quote:
Bij ons thuis ging het vroeger altijd over voetbal. Mijn vader was zelfs al fan van Feyenoord, toen de club nog aan de Kromme Zandweg speelde. Hij had zich ten doel gesteld zijn liefde voor de club over te brengen op zijn kinderen. Dat was hem gelukt.
Op een na dan die Sparta aanhing en irritant uitbundig was, wanneer Sparta had gewonnen en Feyenoord verloren. De ergernis van anderen daarover was zo groot dat we, bij het voorlezen der voetbaluitslagen door Frits van Turenhout op de radio, zo luid gingen joelen dat mijn broer de bevestiging van Sparta's winst niet kon horen.
Ja, dat waren mooie tijden. Alles stond vast, verliep volgens dezelfde rituelen. Mijn vader ging elke veertien dagen naar de Kuip. Op zondagmiddag, want toen had je nog niet van die nieuwlichterij als vrijdagavondduels en wedstrijden op zaterdag om 18.45 uur. Hij deed zijn pak aan, strikte zijn das, deed zijn haar in de brilliantine, strikte de veters van zijn goedgepoetste schoenen en reed met zijn Ford Zodiac richting Zuid. Als je oud genoeg was, mocht je met hem mee naar De Kuip. In het leven van een Rotterdams kind, driehoog in Overschie, was dat iets magisch. Maar je moest er wel acht of negen voor zijn. Dan pas mocht je mee.
Als jongste kon ik dat tweewekelijkse ritueel alleen maar gadeslaan. Ik was vijf, zes jaar oud en te jong om naar Feyenoord en die geweldige Kuip te gaan, vond mijn vader. Mijn zondagse ritueel bestond uit het luisteren naar de radio en wegdromen bij de voetballers, van wie Ove Kindvall meteen al mijn favoriet was. Je hoorde Wim Hoogendoorn of Theo Koomen de verslagen doen, met op de achtergrond het geluid van een overvolle Kuip. Als er werd gescoord, overspoelde een golf van geluid uit het stadion onze kleine huiskamer. De radioverslaggever had moeite om boven die tientallen decibellen uit te komen.
Omdat je geen beelden zag, werden Feyenoord en De Kuip groter dan ik me kon voorstellen. Ik had alleen maar een ansichtkaart van een verlichte Kuip bij een avondwedstrijd en die prikkelde mijn fantasie, Zo groeide mijn liefde voor Feyenoord en mijn nieuwsgierigheid naar de voetbaltempel, waarin mijn familie met de regelmaat van de klok een dienst bijwoonde. Wanneer mijn vader, met broer of zus, net op tijd voor witlof of sperziebonen met draadjesvlees terugkeerden, waren ze nog steeds in de ban van de wedstrijd die ze hadden gezien. Bijna altijd verkeerden ze in opperbeste stemming. In de late jaren zestig was Feyenoord onverslaanbaar in De Kuip.
Ik had me al geschikt in mijn lot om nog een paar jaar thuis de radioverslagen te volgen. Totdat ergens in september 1969 mijn vader me plotseling toesprak en zei dat ik een week later mee mocht naar De Kuip. Ik was te verbijsterd om blij of uitzinnig te zijn. Niemand van de eerste klas was ooit bij een voetbalwedstrijd geweest, laat staan in De Kuip.
Ik mocht mee naar Feyenoord-Reykjavik en had werkelijk geen idee wat ik ging zien. Wel kon ik een week de slaap bijna niet vatten, zo opgewonden was ik voor mijn vuurdoop. Het was een avondwedstrijd nog wel, dus mocht ik ook nog eens langer opblijven.
Voordat we die woensdagavond vertrokken voelde ik een raar soort spanning in huis die ik bijna nooit had gevoeld. Natuurlijk was er weleens ruzie, maar dit was anders. Op zachte toon hoorde ik mijn vader tegen mijn moeder zeggen dat de pijn er nog wel was. Aan die opmerking besteedde ik verder weinig aandacht, omdat ik vond dat we nu toch echt op weg moesten naar De Kuip.
Ergens op Zuid parkeerden we de auto en we werden al snel opgenomen in een processie van duizenden mensen die, keurig gekleed en zwijgzaam, afliepen op dat kolossale bouwwerk dat onder het licht van de schijnwerpers iets sprookjesachtigs kreeg. Ik kneep de hand van mijn vader stevig beet. Hoewel magisch, was het ook wel een beetje eng. Een jongetje in het donker, trippelend tussen tienduizenden volwassenen.
Op het voorplein werd ik opgenomen in het Legioen. Bij de man die tot in lengte der dagen souvenirs verkoopt, kreeg ik een simpele vlag aan een houten stokje. En een blikken toeter die voor mij nog te groot was om er enig geluid uit te kunnen persen.
Eenmaal in de Kuip, gezeten hoog op de tribune, kregen Feyenoord en De Kuip me in hun greep. Het was niet eens die wedstrijd (12-2 trouwens) die me trof, maar meer de grootheid van zo'n gebouw gevuld met 55.000 mensen. Badend in het licht, podium van mijn elf helden, een kuip waarin geluid aanzwelt en blijft hangen, verzamelplaats voor mensen met een grote liefde die hen bindt, Feyenoord. Het werd een gedenkwaardige avond.
Pas toen mijn vader niet lang na deze wedstrijd stierf, besefte ik waarom hij mij zo jong had meegenomen. Op de valreep van het leven wilde hij de liefde voor zijn club en de magie van het stadion doorgeven. Als kostbaarste erfstuk.
Zelf zag hij nooit meer een wedstrijd in zijn stadion; ik was voor het leven verkocht. Aan Feyenoord en De Kuip.
Maar, eerlijk gezegd, Feyenoord kan ik soms vervloeken, verwensen en verrot schelden.
Bij De Kuip zit de liefde dieper. Ik merkte het laatst nog, na Feyenoord-Ajax. Ik genoot van de 4-2, maar toen ik de 75-jarige onder het gewicht van 48.000 hossende fans zag schudden op zijn grondvesten, bijna ritmisch op het gezang, bekroop me zo'n zelfde gevoel als op die septemberdag in 1969.
Ontroerd door een bouwwerk. Want De Kuip beneemt me de adem. Nog steeds.