Op woensdag 1 mei 2013 19:06 schreef Thorb het volgende:1) aan zijn neus hangen (=hem inlichten)
2) bij de neus hebben (=iets wijsmaken)
3) bij de neus nemen (=iemand beetnemen)
4) dat gaat zo tussen neus en mond (=dat gebeurt in een verloren ogenblik)
5) de neus optrekken (=duidelijk maken dat men iets of iemand niet waardeert)
6) doen alsof je neus bloedt (=doen alsof je van niets weet)
7) door de neus boren (=iemand anders iets de mogelijkheid ontnemen)
8) een (goede) neus voor iets hebben. (=precies aanvoelen hoe iets moet of gaat.)
9) een bril op de neus krijgen (=geen vrij uitzicht of vrije ruimte meer hebben)
10) een fijne neus hebben (=gemakkelijk iets ontdekken, snel iets aanvoelen)
11) een frisse neus halen. (=naar buiten gaan.)
12) een lange neus maken (=tong uitsteken, iemand iets inpeperen (Jaloers maken))
13) een wassen neus zijn (=niets te betekenen hebben)
14) er met zijn neus bij staan (=er vlakbij staan)
15) ergens zijn neus voor optrekken (=zich te goed vinden om iets te doen)
16) geen knip voor de neus waard zijn (=zijn vak niet kennen en er geen verstand van hebben)
17) het gaat aan zijn neus voorbij. (=hij loopt iets mis.)
18) het moet zo tussen neus en lippen gebeuren (=het moet bijna ongemerkt gebeuren)
19) het neusje van de zalm. (=het beste deel.)
20) iemand bij de neus nemen. (=iemand voor de gek houden; iemand bedriegen.)
21) iemand de pen op de neus zetten (=streng ondervragen of aanpakken)
22) iemand een bril op de neus zetten (=iemand dwingen gehoorzaam te zijn)
23) iemand een pen op de neus zetten (=iemand dreigend vermanen)
24) iemand iets aan de neus hangen (=iemand iets vertellen wat die beter niet kan weten)
25) iemand iets door de neus boren (=ervoor zorgen dat iemand iets niet krijgt)
26) iemand met de neus op de feiten drukken. (=iemand iets zó onder de aandacht brengen, dat hij het niet langer kan negeren.)
27) iets tussen neus en lippen zeggen (=zonder dat je het merkt in het geheel iets zeggen)
28) met de neus in de boeken zitten (=veel lezen)
29) met de neus in de boter vallen (=door geluk rijk geworden zijn)
30) met zijn neus in de boter vallen (=(Onverwacht) goed terechtkomen.)
31) niet verder zien/kijken dan je neus lang is (=niet goed nadenken wat de gevolgen van iets zijn)
32) onder de neus wrijven (=duidelijk zeggen wat er van gevonden wordt)
33) op de neus kijken (=verrast zijn)
34) op zijn neus kijken (=teleurgesteld zijn)
35) overal zijn neus in steken (=zich overal mee bemoeien)
36) wie het onderste uit de kan wil hebben die valt het lid op de neus (=wie altijd het uiterste wil, krijgt uiteindelijk niets)
37) wie zijn neus schendt schendt zijn aangezicht (=wie zijn goede naam verliest, komt in moeilijkheden)
38) zijn neus in andermans zaken steken. (=zich bemoeien met zaken die je niet aangaan.)
39) zijn neus voor iets ophalen (=iets minderwaardig achten)
En doorrrrrrrrr