelijker. We komen wel nog wat stroken aan 6% tegen, maar steiler dan dat zit er niet in. Tussendoor komen we ook een keer een strookje vals plat tegen, de Col de Coudons is niet direct het ideale terrein om de koers te dynamiteren. Het blijft wel steeds een mooie klim, de natuur springt vooral in het oog. Veel bomen, wellicht kan dat de renners in deze tropische omstandigheden zo nu en dan enige schaduw opleveren. Vlak voor de top komen we uit in het dorpje Coudons, eerder een gehucht. Paar huisjes, paar bejaarden op straat, geen bruisende gemeenschap. Net voorbij het dorp komen we vervolgens na 105 kilometer de top van deze klim van tweede categorie tegen. Met bijna 11 kilometer is ie best lang, het gebrek aan steile stroken zorgt er dan misschien weer voor dat zowel de vlucht als het peloton in groep omhoog zullen rijden. Nog 77 kilometer tot de finish hierna, Foix is nog ver. De Coudons is een mooie klim, als het je puur om de plaatjes te doen is. Ook als het je om de variatie te doen is, deze Col de Coudons komt bijna nooit voor in de Tour. In 2001 reden we voor het laatst over deze klim, onderweg naar Ax-les-Thermes. Paolo Bettini was hier toen als eerste boven, in een rit die uiteindelijk gewonnen zou worden door Felix Cardenas. Roberto Laiseka geklopt, ik ben spontaan ziedend. Voor 2001 kwam de klim alleen voor in 1955, je hebt soms van die onverklaarbare hiaten. Je zou verwachten dat er vaker gebruik wordt gemaakt van een klim als deze, blijkbaar niet. Recent werd ie wel bedwongen in de Ronde de l'Isard, op weg naar een aankomst bergop op de Col de Pailhères, eentej die we in de Tour ook al een tijdje niet meer hebben gezien. Zo passeert er 25 jaar geen koers, zo zien de senioren hier ineens twee keer in hetzelfde jaar een peloton passeren.
![col-des-coudons-quillan-361768.png?v=1614280640]()
![zGGBivZ.jpeg]()
Na de top van de Col de Coudons bereiken we een beetje een merkwaardige fase, in de 20 kilometer na deze klim gaan we namelijk over een soort plateau rijden. Helemaal vlak gaat het niet zijn op dit plateau, maar we komen voorlopig geen echte klim en ook geen echte afdaling tegen. Na de top van de Coudons gaat het een kilometer vals plat omlaag, waarna een nog steeds brede en soms bochtige weg een kilometer of twee vals plat omhoog begint te lopen. De weg door de bossen komt uit in het gehucht La Peyre, waar we rechtsaf slaan om vervolgens een kaarsrechte weg te bereiken. Deze weg ligt buiten het bos, we rijden ineens langs een hoop akkers en weilanden. Hier gaat het een kilometer of drie licht naar beneden, maar dan heb je het over een daling van 1%, dus is het gewoon vlak. Na die drie kilometer gaat het dan weer een kilometer of zes heel minimaal vals plat omhoog, maar voor profs is dat gewoon helemaal vlak. Amper een bocht de komende tien kilometer, het is echt een enorm saaie weg over een hoogvlakte die weinig harten gaat veroveren. We rijden een keer door een dorpje heen, Espezel, maar verder rijden we eigenlijk helemaal nergens doorheen. Een paar kilometer na Espezel slaan we ter hoogte van Roquefeuil rechtsaf, om daarna nog eens een kilometer of zeven op een zo goed als vlakke manier verder te rijden over dit plateau. Zo goed als vlak en zo goed als recht, er valt weinig te maken van dit deel van de rit. Na de lange Col de Coudons kun je hier vanuit de kopgroep tactisch weg proberen te sluipen, maar dit lijken me toch vooral heel saaie kilometers te gaan worden. Na in totaal praktisch 20 kilometer over het plateau gereden te hebben komen we uit op de grens van de departementen Aude en Ariège. We rijden de Ariège binnen en hier vinden we de top van de Col de la Croix des Morts, het kruis van de doden. We hebben het uiteinde van het plateau bereikt, de renners fietsen een duister bos in en in het bos gaan ze 6,8 kilometer aan 5,7% dalen richting Bélesta. Deze weg diende in de Tour van 2021 in de door Mollema gewonnen rit met aankomst in Quillan nog als klim, we reden toen daarna in tegengestelde richting een tijd over het plateau. Michael Woods kwam toen als eerste boven, dat was de eerste keer dat we dat ding in koers bedwongen. In het begin van de afdaling gaat het drie kilometer op een niet al te steile manier omlaag, wel komen we vrijwel meteen na de top een paar stevige bochten tegen. Haarspeldbochtje zelfs, terwijl vooral opvalt dat de begroeiing hier enorm dicht is. Echt een duister bos, met dicht en hoog struikgewas direct langs de kant van de weg. De bochten zijn daardoor soms een beetje aan het zicht ontnomen, ideaal terrein om een versnelling te plaatsen als vluchter. In dit donkere bos komen we langs een château dat ook wel toe is aan een opknapbeurt, het château de la forêt de Bélesta. We zijn in het bos van Bélesta, logische naam wel. Voorbij dit chateautje komen we een wat rechtere fase tegen, even een kilometer of twee zonder serieuze bochten, terwijl het hier juist wel wat steiler omlaag gaat. Pas in de laatste anderhalve kilometer van de afdaling komen we weer wat meer bochtenwerk tegen, ik zie toch al snel twee serieuze bochten verschijnen. Valt al bij al mee, ik heb ergere afdalingen gezien, alleen al tijdens deze rit. We noteren een haarspeldbocht helemaal aan het eind van de afdaling, en daarna nemen we beneden in Bélesta een zeer vervelende terugdraaiende bocht naar links van 180 graden. Na die vervelende bocht is het dalen echt gedaan, we zijn na 132 kilometer beneden in Bélesta. Zonder veel van dit dorp mee te pakken rijden we meteen weer de natuur in, waarbij we net buiten Bélesta langs Fontaine de Fontestorbes fietsen, een zogenaamde resurgentie. Al zijn er ook andere termen voor te bedenken, kijk maar: Een karstbron, ook wel resurgentie, resurgentiebron of vauclusebron genoemd, is een bron waar een rivier na een ondergrondse loop weer aan de oppervlakte komt. Nou, zo'n ding ligt dus hier langs de kant van de weg, dolletjes. De renners zien er niet veel van, ze zien alleen een bord langs de kant van de weg. Het valt eerder op dat ze hier een paar stevige rotswanden hebben, wat er zich onder de weg afspeelt ziet niemand, maar gelukkig hebben we een mooie foto gevonden.
![Espezel_01-19_5.jpg]()
![Col_de_la_Croix_des_Morts_%28Ari%C3%A8ge%29.jpg]()
![Fontaine_de_Fontestorbes.JPG]()
In Bélesta staat ook een kasteeltje, maar daar zien we dan weer niets van, omdat we dat dorp grotendeels negeren. Buiten Bélesta en voorbij Fontaine de Fontestorbes gaan we op weg naar de laatste gecategoriseerde klim van de dag. De komende vijf kilometer rijden we behoorlijk rechtdoor in een bosrijk gebied, tot we in het dorpje Fougax uitkomen. Richting Fougax loopt de weg een tijd vals plat omhoog, maar dat mag eigenlijk geen naam hebben. Eenmaal in Fougax komen we een paar lastige bochtjes tegen, maar buiten het dorp gaat het weer wat meer rechtdoor. We vervolgen onze weg naar de laatste gecategoriseerde klim van de dag. Voor we die klim bereiken rijden we wederom een paar kilometer vals plat omhoog, richting Montségur. Een paar kilometer lang valt het best mee, maar als de weg bochtiger begint te worden gaat de klim beginnen. Een klim met een relatief korte geschiedenis in de Tour, in 2002 debuteerde de klim, waarna we hier alleen in 2019 en 2021 nog eens zijn geweest. In 2019 hebben we voorlopig de enige andere keer meegemaakt dat we vanuit het dorp Montségur naar de top van de Col de Montségur reden. Tijdens die rit reden we van Limoux naar Prat d'Albis, Prat d'Albis is dan weer de klim die boven Foix ligt, we komen in deze regio vaak toch weer op dezelfde plaatsen terug. Nu rijden we via de Montségur opnieuw naar Foix, maar dan zonder aankomst bergop op Prat d'Albis. Voor de tweede keer in de volledige Tourgeschiedenis op deze manier omhoog, in 2019 was Michael Woods hier als eerste boven en hij krijgt dus een opvolger. De Col de Montségur, in 2019 nog Côte genoemd, is een beklimming van de tweede categorie. Het gaat 6,9 kilometer aan 6,6% omhoog, maar met de vals platte aanloop erbij kom je tot een kleine tien kilometer aan 5% gemiddeld. Of, als we de klim in Bélesta laten beginnen, 14,5 kilometer aan 4%. De Col de Montsegúr is hoe dan ook een mooie klim, we rijden door een smal dal, langs imponerende rotswanden. Het gaat af en toe ook op een imponerende manier omhoog, zo komen we vrij vroeg een kilometer aan 10% gemiddeld tegen. Kort achter elkaar komen de renners een paar haarspeldbochten tegen, vandaar dat het zo steil omhoog gaat. In het vervolg van de klim valt het wel mee, het gaat een paar kilometer aan ongeveer 6% omhoog, met aan het eind nog twee kilometer aan 7%. Allemaal wel weer afhankelijk van je bron, iedere site maakt er weer een ander verhaal van. Het is linksom of rechtsom waarschijnlijk wel een beslissende klim, hier mogen de vluchters gaan bepalen wie de rit wint. In het peloton zal er weinig actie te zien zijn, deze klim is niet lastig genoeg om elkaar te bestoken.
![col-de-montsegur-belesta.png?v=1614188422]()
![tour-de-france-2019-stage-15-climb-ccdcbcec54.jpg]()
![4713329399_14bdfb8abd_b.jpg]()
Na 147 kilometer koers, op 35 kilometer van de aankomst, komen de renners boven op deze laatste echte klim van de dag. Op de top wordt de weg ineens heel breed, er is zelfs een heuse parkeerplaats te vinden. Niet zonder reden, want in Montségur draait het vooral om het Château de Montségur. Dit is een kasteel op een gigantisch hoge rots. Een kasteel van de katharen, uiteraard. Hét kasteel van de katharen, zelfs. Wikipedia komt met de volgende geschiedenisles: In 1204, toen paus Innocentius III zijn strijd tegen de katharen begonnen was (wat in 1209 tot een kruistocht leidde) werd de ruïne van een oude vesting op deze bergtop door de katharen herbouwd. Dit bolwerk werd in 1232 door de Kathaarse bisschop van Toulouse uitgeroepen tot het zenuwcentrum van het katharisme. In 1243 was het Kasteel van Montségur de belangrijkste vesting van de katharen. Tijdens de derde Albigenzische Kruistocht belegerde het kruisvaardersleger de burcht, aanvankelijk zonder succes. Katapulten konden niet gebruikt worden wegens de grote hoogte waarop de vesting stond. Dit veranderde toen een groepje soldaten er op een nacht in slaagde een nabijgelegen toren in te nemen, zodat de kruisvaarders vanaf ongeveer dezelfde hoogte de burcht konden bestoken. Op 16 maart 1244 gaven de katharen en hun verdedigers (niet iedereen in de burcht was van het kathaarse geloof) zich over. Bij hun overgave kregen de katharen en de verdedigers de keuze tussen zich te bekeren tot het officiële christendom of de brandstapel. Tussen de 200 en 225 katharen die zich in Montségur bevonden kozen vrijwillig voor de brandstapel. Ter nagedachtenis van hen werd een monument opgericht aan de voet van de berg. De burcht van de katharen werd met de grond gelijk gemaakt. In de drie eeuwen daarna is de tegenwoordige burcht door Franse troepen als ganizoen gebouwd en uitgebreid. Eigenlijk worden we dus met z'n allen in de maling genomen, dit is helemaal geen kasteel van de katharen meer. Enfin, maakt niet uit, het ziet er leuk uit. Dat hebben we in 2019 kunnen zien, maar dat zagen we ook tijdens de Tour van 2021. Toen reden we, weer in de door Mollema gewonnen rit in Quillan, van de andere kant omhoog over deze beklimming van Montségur. Een klim die lang op het debuut moest wachten, daarna lang moest wachten op een terugkeer, maar nu is het ineens best wel vaak raak. Zo gaat dat meestal, in de Tour. In 2021 was Woutje Poels dan weer als eerste boven, toch wel altijd serieuze klimmers die hier de punten pakken. Tweede categorie, er liggen er ook best wel wat voor het oprapen.
![45590669574_cf65da7885_b.jpg]()
Voorbij de parkeerplaats op de top van de Col de Montségur gaan we vijf kilometer naar beneden. De weg is hier behoorlijk breed en het is niet buitengewoon bochtig, dus is de afdaling vrij makkelijk. Alleen aan het begin komen de renners twee lastige bochten tegen, maar daarna gaat het op een eenvoudige manier verder richting Montferrier. De andere kant van deze klim is wel een stuk steiler, we dalen toch aan bijna 8% gemiddeld. Ondanks dat hoge percentage valt deze afdaling echt mee, we komen vooral wat flauwe bochtjes tegen en weinig echt bochtenwerk. Eén keer een fase met wat korte en snelle bochtjes achter elkaar, maar nee, eitje. Voorbij Montferrier wordt de weg zo goed als vlak. We rijden een kilometer of twee behoorlijk rechtdoor, tot in Villeneuve-d'Olmes. We volgen in een groen dal de loop van de Touyre, een bescheiden stroompje. We hadden hier overigens ook een andere kant op kunnen gaan, vanuit Montferrier kun je fietsen naar het skiresort van Monts d'Olmes, was ter variatie misschien ook nog wel een leuke optie geweest. Enfin, doen we niet, want het moet wel een beetje makkelijk blijven. Als we Villeneuve-d'Olmes bereiken komen we enig straatmeubilair tegen, via een paar flauwe bochten rijden we door dit dorpje heen, waarna we buiten het dorp rechtsaf slaan om vervolgens een paar kilometer in heel licht dalende lijn rechtdoor te rijden naar Lavelanet toe. We komen een keer een rotonde tegen, maar verder is het een aantal kilometer heel simpel koersen. Na 156 kilometer, op 26 kilometer van het eind, komen we uit in Lavelanet. Dit is het dorp van de legendarische grabbelaar Fabien Barthez, wat een kutkeeper was dat. Ook het dorp waar Riccardo Ricco tijdens de Tour van 2008 door de gendarmerie van zijn bed werd gelicht. Lavelanet was toen de startplaats van de 12e rit, een rit die Saunier Duval nooit zou rijden. In de dagen ervoor hadden de mannen van Saunier Duval net iets teveel capriolen uitgehaald, we denken aan het de demarrage van Ricco op de Aspin en de eerste en tweede plaats van Piepoli en Cobo op Hautacam, dat leverde voor Ricco en Piepoli al vrij snel een positieve test op en dus werd de hele ploeg uit de ronde geknikkerd. Wij kennen een bepaalde ploeg die aan Saunier Duval te linken valt die in principe in Lavelanet ook prima uit de koers mag worden geknikkerd. Misschien kunnen die stoethaspels nu ook weer een dopingmiddeltje gebruiken waarvan de dokter ze heeft verteld dat het niet op te sporen is, terwijl dat wel het geval is. Enfin, de afgelopen jaren zijn we regelmatig door Lavelanet gereden, eigenlijk altijd als we in Carcassonne van start gaan. in 2021, toen we naar Quillan gingen, en in 2022, toen we net als nu naar Foix gingen. Het is een plaatsje van niets, vooral een dorp waar ze het in het verleden van de textielindustrie moesten hebben. We slaan hier in het centrum twee keer kort achter elkaar linksaf, om daarna via een bochtig achterafweggetje dit onooglijke dorp weer te verlaten. Dan had Montferrier een paar kilometer geleden net iets meer charme.
![266.jpg]()
Buiten Lavelanet loopt de weg drie kilometer vals plat omhoog, we komen in de laatste kilometers van deze etappe toch nog een klein beetje klimwerk tegen. Stelt niets voor, vooral niet het stuk voorbij Lavelanet. Ik kom aan een kilometer of drie aan twee procent, aan niets dus. Over een brede weg rijden we rechtdoor naar Raissac, het houdt niet over. Eerst rijden we door het lelijke Lavelanet, daarna rijden we een tijdje door de bossen, vlak voor we Raissac bereiken zien we dan weer vooral een aantal weilanden in beeld. Klein beetje tegenwind in deze open strook, om de aanvallers te ontmoedigen. Voorbij het stukje vals plat richting Raissac loopt de weg een kilometer of vijf vals plat omlaag, we rijden weer een bos in en hier wordt de weg een stuk bochtiger. De meeste van die bochten zijn vrij makkelijk, in principe schuilt er weinig gevaar in deze strook. We rijden alleen wel een keer door een dorpje heen, Tanière, en hier slingeren we tussen de huizen door. Dit levert een paar wat krappere bochten op, ook buiten het dorp komen we nog eens twee wat scherpere bochtjes tegen. Dan ben je er verder wel, een tamelijk makkelijke route in een behoorlijk groene omgeving. Aan het eind van dit stuk vals plat omlaag komen we uit in het plaatsje Ilhat, hier slaan we linksaf om vervolgens een vlakke kilometer af te werken in de richting van Roquefort-les-Cascades. In deze omgeving vinden we een aantal watervallen, de naam geeft het wellicht al weg. Voorbij deze watervallen loopt de weg opnieuw omhoog, ditmaal hebben we het over vier kilometer aan 2,5%. Zo, een paar stevige uitsmijters in de finale. Leuke omgeving, maar de wegen vallen een beetje tegen. Deze rit loopt helemaal weg, al kun je hier eventueel wel een leuke tactische finale krijgen. Rick Pluimers denkt overigens dat dit wel eens een rit zou kunnen zijn waar de beter klimmende sprinters er voor willen gaan. Dat denk ik niet, maar mocht het zo zijn dan is dit laatste stuk richting Foix niet heel gunstig voor de sprintersploegen. Goed, misschien wat tegenwind hier, dat is dan weer nadelig voor de vluchters, maar deze weg door de groene vallei kent behoorlijk veel bochten en dus ben je als koploper lang uit zicht. Lange tijd rijden we ook door de bossen heen, al zitten er ook wel wat stroken tussen waarin we zijn omgeven door weilanden. Af en toe ook een passage in een dorpje, af en toe een passage langs een verdwaalde boerderij, af en toe een blik op een kasteeltje op een heuveltop in de verte, zo rijden we richting Foix. Op 13 kilometer van het eind zijn we boven op de laatste strook vals plat van de rit, hierna gaat het tot in Foix vooral vals plat omlaag verder.
![12171311603_1ed27db854_b.jpg]()
De renners rijden nu tot op vier kilometer van de aankomst steeds een beetje omlaag. Een echte afdaling mogen we het niet noemen, maar deze kilometers zullen wel snel voorbij vliegen. Eerst gaat het een kilometer of vijf heel minimaal vals plat omlaag, over een weg die uit een stuk of 1000 bochten bestaat slingeren we door een decor vol weilanden en kleine nederzettingen. Het is echt veel draaien en keren, geen ideale wegen om een achtervolging op poten te zetten. Na vijf kilometer minimaal vals plat loopt de weg vervolgens een kilometer of drie wat serieuzer omlaag, al dalen we dan nog steeds maar aan net iets meer dan 3%. Hier rijden we weer de bossen in, waar de weg bochtig blijft. Een paar stevige bochten zelfs, al wil ik het allemaal ook weer niet overdrijven. Hoe dan ook niet echt een rit die ontworpen is op een sprint, het is duidelijk de bedoeling dat hier een vlucht vooruit blijft. Op vier kilometer van de aankomst is dat lange stuk vals plat en net iets meer dan vals plat omlaag klaar, de weg wordt daarna ook gelijk een stuk rechter. Het is een kilometer zo goed als vlak, waarna we op drie kilometer van de aankomst beginnen aan een stuk in stijgende lijn. Er moet toch nog even een halve kilometer aan 4% geklommen worden, schrikbarend. We rijden tijdens dit klimmende deel rechtdoor, daarna buigt een brede en keurige weg een tijd linksaf. Geen echte bocht, hier gaan we soepeltjes doorheen. We betreden vervolgens op twee kilometer van de aankomst het grondgebied van Foix en in Foix dalen we af richting de slotkilometer. We rijden rechtdoor omlaag, terwijl we in de verte het hoogtepunt van de stad zien liggen. Een kasteeltje, boven op een rots, maar dat weten we, want we zijn heel vaak in Foix. Het gaat een kilometer omlaag aan een procent of drie, zo denderen we heel snel de slotkilometer in. De weg buigt eerst flauwtjes af naar rechts, daarna slaan we linksaf een andere weg in. Een brede bocht, maar na die bocht blijft de weg ook in de slotkilometer nog even omlaag lopen. De vod passeren we direct na de bocht naar links, na die bocht rijden we dan wel weer rechtdoor tot op 300 meter van de aankomst. Klein flauw bochtje naar links nog, terwijl de weg steeds een beetje omlaag blijft lopen. Pas op een meter of 500 van het eind wordt het weer vlak, waarna we op 300 meter van de finish rechtsaf slaan. Een stevige bocht naar rechts, waarbij we via een brug over de Ariège rijden. Na deze bocht gaat het in de laatste meters van de rit rechtdoor naar de finish, heel licht vals plat omhoog. Normaal staan er hier paaltjes, maar die zullen voor de gelegenheid wel worden weggehaald. Een aankomst waarbij het toch vooral de bedoeling is dat er iemand solo over de streep komt, met een grote groep wordt dit een minder groot succes. Finish bij de lokale graanhal voor de deur, schitterend. Net op tijd de streep getrokken voor we over wat keitjes zouden rijden.
![Ti0NQm6.png]()
![7f0df]()