quote:
Op zondag 6 mei 2007 14:17 schreef TubewayDigital het volgende:[..]
wat een wijd verspreidt fabeltje is dit zeg
De economie is gegroeid, daarom kan ik nu studeren, niet omdat we stakingsrecht hebben.
Vergeet niet dat er gevochten moest worden om de leerplicht in te voeren.
Bij de stemming was er het geluk dat er een tegenstander van z'n paard gevallen was omdat er uiteindelijk 50 voor de leerplicht stemden en 49 tegen.
Een verhaaltje:
"Nederland is laat geïndustrialiseerd. Pas vanaf het midden van de negentiende eeuw en vooral vanaf ongeveer 1870 zien we een toename van het gebruik van stoommachines en groeit het aantal fabrieken met een groot aantal arbeiders.
In het buitenland hadden fabrikanten al veel langer geprobeerd goedkoper te werken door de introductie van machines en grootschalige productie. Hier bleven de werkgevers nog lang de nadruk leggen op zo laag mogelijke kosten van arbeiders.
Gedurende de negentiende eeuw nam het aantal werkende kinderen steeds verder toe. Kinderen moesten daarbij vaak hard en lang werken. Zelfs werkdagen van 15 uur waren geen uitzondering!
Er kwamen wel vele protesten en verzoeken om maatregelen, zelfs van fabrikanten zelf, maar die hadden weinig effect. De regering reageerde steevast met het besluit een en ander nog eens te onderzoeken. Verder liet men alles op zijn beloop.
Eén van de mensen die door de regering was ingeschakeld was A.A.C. de Vries Robbé, ingenieur bij het stoomwezen. Hij had opdracht gekregen een rapport te schrijven over de wettelijke regelingen aangaande kinderarbeid in andere landen. Met dat rapport werd net zoals met het resultaat van een grote regeringsenquête over kinderarbeid uit 1861, weer niets gedaan. Gefrustreerd besloot De Vries Robbé de echtgenoot van een van zijn nichtjes, Jacob Cremer, te benaderen. Hij hoopte dat Cremer, toentertijd een populair auteur, bereid zou zijn in zijn geschriften aandacht aan het vraagstuk van de kinderarbeid te schenken en dat die aandacht ertoe zou bijdragen dat de regering zou ingrijpen.
Cremer wilde wel. Hij had in zijn werk regelmatig blijk gegeven van een groot sociaal gevoel, zij het dat dat sociaal gevoel zich vooral uitte in aansporingen tot meer liefdadigheid en niet in ingrijpen door de overheid.
Jacobus Johannes Cremer was in 1827 in Arnhem geboren. Zijn ouders waren vermogend en brachten de zomers meestal door op De Oldenhof, een buitenverblijf nabij Driel in de Overbetuwe. Cremer zelf kon niet zo goed leren, maar had wel talent voor acteren, tekenen en schilderen. Hij mocht daarom een opleiding tot kunstschilder volgen.
Met het schilderen is het nooit veel geworden. Wel met het schrijven, waarmee Cremer tussen het schilderen door was begonnen. Zijn novellen (deels geschreven in het Betuwse dialect) hadden veel succes, evenals de voordrachten die hij ermee hield. Hij wist er een voor die tijd behoorlijk inkomen mee te verwerven.
De Vries Robbé nam Cremer mee op een tocht door Leiden om hem de misstanden daar te tonen. Daarop schreef Cremer het pamflet “Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld”.
Ik zal nu het verhaal van Cremer al citerend en parafraserend volgen:
Na een proloog, waarin hij duidelijk vraagt om staatsingrijpen, beschrijft hij in zijn eerste tafereel een winterochtend bij een arbeidersgezin:
"’t Is winter. Koud was decembersnacht, en ijzig koud is nog zijn vroege morgen. Zes slagen bromt de klok uit Leidens hoogsten toren. Door de Breestraat en de Hoogewoerd leidt onze weg naar een der achterbuurten der stad."
Hij schetst een oud, vervallen pand, waarin het gezin Zwarte woont. De moeder wordt zojuist wakker en wil de drie kinderen wekken die naar de fabriek moeten. De vader, werkloos en alcoholist, wil uitslapen en mag niet gestoord worden.
“’Toe kinders, er uit!’ roept de moeder met schrille stem het slapende drietal toe, en als zij het schamele dekkleed heeft weggeslagen, dan trekt zij den oudsten knaap bij den arm, haar Evert die, langzaam ontwakend met lodderigen blik voor zich heen ziet, terwijl zij verder op soortgelijke wijze de beide andere kinderen te wekken tracht. Die taak is geen ligte. Saartje althans weert onbewust de moederhand af die haar diepen slaap komt verstoren; wijkt naar den achtersten hoek der bedsteê terug, en kromt zich schier tot een bal ineen, met het hoofd op de knieën.
Een klagend geween vervult eensklaps het vertrek. ‘t Is Sander, het jongste der knaapjes. Onbarmhartig door de moeder uit de bedsteê getild, staat hij half wakend half droomend, met de bloote voetjes op den killen vloer.
‘Stil, Sander, als vader het hoort!’ vermaant de moeder, en als zij nu hém en ook haar oudste, die inmiddels zijn bed heeft verlaten, de schamele kleêren heeft toegeduwd, dan tast zij op nieuw naar het weggedoken meisje; trekt haar bij heur hemdrokje naar voren, en beurt het kind, dat woest van zich afslaat, almede uit het bed.
Saartje, op den grond gezet, opent de oogen; zij droomde daar even dat een akelig dier haar bij de keel had; nu ziet ze … haar moeder; en de teedere handjes klemt ze inéén, en de kille knuistjes drukt ze tegen de brandende oogen, en zegt, dat het zoo tikt in haar hoofdje.
Maar de moeder hoort het niet. Toen zij Sander heeft losgelaten om het meisje te wekken, is het jongste, overheerd door den slaap, in de knieën gezakt en ligt met het hoofd tegen de muur, op nieuw in een diepe rust.
‘’t is ook wat erg; twaalf ure naar bed!’ mompelt de moeder. Zich schielijk tot het jongste voorover buigend, schudt zij hem nogmaals wakker, doch, als nu het kind op nieuw en sterker dan straks aan het krijten gaat, dan legt zij hem haastig de hand voor den mond en ziet er met angstigen blik naar de zij van heur bedsteê, want - ruw klinkt de stem van haar man, met een nijdigen vloek: ‘Hè - mondhouwen. Zeg!’”
Cremer beschrijft verder hoe de kinderen naar de fabriek gaan: Saartje, ziek van de koorts, Evert de oudste en de slaapdronken Sander. Sander bijt de hem meetrekkende Evert in de hand. Die laat los en loopt door. Sander valt op straat en slaapt verder.
In de fabriek - het derde tafereel - staat Cremer stil bij de stoommachine en de daarbij horende raderen. Ook de arbeiders beschrijft hij als radertjes in hetzelfde systeem. Hij staat even stil bij de koortsige Saartje. In een flash-back toont hij de lezer een paar momenten waarop de nu op straat slapende Sander wel aanwezig was:
“… Tien jaren oud, gelijkt hij een kind van zeven lentes - wat zeg ik, een kind van zeven barre winters te zijn. Telkens en telkens werpt hij een lodderigen blik op den grofspinner, die aan gene zijde van den molen zijn werk bespiedt; en - angstig rept hij gestadig de handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen tik met den rolstok gehad, hier op den schouder, erg valsch! Erg valsch en gemeen!”
Dan schakelt de auteur over op het vierde tafereel: een kosthuis, eigendom van een melkboer, waar in de deftigste kamers een student-rechten is gehuisvest: Willem, baron van Hogenstad. Willem, die de avond ervoor flink is doorgezakt, wordt wakker en gaat even naar buiten. Daar vindt hij Sander Zwarte. In een bui van meelevendheid neemt hij het jongetje mee naar zijn kamer en legt het in bed. Zijn hospita heeft het niet zo op die sociale daad. “Zij kan zich ter wereld niet begrijpen, hoe menheer zoo’n vuil schandaal van de straat meê naar boven heeft gedragen. Goddank, ze houdt van helder en netjes, weet je, en nou leit daar op de andere kamer zoo‘n smerig sejet in menheers ledikant, en de hemel mag weten wat voor ontuig hij meê in huis heeft gebragt.”
Willem van Hogenstad houdt het kereltje echter bij zich. Hij bestelt broodjes, krentenbollen en chocolademelk en geeft Sander, die aanvankelijk erg bang is, te eten. Dan voltrekt zich het eerste gesprek tussen Willem en de kleine Sander:
“’Ben jij ‘en prins?’ klinkt het zachtjes van Sanders lippen, en het jongske, wiens vreeze na het kostlijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weêr neêr.
‘Ik? Wel nee!’ lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakend, ‘maar - áls ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo’n prins willen blijven?’
‘Ja wel,’ zegt Sander.
‘Waarom?’
‘Om ditte!’ zegt de jongen en likt nog eens langs den rand van den grooten chocolade-kop.
‘ Hadt je dat nooit geproefd?’
Het ventje grinnikt als of hij wil zeggen: Dat kun je begrijpen. ‘’k Docht eerst dat het mosterd was,‘ zegt hij iets later.
‘Mosterd?’
‘Ja, die haalt moeder in een potje, en ’s middags als we van ’t febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo’n beetje mosterd in ‘t water.’
‘Niets anders?’
‘Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten meestal spek, maar da’s gallig voor de kinders zeit moeder.’
‘Beesten!’ roept Willem.
….
‘En hoe heet je vader?’
‘Dat weet ik niet,’ is het antwoord.
‘Maar jij, hoe heet jij?’
‘Sander Zwarte’
‘En wat doet je vader?’
‘Hè, hè,’ grinnikt het kind … daar had nij nooit van gehoord.
‘Waar verdient hij zijn centen meê?’
‘Dat doen wellui.’
‘En hoe oud ben je al, ventje; ben je al zeven?’
‘Ikke,’ zegt het jongste; ‘ikke ben tien.’
Ongelooflijk! zoo’n worm! ‘ Dus moet je zeker in de fabriek werken?’ vraagt Willem op nieuw.
Angstig kruipt het jongske inéén. Die vraag had hem eensklaps aan zijn pligt, aan zijn vreeselijk lange dagtaak herinnerd; aan den spinner die hem zijn loon onthouden , aan den vader die hem ranselen, aan de moeder die hem geen eten zal geven, en bevende zegt hij; ‘Maar ‘k had ook zoo’n slaap, en gister avond toen ik dertien of veertien uur gelascht had, toen dreigde de spinner dat ie me zou kielhalen, als ik weêr stond te hangjassen zeidie:
‘Kielhalen!’ herhaalt de student met zaâmgetrokken wenkbrauwen; ‘kielhalen, wat is dat?’
‘Ja, dat weet ik niet,’ herneemt de jongen, en - angstig rondziende, als vreest hij dat iemand hem beluistert, vervolgt hij: ‘maar ze zeggen dat ie achter z’n bast ‘en emmer met water het staan; en als nou ‘en slecht kind - zoo zeit ie - z’n luije oogen niet open wil houwen, dan douwt ie ‘em even met ‘t hoofd in den emmer: ten minste als ‘t opperste menheer van ‘t febriek d’r niet bij is’ maar ‘t zal niet waar wezen; hè zoo koud!’
Uit de rest van het gesprek blijkt dat Sander niet naar school gaat, niet weet wat boeken zijn, waar het brood vandaan komt of het hout van tafels en stoelen en evenmin de wol waarmee hij werkt in de fabriek.
Hierna beschrijft Cremer nog twee korte scènes. In de eerste wordt getoond dat Sander het goed heeft bij de baron, die hem behalve onderdak en voeding ook scholing bezorgt. In de tweede scene wordt het arbeidershuisje van Zwarte weer ten tonele gevoerd. Saartje blijkt ernstig ziek en heeft vreselijke dorst. Niemand heeft dat echter in de gaten. Vader en moeder slapen hun roes uit. ‘s Ochtens blijkt Saartje overleden te zijn.
In zijn epiloog richt Cremer zich direct tot Koning en ministersploeg in zijn verzoek een wettelijke regeling te treffen waarin kinderarbeid wordt verboden.
Cremer droeg zijn geschrift voor het eerst voor op in maart 1863 in Den Haag. Tot zijn gehoor behoorden verscheidene kamerleden, maar geen ministers, zoals hij had gehoopt. Cremer stuurde Thorbecke toen maar een exemplaar van het boekje. Deze antwoordde toen nog wel: “Zonder twijfel verdient de vraag, of arbeid van kinderen in fabrieken in het publiek belang, eene wettelijke regeling vordert, overwogen te worden”.
Wederom volgen petities en adviezen om kinderarbeid te verbieden - waaronder één van een aantal Leidse fabrikanten - maar de regering deed niets. Wel werd er nog een staatscommissie in het leven geroepen onder leiding van de eerder genoemde De Vries Robbé, maar deze commissie bracht pas na jaren, om precies te zijn in 1869, het eerste deel van haar rapport uit. De commissie adviseerde bovendien om voorlopig maar niets te doen. De arbeidersgezinnen konden immers het inkomen van de kinderen niet missen en daarnaast had het allemaal zonder een onderwijsplicht weinig zin, aldus de commissie. Zo’n onderwijsplicht werd, gezien alle controverses over het onderwijs, helemaal onhaalbaar geacht. De Vries Robbé nam als voorzitter een minderheidsstandpunt in en bracht een eigen conclusie naar buiten, maar de regering nam het meerderheidsrapport over.
Cremer, die zich eerder al ongeduldig had getoond over de trage voortgang van het werk van de commissie, klom opnieuw in de pen: hij riep begin 1870 via de pers op tot het zenden van adressen aan de minister, schreef een open brief aan diezelfde bewindspersoon en bepleitte de zaak bij individuele kabinetsleden. Er gebeurde evenwel niets, totdat in 1874 door het liberale kamerlid mr. S. van Houten een initiatiefwet werd ingediend, die na lange beraadslagingen werd aangenomen. Deze wet - die tijdens de discussie nog behoorlijk was uitgekleed - werd later bekend als het kinderwetje van Van Houten, het eerste voorbeeld van sociale wetgeving in ons land.
In ons land komt kinderarbeid niet meer voor, in vele derde-wereldlanden echter nog volop. Dat maakt het werkstukje van Cremer nog steeds actueel. Solidariteit is niet alleen iets van vroeger, het vraagt om een hedendaagse vertaling!"