abonnementen ibood.com bol.com Coolblue
pi_39024398
registreer om deze reclame te verbergen

Het onderwerp voor de wedstrijd is "Water en Vuur" en de inzendingen worden verdeeld in 4 categorieën. Op elke categorie mag je één keer stemmen. Je hoeft niet mee te hebben gedaan aan de wedstrijd om te mogen stemmen. Je kan stemmen tot en met zondag 25 juni.

Voor de spelregels en wijze van stemmen: De grote TTK wedstrijd
In dit topic graag uw jurering, in dit topic TTK - Wedstrijd SC-topic uw slowchat, commentaar etc.

Opmerkingen, wijzigingen en dergelijke over je eigen inzending kan je doorgeven via een topicreport. Je wijziging wordt zo snel mogelijk ingevoerd. Als je een vraag hebt en je wilt een antwoord, dan graag je e-mailadres erbij zetten.
"Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
pi_39024435
* Categorie dichtkunst

Er zijn 5 inzendingen

  • Brandend water
  • Waar rook is
  • IJ
  • Zee
  • Echt

    [ Bericht 11% gewijzigd door Isabeau op 20-06-2006 02:09:58 ]
  • "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024446
    Brandend water

    De branding over mijn voeten
    Staar ik naar de horizon
    De avondlucht begroeten
    Het water als kameleon

    Oranje, gele en paarse kleuren
    Vermengend tot een geheel
    Golven die opfleuren
    Onder het dagelijks ritueel

    De zon verdwijnt langzaam
    Zakkend in de kalme zee
    De vriendelijke golven tesaam
    Voeren zijn vlammen mee

    Nog even en het licht dooft
    En wat blijft is het geklater
    Ik staar nog even als verdoofd
    Kijkend over brandend water.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024473
    registreer om deze reclame te verbergen
    Waar rook is

    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024494
    IJ

    achter het station lig jij
    altijd klotsend
    mijn mooie IJ

    je lijkt gedreven door vuur
    zo onrustig
    elke dag, ieder uur

    trots van een stad
    majestueus
    ik heb je altijd liefgehad

    we zijn er allebei
    ik en jij
    mijn lieve IJ

    ik moet je verlaten,
    onverwacht,
    maar in de nacht
    sijpelt jouw water mijn dromen binnen
    mijn eeuwige IJ
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024509
    Zee

    De wereld beschrijven in gedichten,
    Dat doe je door uit een zee van woorden
    Vijfenzestig exemplaren te lichten
    Om daar vervolgens álles mee te beschrijven:

    De aarde waarop je staat
    Het water waar je in verdrinkt
    De lucht die je longen in gaat
    Het vuur dat in haar ogen blinkt

    En in die paar woorden vang je mee
    Al die andere woorden uit de zee
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024564
    registreer om deze reclame te verbergen
    Echt

    Oprispingen ten opzichte van de omgeving
    De drainage ten opzichte van de beleving

    In hemelsnaam wat moet dat daar zo hoog in de hoogte
    Vertel me wat jouw functie is, behalve jouw geloogte
    De eerste die je zal vertellen dat je er niet ben, ben ik niet meer
    Toch zou ik je willen vragen voor de allerlaatste keer

    Versier me niet meer met jouw grappen der natuur
    Verhoor jezelf door de kracht van puur
    Verlies me niet door te zeggen dat je er bent
    In het hoofd der mensen dat is waar men je kent

    Laat je zelf niet zien men kan het niet aan
    Wek jezelf niet op door te reiken naar argwaan
    Verspil je zelf de moeite
    Der verschillen in loeite

    En vergeet alles om je heen
    Zeg tegen men: Neen
    Doch de liefde is wederzijds prefereert men anders
    Dat de planeten vertellen hun standen

    Laten wij ons niet leiden door de eventuele mogelijkheden
    Als er ook dingen bestaan als water, vuur en vrede
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024573
    Gereserveerde ruimte voor eventueel niet doorgekomen inzending. Doorgeven via een topicnote oid, niet melden in het slowchat topic.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024579
    * Categorie verhalen

    Er zijn 5 inzendingen.

  • Vuurtocht
  • Elementen
  • Monsters
  • Brandende herinneringen
  • Vuur en Vlam

    [ Bericht 6% gewijzigd door Isabeau op 20-06-2006 02:32:45 ]
  • "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024593
    Vuurtocht

    Een grote muur doemt voor Dirk op. Dit was duidelijk niet gepland, maar iemand heeft hem er stiekem toch neer geplant. Dat zal het werk van Georgius Gniffel wel weer zijn, denkt hij. Nu moet hij minstens een kilometer om lopen. "Verdorie, Gniffel", schreeuwt hij tegen de muur. Georgius gniffelt wat. Als Dirk dat hoort, slaat hij keihard tegen de muur. "Au!" Nu is het zijn beurt om te schaterlachen.

    Dirk bedenkt zich dat hij nog een zwembroek in zijn tas heeft, en gaat door het water heen langs de muur in plaats van over het land. Gniffel is stom geweest en heeft zichzelf maar voor de helft in het water gezet. Dirk kleedt zich rustig om en gaat een lekker stukje zwemmen. Helaas heeft Wouter Wind er lucht van gekregen. Als Dirk net zijn favoriete liedje begint te fluiten, vergaat het zingen hem ineens. Wind zet een harde storm in die over het water raast. Dirk moet zijn best doen om niet onder water te raken. Zijn best blijkt niet goed genoeg, hij gaat kopje onder en ziet dan ineens een raar soort onderwatertunnel.

    Geïntrigeerd zwemt hij richting de tunnel. Hij zet zijn extra gevulde long aan om het vol te houden tot het volgende luchtdistributiecentrum. Sinds er mensen onder water wonen, zijn die als paddestoelen uit de grond geschoten. Misschien haalt hij het wel tot de Coral, daar spaart hij immers Gas Miles. Maar dat is van later zorg. Hij is al bijna bij de tunnel, die eruitziet alsof hij door Zweedmannen is gebouwd. Voorzichtig zwemt hij naar binnen.

    "Hallo, is hier iemand?" Hij krijgt geen reactie. "Joehoee?" Nog steeds niks. Dirk ziet zijn kans schoon en zwemt verder tot hij in het aangrenzende huis terecht komt. Hier zal vast een oudje wonen, die doen nooit hun deuren op slot. Als hij binnen is ziet hij wel waarom: haar enige voedsel is koekjes en ze drinkt alleen maar koffie. Hij heeft een gruwelijke hekel aan beide, dus hier is voor hem niets te doen. Hij ontsnapt gauw uit het raam als hij achter zich gerommel hoort en zwemt richting de Coral.

    "Wat kan ik voor u doen, meneer?" De pompbediende glimlacht vriendelijk naar Dirk. "Doet u mij maar een extra long. En een Cars graag." De bediende pakt de chocoladereep voor hem en loopt naar achteren om de long te halen. Dirk eet de eerste alvast op om iets meer energie te hebben voor als hij weer naar boven gaat. Als hij ook z'n long heeft, slikt hij die in en zwaait de Coral-medewerker vaarwel.

    Hij zwemt nog wat verder, maar hij moet uiteindelijk toch Het Vuur zien te vinden. Eén ding weet hij wel zeker: dat zal hij niet in het water vinden. Als hij dus een boei ziet, klimt hij hier bovenop. Al gauw komt er een boot aan gevaren. Aan de naam ervan te zien is de eigenaar geen vijand. Als het schip dichterbij komt, ziet hij dat het zijn oude vriend Koos Klipper is. "Hee, Koos! Ik ben het, Dirk!" schreeuwt hij. Koos kijkt verbaasd op en vaart op Dirk af. "Hoi Dirk, wat doe jij hier?" Hij is duidelijk nog steeds verbaasd. Dirk en hij woonden vroeger hoog in de bergen, ver van de oceaan. Koos verhuisde toen hij negentien was en ze hebben elkaar nooit meer gezien. "Ik heb even geen tijd om het uit te leggen, maar ik moet naar Het Vuur", zegt Dirk.

    Koos wordt alleen maar verbaasder. "En weet je dan wel waar dat is?" "Nee, ik heb echt geen idee, dat is dus zo lastig. De enige aanwijzing die ik heb, is dat ik richting Jelanië moet." Koos weet genoeg en wenkt Dirk op zijn schip. "Ik breng je zo ver als Hertilonen, dan zul je nog een stuk door de woestijn moeten lopen. De zon zal er branden – je merkt vanzelf dat het steeds warmer wordt. Dat betekent dat je dichter bij Het Vuur komt."

    Als ze na drie dagen varen aan de kust van Hertilonen aanmeren, bedankt Dirk zijn vriend Koos duizend maal. Dat duurt wel even, maar ze zijn in de dagen dat ze samen hebben gevaren weer goed bevriend met elkaar geworden en Dirk wil zijn dankbaarheid tonen. Koos moet helaas nog verder met zijn lading Golden Retrievers, die hij van Amerika naar China vervoert. "Dag Dirk, veel geluk!" zwaait hij.

    Dirk vertrekt vol goede moed op zijn tocht, hij heeft wat water uit de oceaan meegenomen in een super comprimerende veldfles. Gelukkig is het nu nog niet zo warm, maar hij weet wat hem te wachten staat. Na een paar dagen al wordt het zand steeds heter en raakt hij zijn zweet sneller en sneller kwijt. De veldfles begint dan ook al leger te raken.

    Als hij een bron ziet met godinnen en klaterend water, juicht hij in eerste instantie van geluk. Dan bedenkt hij zich dat hij hierover gehoord heeft: in de woestijn krijg je visioenen van ideale dingen, die er niet echt zijn. Hij is de naam van het verschijnsel kwijt, totdat een van de godinnen naar hem toe komt. "Hallo Dirk, we hebben op je gewacht. Ik ben Arfisia. Wees maar niet bang: Fata Morgana is iets van vroeger. Kom gezellig wat drinken", spreekt ze met de meest lieve stem die hij ooit heeft gehoord.

    Dirk laat zich wassen en hij drinkt zo veel hij kan, waarna hij ook erg nodig moet plassen. Hij vindt het vreselijk onhandig dat tegen die natuurlijke drang nog niets is uitgevonden. Helemaal opgeknapt vervolgt hij zijn reis. Hij heeft van de godinnen een kaart meegekregen die hij mag gebruiken als hij op vijf kilometer afstand van Het Vuur is. Op zijn thermometer kan hij het zien als het zo ver is, die geeft op dat moment 83 graden Celsius aan. Hij zet vast een wekker op die waarde, zodat hij het niet zal missen.

    Na nog twee slopende dagen van onafgebroken lopen (en 's nachts natuurlijk slapen, niet omdat het moet maar gewoon omdat hij het lekker vindt) voelt hij iets in zijn zak trillen. De thermometer! Snel pakt hij de kaart uit zijn tas en volgt hij het spoor wat Unea heeft uitgetekend met haar fijne penseel. Twee uur later komt hij bijna bij het eindpunt en richt hij zijn blik op. Een grote groep mensen staat om iets heen wat duidelijk heel belangrijk is, en Dirk weet dat het niets anders kan zijn dan Het Vuur.

    Hij rent er naartoe en wurmt zich tussen de mensen door. Als hij vooraan staat en Het Vuur ziet, weet hij dat dit zijn hele leven zal veranderen. "Het vlammenwerpen is die kant op, vriend", wijst een man hem naar de grote rij gegadigden die wacht op een vlam. Hij sluit zich aan en na een voor zijn gevoel oneindige tijd wachten, is hij aan de beurt. Als in een roes ziet hij een vlam op zich af komen. Op het moment dat hij geraakt wordt, voelt hij zich vervuld van een vurig "iets". Pas wanneer hij zijn ogen weer opent en haar voor zich ziet staan, weet hij wat hem heeft vervuld. Samen met zijn liefde loopt hij verder tussen de hekjes door en stapt hij op het vliegtuig. Een nieuw leven tegemoet.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024618
    Elementen

    Met een zucht deponeert hij de laatste schep aarde op de open plek. Hij slaat het met de spade nog even aan en kijkt voldaan naar zijn project. Nog twee te gaan, denkt hij zelfvoldaan. De warme zomerzon schijnt fel tussen de ontelbare blaadjes door. Met grote stappen loopt hij over het bospad. Terwijl hij op z’n horloge kijkt hoe laat het is, komt hij bij de bosrand aan. Vier uur, nog genoeg tijd om mezelf even op te frissen en dan kan ik er weer een avond tegenaan. Hij stapt in de auto en start de motor. Met de beginnende schemer vertrekt hij uit het bos. Klaar voor vandaag, nu nog de avond in.

    Eenmaal thuis aangekomen gaat hij meteen richting de badkamer. Terwijl hij de kraan open draait en het water warm laat lopen kleedt hij zich uit. In de badkamerspiegel bekijkt hij zichzelf. Hij onderzoekt zijn hele lichaam, maar er zijn geen schrammen meer te zien. Tevreden lacht hij naar zijn spiegelbeeld, terwijl de spiegel beslaat door de damp van het hete douchewater.
    Tijdens het douchen ziet hij het vuil van zich afstromen. Zand, modder en bloed. Met het vuil dat door het putje wegstroomt groeit zijn ego. Nadat hij met zeep zijn lichaam helemaal schoongeboend heeft droogt hij zich af.
    Dan loopt hij naar de kledingkast. Casual of chique? Hij trekt een lichtblauwe polo en een zwart overhemd uit de kast. Na enig beraad besluit hij om de polo terug te leggen en trekt de zwarte bloes aan. De bovenste drie knoopjes open, en de mouwen een paar keer omgeslagen. Daarna pakt hij een zwarte linnen broek uit de kast, trekt deze aan en bewondert zijn stijlvolle outfit. Succes gegarandeerd.
    Bij de wastafel fatsoeneert hij zijn haar, een beetje wax er in, wat speelse plukken omhoog, maar niet te veel. Als z’n haar goed zit doet hij het wastafelkastje open. De keuze bestaat uit Aqua di Gio, Hugo Boss en Davidoff. Hij kiest voor Hugo Boss en sprayt wat in zijn nek.
    Het horloge geeft half 7 aan. Tijd om nog even een snelle hap te eten. In de koelkast vind hij drie eieren, wat spekreepjes en wat groenten. Omelet, heerlijk.

    De bus naar de stad vertrekt om kwart voor zeven, vijf minuten van tevoren staat hij bij de halte. In de spiegeling van de glazen wanden controleert hij nog voor één keer of hij er nog goed uit ziet. De zon staat laag aan de horizon, en verspreid een oranje gloed.
    De bus is een paar minuten te laat, en helemaal leeg op de chauffeur na. ‘Naar het station, alstublieft,’ zegt hij tegen de buschauffeur. Er worden 4 strippen afgestempeld. Hij neemt plaats achter in de bus.

    In de stad is het druk. Veel mensen die een gezellig avondje uitgaan. Veel mensen, veel keus. De hippe disco is niet ver lopen vanaf het station. Er staat een rij bij de voordoor, maar dat doet hem niks. Hij loopt langs de rij af, naar de uitsmijter, fluistert iets in zijn oor en schuift een briefje van twintig euro in zijn roekzak. Hij wordt toegelaten en de dingen die de mensen in de rij naar hem roepen maken hem trots. Binnen is het druk.
    De muziek schalt uit de boxen en overstemt het geluid van iedereen binnen. Aan de barman maakt hij duidelijk dat hij een whisky met ijs wil. Terwijl de barman het drankje inschenkt kijkt hij nog eens goed rond. Veel mooie vrouwen. Hij pakt het drankje en loopt eens rond om vervolgens het dansgedeelte op te gaan. Het begint met rustig meebewegen op de muziek, daarna worden de bewegingen steeds dynamischer. Hij beweegt zich door de dansende massa, dat hij alleen is valt niet op.
    Dan opeens ziet hij iemand. Een jonge vrouw met donker krullend haar. Ze danst sensueel rond een paar mannen. Bingo. Hij stapt op haar af en begint om haar heen te dansen. Al snel heeft ze geen oog meer voor de andere mannen. Steeds dichter danst hij tegen haar aan, haar borsten aaien tegen zijn lichaam. Hij voelt dat ze zich aangetrokken voelt tot hem.
    Enige momenten later staan ze al dansend te zoenen. Hun tongen verstrengeld in elkaar. Ze verhuizen van de dansvloer naar een rustiger gedeelte achterin en ploffen neer op de loungebank, terwijl de mensen die er nog zaten zich ongemakkelijk uit de voeten maken.

    Op een gegeven moment trekt ze haar hoofd terug. ‘Hoe heet je?’ vraagt ze.
    ‘Is dat belangrijk dan?’
    ‘Ik wil het graag weten, ’ ze klinkt serieus.
    ‘Tim, ik heet Tim,’ liegt hij.
    ‘Tim, mijn naam is Lucia.’

    En zonder nog verder te praten liggen ze alweer half op elkaar. In één keer goed. Het kan slechter. Hij vraagt of ze mee gaat, naar zijn huis. Ze stemt in. Ze lopen naar het station en hij houdt een taxi aan. Ze stappen in, hij vertelt de chauffeur waar ze heen moeten.
    In de taxi konden ze zich bijna niet inhouden, maar nu ze bij hem thuis zijn gaan alle remmen los. Ze verdwijnen richting de badkamer. Hij zegt dat hij het in het bad wil doen. Zij stemt toe. Terwijl het ruime ligbad volstroomt met heet water
    ontdoen zij elkaar van kleren. Hij pakt uit het badkamerkastje een condoom en doet die om.
    Ze stappen naakt in het water, wat stomend voor hun klaarstaat. Opgewonden als ze zijn hebben ze meteen de smaak te pakken. Hij ligt bovenop haar en terwijl hij haar binnendringt duwt hij haar onder water. Hij drukt zijn mond op haar lippen onder water. Terwijl hij door blijft stoten komt haar hoofd niet meer aan het oppervlak.
    Ze begint zich nu te verzetten, zich realiserend dat het geen spannend spelletje meer is. Onverstoord blijft hij op haar liggen, haar slaan en schreeuwen doen hem niks. Op het moment dat hij zijn hoogtepunt bereikt beweegt zij al niet meer.
    Hij blijft nog even liggen, strijkt met zijn handen door haar haren en kust haar nog een keer. Wanneer hij is opgestaan en zich heeft ontdaan van het gebruikte condoom, door de wc gespoeld, droogt hij zich af en kijk nog eens tevreden naar zijn project in de badkuip.
    Alweer een succes.

    Hij verlaat de badkamer, en sluit de deur. De klok op zijn slaapkamer laat zien dat het alweer ochtend is en hij besluit om een paar uur te gaan slapen.
    Terwijl hij slaapt begint hij te dromen. Hij droomt over zijn laatste drie slachtoffers. De eerst is al het verste weggezakt, maar hij haalt het zo weer naar boven. Lang, blond, groene ogen. De blik in haar ogen toen haar de lucht werd ontnomen met een kabel om haar nek was zo prachtig geweest. En hoe ze zo sierlijk over het balkonhekje vloog. De lucht, haar laatste rustplaats.
    Terwijl het beeld van de blonde vervaagt, komt het tweede slachtoffer steeds duidelijker naar voren. Het kleine meisje, met de grote mooie mond. De liefde bedrijven in het bos, haar hard omrollen tot ze in de diepe kuil valt, bewusteloos. De scheppen aarde over haar heen zien er betoverend uit. Prachtige sereniteit in moeder aarde. Terwijl ook dat beeld vervaagd komt het meest recente slachtoffer naar voren. Lucia. De enige waarvan hij de naam weet. In het water de mond
    gesnoerd tijdens de daad van liefde. Als een zeemeermin die naar de diepten van de zee gaat.

    Plotseling schrikt hij wakker. Alsof hij dagen heeft geslapen staat hij klaarwakker naast zijn bed. Hij kijkt op zijn horloge. 10:00 uur, mooi op tijd. Hij trekt zijn kleren aan en vertrekt met de auto, nadat hij er eerst een stoel, wat touw en een jerrycan met benzine in heeft geladen. Hij begint te rijden. Waarheen precies weet hij zelf ook niet, maar iets zegt hem dat hij gewoon moet gaan rijden.

    Alsof het voorbestemd was ziet hij na een klein half uur rijden een jonge vrouw naast de weg lopen met een enorme backpack. Als ze hoort dat er iemand aan komt rijden draait ze haar hoofd om en steekt haar duim de lucht in. Ja, ik neem je wel mee. Hij stopt naast haar en ze doet het portier open.

    ‘Waar moet je heen?’
    ‘Do you speak English, maybe?’
    ‘Of course, where are you heading, dear?’
    ‘Anywhere will do’
    ‘Well, I’m driving anyway, so I guess I could take you?’
    ‘That would be lovely! Thanks!’

    En zonder nog meer woorden vuil te maken gooit ze de achterbak open om haar tas erin te gooien. Met ingehouden adem blijft hij achter het stuur zitten. Mijn spullen, zou ze iets doorhebben? Maar nog voor hij er zich verder druk over kan maken stapt ze naast hem in op de passagiersstoel. Ze beginnen weer te rijden. Langs landbouwvelden en natuurgebieden. Tot er op een gegeven moment een afslag is naar een industrieterrein. Een verlaten industrieterrein, dat heb je vaker op zondag.

    ‘Excuse me, but are you sure this is the right way?’
    ‘You said you’d go anywhere, darling.’
    ‘But…’

    Nog voor de verder kan praten zwaait hij zijn vuist al naar het gezicht van de jonge vrouw. Ze is meteen buiten westen. Had je je bek maar moeten houden, popje.
    Het verlaten industrieterrein heeft voldoende ruimte. Hij stapt uit en loopt naar de achterbak. Daar haalt hij de stoel, het touw en de benzine uit en zet die een einde van zijn auto af. Vervolgens loopt hij weer terug naar de auto. Met grote zorg tilt hij er de vrouw uit en draagt haar naar de stoel. Uit haar neus loopt wat bloed.
    Als hij haar eenmaal op de stoel heeft geplaatst begin hij met vastbinden. Zorgvuldig. De enkels elk aan een stoelpoot. De handen op haar rug achter de rugleuning vast. Een touw om haar net, niet te strak, en dat aan de rugleuning.
    Van een afstandje kijkt hij nog even toe. Ziet er goed uit. Tijd voor de Grande Finale. Hij pakt de jerrycan en begint haar te overgieten met benzine. Door de koude vloeistof en de penetrante geur komt ze weer een beetje bij kennis, maar voordat ze doorheeft wat er gebeurt is hij al klaar en heeft een spoor van benzine enkele meters van haar af gemaakt.
    Lachend kijkt hij haar aan, terwijl hij een lucifer aansteekt en die in het spoor gooit. De vlam reist snel over het benzinespoor. De vrouw begint nu door te krijgen wat er aan de hand is en begint te gillen en te schreeuwen. Vol genoegen blijft hij haar aanstaren. De vlammen likken nu over haar hele lichaam. Ze schreeuwt het uit van angst en mij. Hij kijkt toe. Als na een tijdje haar schreeuwen stopt stapt hij in zijn auto en rijdt weg.

    Helemaal in extase denkt hij terug aan zijn project terwijl hij terugrijdt
    naar zijn huis. Vier moorden. Vier elementen. Lucht, Aarde, Water en Vuur.

    [ Bericht 2% gewijzigd door Isabeau op 20-06-2006 02:27:52 ]
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024730
    Monsters

    Ik wil de lichtbakken die aan het plafond in deze coupé hangen niet zien. Aan de binnenkant tegen de bodem kleven zwartgrijze wolken van dode insectjes en stoffigheden. Thuis heb ik dit ook wel eens gehad, in minimale vorm dan, in een Ikea-plafonnière van twee euro. Er hangt nu een nieuwe lamp in mijn kamer, een hanglamp van craquelé glas. Iedere dag maak ik hem zorgvuldig schoon met veel te veel zeep en water, en vervolgens droog ik 'm met een microvezeldoekje. Ik heb er een zeer zwakke gloeilamp in gedraaid, ik heb een hekel aan fel licht.

    Dit warme weer verveelt me. Een spijkerbroek schuurt mijn bovenbenen stuk, dat is geen optie. Ik haat korte broeken. Ik weet nu al, als ik dadelijk op ga staan, dan zullen mijn benen een fractie van een seconde aan het leer van de bankjes blijven plakken, en altijd ben ik dan even bang dat het mis gaat, dat mijn huid niet aan mijn vlees blijft zitten, dat het besluit om afscheid van me te nemen, om aan de zitting te blijven kleven.

    Hadden treinen maar gordijntjes. Of had ik in ieder geval maar een zonnebril. Ik had ooit eens een zonnebril, toen ik klein was. Eentje met donkerblauwe, hartvormige glazen. Gekregen van een oom voor wie ik me sowieso schaamde. Nu schaam ik me wanneer ik opkijk. In een volle trein kun je de blikken van je medepassagiers niet ontwijken. Vooral in de avond weet je niet waar je kijken moet. Dan kun je niet zinloos uit het raam turen zoals ik dat nu doe. Het duister zorgt voor een weerspiegeling van ogen, tientallen ogen. Daar valt niet aan te ontsnappen.

    Het klopt niet dat mensen gezellige praatjes maken in de trein, gelukkig niet, dan had ik me hier al helemaal ongemakkelijk gevoeld. Om mij heen wordt altijd gezwegen. Zij die lezen in de trein, zijn altijd bezig met de eerste bladzijdes van een pompeus boek. Nooit zie je het gebeuren dat iemand ademloos door het laatste hoofdstuk raast, om het boek vervolgens dicht te slaan. Dan heb je ook nog van die figuren met een onbetreedbaar aura van mandarijntjes of friet speciaal om zich heen. Maar de meesten verstoppen zich onder Sennheisers. Buiten de muziek uit de koptelefoontjes om, is altijd stil op dit traject, zelfs nu de trein volgepakt zit met zwetende mensen.

    Ik wil niet tussen al die mensen zitten. Het is me te benauwd hier. Dus trek ik me los van het bankje - ik houd mijn adem even in, godzijdank gaat het goed - en verplaats me naar een ruimte bij een van de deuren van de trein. Daar waar drie klapstoeltjes hangen, en waar forenzen in de spits hun mismaakte vouwfietsjes parkeren.

    Eén van de drie klapstoeltjes is bezet. Ik ken iedereen op dit traject van gezicht, maar de dame die op het stoeltje zit, heb ik nooit eerder gezien. Ze heeft een haarkleur die nog het meest aan vuur doet denken, eerder oranje dan rood. Het krult. Het schrikt me af. Ze is mooi.Als deze vrouw wel eens eerder in deze trein had gezeten, dan was ze me vast en zeker opgevallen.

    Ze bladert door een beduimeld dichtbundeltje. Sommige bladzijdes zijn ontsierd door een ezelsoor. Vooral op die bladzijdes stopt ze soms met bladeren, blijft ze wat langer bij een gedicht hangen, kijkt op en prevelt het geluidloos voor zich uit, alsof ik er niet ben. Slauerhoff. Mij zul je het nooit zien lezen.

    Ik houd niet van de zee. Al dat water doet me aan vuur denken zoals zwart direct aan wit doet denken. Zoals je brandblaren kunt vormen door extreme koude, maar ook door intense hitte. Bovendien: die vuurbol die avond aan avond langzaam de zee in zakt, geeft me geen warm gevoel. Ik krijg er kippenvel van, voor zover dat mogelijk is.

    De vrouw stopt met lezen. Ze staat op, hangt de rugtas aan slechts één band op aan haar rechterschouder en loopt naar het langgerekte raam naast de toegangsdeur van de trein. Ze schuift het raam open, en een golf van treingeluiden glijdt naar binnen.

    Ooit was ik in Friesland, op tienertoer, zoals dat toen nog heette. Ik ging in mijn eentje op tienertoer, en alles wat ik deed was treinen. Voor mij geen pretparken vol met huilende kinderen. Geen steden met winkels die blote kleding verkopen. En het strand… ach. Alles wat ik deed was treinen, vier dagen lang, van het begin tot het einde van de dienstregeling. Ik heb zowat alle trajecten bereden. Ondertussen las ik Nescio, dat vond ik passend. Achteraf was het hooguit interessantdoenerij. Niet dat ook maar één medereiziger het boekje op is gevallen.

    Dieseltreintjes, die maken pas herrie. Zelfs een uitzicht van frisse weilanden met daarin kuddes zwartbonte koeien kan daar niets aan compenseren. Dit hier valt mee. Het wordt in ieder geval wat minder benauwd in dit deel van de trein, een zachte bries trekt langs mijn gezicht, streelt langs mijn benen. Voor het eerst deze dag, misschien zelfs dit jaar, vind ik het heerlijk dat het zomer is.

    Ik kijk naar de roodharige vrouw bij het raam, wil mijn ogen neerslaan op het moment dat ze zich naar me omdraait. Maar ze is me te snel af. Ze schraapt haar keel, zucht. Er is niemand anders hier in het hokje, niemand die ze verder aan zou kunnen spreken., behalve ik dan, en ondanks mijn keiharde pantser kan ik me niet verschuilen, me niet verdedigen.

    "Hoe is dit bij jou gebeurt? Hoe oud was je?" Ze staart me aan zonder scrupules. Anderen staren volgens mij ook altijd naar me, maar ze wenden hun blik af op het moment dat ik ze aan dreig te gaan kijken. Dit klopt niet. Juist uit perplexiteit trek ik mijn mond open.

    "We hadden een grote tuin. Niet eentje met gras of tegels erin, maar een echte ouderwetse moestuin met veel groenten, fruit en zand. Vooral zand. Het was zomer, het had net flink geregend en het was meteen daarna warm genoeg om weer naar buiten te gaan. Alleen, de tuin was veranderd in één grote modderpoel. En natuurlijk viel ik. Ik zat helemaal onder, en ik wist dat mijn moeder daar een hekel aan had"

    Ik kijk even op. De vrouw kijkt nog steeds aandachtig naar me. Waarom schrikt ze niet van me?

    "… Ik ben naar binnen gelopen. Waarschijnlijk had ik het vermoeden dat mam heel kwaad op me zou worden. Ik had nieuwe kleren aan, dat is me later nog verteld. Een zachtroze jurkje. In ieder geval, ik wilde het zelf oplossen. Dus deed ik wat mijn moeder iedere dag voor me deed: ik liet het bad vollopen. Vervolgens kleedde ik me uit en ben ik het bad ingeklommen – ik heb er zelfs nog een stoel voor nodig gehad, het bad was eigenlijk te hoog voor me. Ik was pas drie.

    Het water was gloeiendheet. En toen zat ik daar dus, en ik kon er niet meer uit. Te klein om me over de rand heen te trekken. Te verbijsterd door de pijn misschien. Toen heb ik het op een schreeuwen gezet. Mam kwam aanrennen, maar het was al gebeurd…"

    De roodharige kijkt me aan, en begint te praten.

    "Ik heb een tweelingzus. We zijn eeneiig - op kinderfoto's kan ik zelfs niet aanwijzen wie nu precies wie is. Identiek dus. Totdat ik tijdens een verjaardag een kleed per ongeluk van de tafel trok, ook door een val trouwens. Er stond een kandelaar met drie kaarsen op tafel, én een pot thee die net van de kook af was. Hoe standaard…"

    Ze draait zich weer om, gaat met haar gezicht bij het open raam staan. Ze zou kunnen huilen nu.

    "Zij wordt vaak als monster gezien. We zijn 27, en als je dan kijkt wat voor wat voor verschillen dat ongeluk heeft gezorgd… Ik was altijd populair, zij werd enorm gepest. Ik had op mijn dertiende al vriendjes. Er is niemand die verwacht dat zij ooit aan de man zal komen. Ze is al blij dat ze een baantje heeft gevonden, ze werkt als telefoniste. Ik doe modellenwerk…

    In één ding lijken we nog maar op elkaar. We voelen ons allebei een monster."

    De vrouw gaat verder voorover hangen, steekt haar hoofd uit het raam. Ik ken de dienstregeling uit mijn hoofd, weet dat er binnen enkele minuten een trein zal passeren op het naastgelegen spoor, het spoor waar de vrouw haar hoofd nu boven heeft hangen.

    Ik zeg niks. Soms is het beter om uiterlijk en innerlijk op elkaar te laten lijken.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024747
    Brandende herinneringen

    Lijdzaam kijkt David, verlamd door de shock, toe hoe de twee mannen het lichaam uit het water tillen. Ze trotseren de branding van het opkomende tij, om het lichaam een paar meter buiten de vloedlijn op het zand te leggen. Met vereende krachten proberen ze door hartmassage en mond op mond beademing nieuw leven te blazen in het levenloze lichaam. David haalt diep adem, al lijkt het alsof hij geen lucht binnen krijgt. Voorzichtig loopt hij naar het tafereel dat zich enkele meters bij hem vandaan afspeelt. De mannen merken hem niet op. Ze hebben ook niet in de gaten dat David knielt bij het lichaam, dat ooit het zijne was. Hij kijkt naar de zee en ziet de vlammen aan de horizon. Hij wendt zijn blik weer op het lichaam op het strand. De branding die is opgerukt tot aan zijn voeten, voelt hij niet.

    In een beweging springt David op. Hij kijkt naar de grond en ziet hoe de branding tussen zijn voeten stroomt. Voorzichtig knijpt hij in zijn wang. Als hij de lichte tinteling in zijn huid voelt, haalt hij opgelucht adem. Het was weer dezelfde nachtmerrie als altijd.

    ‘Zo, ben je er weer?’ David kijkt op en ziet Thomas, die met twee glazen in zijn handen aan komt lopen. ‘Je was behoorlijk weggezakt, lag je soms te dromen van die Thaise schoonheden?’ Thomas toont een brede grijns op zijn gezicht. David schudt zijn hoofd. ‘Was dat het maar.’ Hij pakt het glas bier dat Thomas hem aanreikt aan. Eigenlijk heeft hij niet zo’n hoge pet op van Thomas, maar hij doet zijn best om de schijn van het tegendeel op te houden. Zijn baas vond het wel een goed idee om Thomas, een nieuwe collega, mee te sturen op zakenreis. David twijfelt echter aan de capaciteiten van Thomas. Naar zijn mening is hij te losbandig en niet serieus genoeg voor zijn vak. Maar op dit moment is Thomas de enige houvast die hij heeft.

    ‘Zullen we bij het strandvuur gaan zitten?’ Thomas kijkt David vragend aan. David aarzelt een moment. ‘Liever niet.’ ‘Ach, kom op. Het is toch gezellig. Moet je die vrouwen zien, man!’ David draait zich om en gaat op het rulle zand zitten. Zijn blik is gefixeerd op de horizon. Vanuit zijn ooghoeken ziet hij hoe Thomas naast hem komt zitten. ‘Heb ik iets verkeerds gezegd?’ David schudt zijn hoofd. ‘Nee, het ligt niet aan jou. Ik heb gewoon niet zo op vuur.’ Met zijn arm veegt hij een traan uit zijn ooghoek. Een herinnering flitst door zijn hoofd, en projecteert een lichtvlek aan de horizon. Achter hem is het vrolijke gegil van een aantal vrouwen bij het strandvuur hoorbaar. Zijn herinnering vervormt het echter tot de ijzingwekkende kreten die al te vaak worden herhaald in zijn gedachten.

    ‘Mijn bier is op, wil je ook nog?’ David knikt als antwoord op de vraag van Thomas, die opstaat en wegloopt. David haalt opgelucht adem, blij met het moment rust dat hij krijgt. Hoewel hij de woorden niet heeft verstaan, hoorde hij onafgebroken de stem van Thomas, een geluid dat hij eigenlijk kan missen als kiespijn. Hij sluit zijn ogen en hoort hoe de golven rustig voortkabbelen. In gedachten ziet hij ze vloeiend uitrollen over het strand. Zijn gedachten worden verstoord als iets zijn hoofd raakt. Hij opent zijn ogen en ziet een oude, versleten voetbal een paar meter verderop liggen. Een jonge Thai staat erbij en brabbelt iets onverstaanbaars naar David, die uit beleefdheid knikt. De jongen pakt zijn bal en rent weg, onderwijl naar zijn vrienden die een eindje verderop staan roepend.

    Sneller dan David wilde, is Thomas terug. Hij pakt zijn bier aan, en drinkt het glas meteen voor de helft leeg. ‘David, jongen. Is je glas nou half vol, of half leeg?’ David schudt zijn hoofd. ‘Sorry, ik heb geen zin om daarover na te denken.’ ‘Ah, kom op. Het is een dilemma dat vele mensen al heel lang bezig houdt. Wat vind jij?’ David haalt zijn schouders op en drinkt de rest van het glas leeg. ‘Het glas is leeg, Thomas. Het glas is leeg.’ Hij staat op en loopt de branding in. Weemoedig kijkt hij naar de horizon, waar de zon langzaam verdrinkt in het water van de zee. Hij haalt diep adem en snuift de zeelucht op. Het is dezelfde geur als die hij rook toen de mannen hem het strand op sleepten, nu anderhalf jaar geleden. Opnieuw heeft hij moeite om zijn tranen te bedwingen als hij daaraan terugdenkt.

    Hij schrikt van de hand die plotseling op zijn schouder wordt gelegd. Hij kijkt opzij en ziet Thomas staan. ‘David, jongen. Iets zegt me dat je ergens mee zit, of moet ik staat zeggen?’ David zucht. ‘Thomas, ik heb even geen zin in je grappen.’ David wil weglopen. ‘Sorry, zo bedoel ik het niet. Maar je bent al zo stil sinds het moment dat we hier zijn.’ David balt zijn vuist. Een plotseling gevoel van verdriet overmant hem en hij probeert zich ertegen te verzetten. ‘Verdomme! VERDOMME!’ David stampt met zijn voeten in het zand en draait wanhopig rond op zijn plek. De wereld draait om hem heen. Met zijn handen grijpt hij naar zijn haren. Hij knijpt zijn polsen dicht en buigt voorover. ‘Ga weg, GA WEG!’ Hij voelt de tranen over zijn wangen stromen, beelden flitsen door zijn hoofd. Dan laat hij zich op zijn knieën zakken en steunt met zijn handen in het zand. Zijn schouders schokken en de tranen vloeien aan een stuk door langs zijn gezicht op het zand.

    Hij haalt een paar keer diep adem en draait zich om. Hij laat zich vallen en ligt op zijn rug op het strand. Hoog boven hem ziet hij de duizenden sterren die de hemel verlichten. ‘Hoi Eva,’ brengt hij met bevende lippen uit, ‘ben je daar nog?’ David staart naar de hemel, in de hoop een teken op te vangen. ‘Tegen wie praat je nou?’ Thomas is naast hem komen zitten. ‘Tegen Eva, mijn lief.’ Voor het eerst deze avond merkt David dat Thomas geen reactie geeft. ‘Ze is ergens daarboven en waakt over mij.’ Thomas knikt. ‘Dat geloof ik graag. Maar wat is er dan gebeurd? Je gedraagt je zo anders dan wat ik op het werk van je zie.’ David haalt diep adem. ‘Ik had ook geen zin in deze verdomde trip. Het maakt teveel los. Maar ja, vertel dat de baas maar eens.’ Thomas kijkt hem indringend aan. David haalt nog eens diep adem. Hij vraagt zich af waarom hij al zoveel heeft gezegd wat hij eigenlijk niet met Thomas wilde delen, maar toch vervolgt hij zijn verhaal.

    ‘Het was anderhalf jaar geleden. Eva en ik waren op vakantie. Een cruise over de Indische Oceaan. We waren drie dagen onderweg, toen er brand uitbrak in de keuken. Het was midden in de nacht, dus we werden veel te laat gewaarschuwd. Ik werd wakker van rumoer op de gang en wekte Eva. Toen we aan dek kwamen stond een groot deel van het schip al in lichterlaaie. Er waren veel te weinig reddingsboten. Ik stond erop dat Eva een van de laatste vrije plaatsen in een sloep nam. Haar leven was belangrijker dan dat van mij. Toen ik zag hoe haar sloep te water werd gelaten, sprong ik aan de andere kant van het schip in het water. De kustlijn leek niet zo ver weg te zijn, dus ik probeerde te zwemmen. En toen….’ David zucht diep en veegt nieuwe tranen weg. ‘En toen was er een knal. De duisternis werd enkele seconden lang fel verlicht. Er viel van alles om me heen in het water. Ik keek om en zag dat het schip zinkende was. Mensen in de sloepen schreeuwden. Er was paniek. Ik begreep niet waarom. Pas later hoorde ik dat er wrakstukken in enkele sloepen terecht waren gekomen. De mensen in die boten, waaronder mijn Eva, hebben het niet overleefd. Instinctief klampte ik me vast aan een stuk hout dat voorbij dreef. Wat er daarna gebeurd is weet ik niet meer, behalve dat ik door twee mannen het strand op werd gesleept. Ik was een van de 43 overlevenden, van de in totaal 350 opvarenden.’

    David staart weer naar de horizon, waar de zon compleet is gedoofd. Thomas zit met open mond naast hem. ‘Als ik dat had geweten man, dan…’ David onderbreekt hem. ‘Nee, jij kon het niet weten. Jij kon onmogelijk beseffen dat ik dagelijks word opgevreten door herinneringen. Dat ik vecht tegen de beelden die me ieder moment van de dag achtervolgen. De dromen, de nachtmerries. Overal zitten de beelden uit het verleden. In het vuur achter ons, in het gegil van andere mensen. Alles brengt die rampzalige nacht terug in mijn gedachten. En weet je wat het ergste is? Ik had in die sloep moeten zitten. Dan had Eva tenminste nog geleefd.’

    Thomas heeft zijn arm om David heen geslagen. ‘Het spijt me voor je, man. Heel erg. Ik kan me niet voorstellen hoe je je voelt, ik heb zoiets niet meegemaakt. Maar ik vind het wel heel erg voor je.’ David knikt. ‘Dank je, Thomas.’ Hij staat op. ‘Wat ga je doen, David?’ David ademt langzaam uit en zwijgt. Hij loopt het water in en duikt. Thomas kijkt hem na. ‘David? Gaat het wel goed, jongen?’ David draait zich om. ‘Maak je maar geen zorgen, Thomas. Alles is goed.’ Dan richt hij zijn blik op de hemel. ‘Eva, mijn liefste, ik zie je snel.’ Hij ziet tussen de duizenden sterren aan de hemel een fonkeling. Dan sluit hij zijn ogen en laat zich in het water vallen.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024756
    Vuur en vlam

    Gefascineerd keek hij hoe de vlammen meedogenloos om zich heen grepen. Hij stond op veilige afstand, maar toch dichtbij genoeg om de hitte zelfs door zijn bivakmuts op zijn gezicht te voelen branden.

    Sirenes klonken vanuit de verte en kort daarna stond niet alleen de brandweer, maar ook een ambulance voor het huis.

    Brandweermannen maakten zich klaar om te gaan blussen en een heldhaftige vrijwilliger ging het huis binnen. Terwijl de vuurvechters de vlammen onder controle probeerden te krijgen kwam de held met het gewonde meisje naar buiten.

    Vlak nadat de ziekenwagen met loeiende sirenes richting het ziekenhuis was vertrokken verscheen er een politieauto in de straat. Dit was voor hem het teken om naar huis terug te gaan.

    Terwijl hij over straat liep nam een euforisch gevoel bezit van hem. Eindelijk had hij het lot in eigen handen genomen. Zijn plan was geslaagd. Althans, het eerste stuk. Hij probeerde het gevoel van angst te verdringen. Als het volgende deel nu ook maar zo zou gaan als hij het bedacht had.


    Thuis nam hij een douche om de brandlucht en spanning van zich af te spoelen. Zonder te kijken zeepte hij zichzelf in. Hij haatte het om naar zichzelf te kijken. Hoewel het al vijfentwintig jaar geleden was, kon hij het zich nog precies herinneren. Nog maar een kleuter was hij, toen de explosie de rest van zijn leven verpest had.

    Een kwart eeuw lang was hij kwaad geweest. Op zijn ouders, wie hij de schuld gaf dat ze niet goed op hem gelet hadden. Op de doktoren, die hem na elke zware operatie weer teleurgesteld hadden. Op het leven, want hij vond dat hij als kind het recht had moeten hebben om te zijn gestorven. Hij was kwaad, omdat hij ver voor zijn dood al in een eeuwige hel moest leven.

    Hij haatte de wereld. De wereld haatte hem.

    Zelfs het enige lichtpuntje dat zijn leven het afgelopen jaar had verlicht, had een hekel aan hem. Het meisje van kassa drie. Hij wist ondertussen precies haar werkrooster en hij paste zijn winkelmomenten aan haar aan.

    Elke keer als hij boodschappen deed wachtte hij tot er flink wat mensen bij haar in de rij stonden, zodat hij makkelijk zonder op te vallen naar haar kon kijken. ‘Sophie’ stond er op haar naambordje. Het bruine staartje op haar hoofde zwiepte heen en weer als ze de producten van de band langs de scanner haalde. Haar zachte stem paste bij haar ranke lijfje en elke keer als ze een klant groette verscheen er naast haar glimlach een kuiltje in haar linkerwang.

    Behalve als hij aan de beurt was. Bedeesd groette ze hem en zonder naar zijn afstotelijke gezicht te kijken bliepte ze zo snel mogelijk al zijn boodschappen.

    Hij betaalde altijd contact. Natuurlijk was hij zich er van bewust dat ze ervan walgde om zijn verminkte hand aan te moeten raken, maar zelf genoot hij van het kleine beetje lichamelijke contact wat hij met haar kon maken.

    Met zijn ogen dicht liet hij het warme water over zijn halfkale hoofd stromen, terwijl hij zich in gedachten het mooie perfecte gezichtje van Sophie voor zich haalde.


    Tegen zijn verwachting in had hij die nacht heerlijk geslapen. Direct bij het wakker worden voelde hij echter de zenuwen door zijn lichaam gieren.

    Vlug trok hij wat kleren aan, leegde zijn blaas en ging achter de computer zitten. Nadat het ding veel te langzaam opgestart was, opende hij zijn internetbrowser en tikte de url van de lokale nieuwssite in.

    Zijn hart sloeg een keer over toen hij de kop van het nieuwsbericht zag. Er stond zelfs een foto bij het artikel. Zijn vingers trilden toen hij op de headline klikte om het volledige bericht te kunnen lezen.


    Van één van onze verslaggevers.


    Gisterenavond is er brand uitgebroken in een woning aan de Rozenhof. De brand is waarschijnlijk ontstaan door een explosie.

    Op het moment dat de brand uitbrak bevond zich een vrouw in de woning. De 23-jarige bewoonster is met ernstige brandwonden naar het ziekenhuis overgebracht en is momenteel buiten levensgevaar.

    De precieze oorzaak van de brand is nog niet duidelijk en wordt door de politie onderzocht.



    Nadat hij het berichtje een paar keer gelezen had, sloeg hij de foto die ernaast stond op in zijn afbeeldingenmap en daarna zette hij koffie voor zichzelf, wat hij voor het eerst van zijn leven vrolijk neuriënd deed.


    Een paar weken later was het tijd. Hij genoot van de spanning in zijn lijf toen hij bij de receptie haar kamernummer vroeg. Zelfs deze baliemedewerkster durfde hem amper aan te kijken, terwijl ze juist hier toch wel wat gewend zouden moeten zijn.

    Bij de juiste kamer aangekomen nam hij eerst een keer flink diep adem voordat hij naar binnenstapte. Hij zag haar direct liggen, maar hij keek verward de kamer rond.

    “Hallo”, hoorde hij haar zachtjes zeggen. Hij draaide zich om.

    “Oh, hallo. Sorry, ik zit verkeerd geloof ik. Nou, dag hoor.” Hij liep weer richting de deur.

    “Wacht even!” zei ze. Hij stopte voor haar bed.

    “Ehm…” stamelde ze. “Ja, ik herkende u.”

    “Oh?” probeerde hij oprecht verbaasd te zeggen.

    “Ja, van de kassa. Ik bedoel dat u altijd bij mij aan de kassa kwam. Met boodschappen.”

    “Oh ja? Zeg trouwens maar ‘je’ hoor. Hoe heet je dan?”

    “Sophie.”

    “Ach natuurlijk. Ja, ik herkende je niet.”

    Het meisje keek hem voor de allereerste keer recht in zijn ogen. Haar gezicht was rood en gezwollen. Haar staartje was veranderd in een paar losse plukjes haar. Van het kuiltje in haar wang was niets meer te bekennen. In haar ogen stonden tranen.

    “Sorry! Zo bedoelde ik het niet!” riep hij bijna uit. “Het spijt me dat ik zo bot deed. Ik dacht er niet bij na.”

    Hij pakte een stoel en ging naast haar zitten. ”Wat is er met je gebeurd?” vroeg hij.

    “Een brand,” snikte ze, “een explosie.”

    “Wat verschrikkelijk!” wist hij uit te brengen.

    Hij wachtte even en zei toen zachtjes tegen haar: “Ik begrijp hoe je je voelt. Echt.”

    Het meisje liet de tranen over haar verminkte gezicht lopen.

    “Het spijt me zo,” zei ze. “Ik vond je altijd… eng. Terwijl je gewoon… je bent nu zo aardig tegen me. Terwijl ik altijd zo’n bitch was.”

    “Ach Sophie,’ hij schudde zijn hoofd en pakte haar verbonden hand vast. “Het geeft niet. Ik ben er aan gewend. Je raakt er aan gewend. Geloof me. Je denkt dat je leven voorbij is, maar dat is niet zo. Het gaat gewoon door. Hier,” hij gaf haar een zakdoekje en ze snoot wat eens haar mooie neusje was geweest.

    “Denk je?” vroeg ze hem.

    “Ik weet het zeker,” hij probeerde zijn mond in een positie te krijgen wat voor een glimlach door moest gaan.

    “Alleen,” voegde hij eraan toe; ‘je moet het wel zelf willen. Je moet ervoor vechten. Maar ik weet zeker dat jou dat gaat lukken. Jij bent een doorzetter. Dat had ik gelijk al gezien.”

    Bemoedigend legde hij een hand op haar schouder.

    “Dank je wel,” fluisterde ze. “Je bent de eerste en de enige die me begrijpt. Jij weet tenminste echt hoe ik me voel.”

    Ze liet zich welwillend door hem troosten en toen hij zonder dat ze tegensputterde een kus op haar pijnlijke gezwollen voorhoofd zette, wist hij dat het helemaal goed ging komen met het tweede deel van zijn plan.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024765
    Gereserveerde ruimte voor eventueel niet doorgekomen verhalen. Doorgeven via een topicnote oid, niet melden in het slowchat topic.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024767
    * Categorie 55 fiction

    Er zijn 7 inzendingen.

  • Vuurpeleton
  • Truc
  • Vuurloop
  • De sprong in het diepe
  • Vuurdoop
  • Een moment uit het leven van een jongeman
  • Vulkaan

    [ Bericht 6% gewijzigd door Isabeau op 20-06-2006 02:40:04 ]
  • "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024772
    Vuurpeloton

    De kindsoldaten namen muisstil stelling achter rolcontainers, muurtjes en auto's. In de verte hoorden ze het roestige ros van de vijand rammelen. Op het teken van de kleine generaal vuurden ze en vlogen waterbommen door de lucht. Hun wraak verrastte de steeds natter wordende oude man. Dit zou hem leren hun bal lek te prikken!
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024782
    Truc

    ‘Je goochelt!’ riep hij. ‘Ik geloof je niet. Doe het nog eens!’

    Jezus glimlachte minzaam en knikte.

    Hij voelde er niets van. Maar het was hem glashelder dat er met die Jezus niet te spotten viel. Toen stierf hij. Omdat een mens nu eenmaal niet kan overleven als hij voor zeventig procent uit wijn bestaat.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024789
    Vuurloop

    Hij loopt over stenen. Lopen is het niet te noemen, zijn benen maken elke keer een schrikbeweging als ze de vlammend hete kolen raken. Nog even en hij is er overheen. Een paar sprongen. Zijn voet schrikt nogmaals als hij op de vaste grond stapt. Hij heeft zichzelf overtroffen.

    Een traan valt op het vuur.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024791
    De sprong in het diepe

    Het was een lange klim geweest om er te komen. Voorzichtig schuifelde hij naar voren. Het duizelde voor zijn ogen. Nee. Teleurgesteld in zichzelf draaide hij zich om.
    "Mietje!" hoorde hij roepen, zijn voet slipte, wind suisde langs hem heen en na een harde pijnlijke plons was het heel eventjes heerlijk stil om hem heen.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024796
    Vuurdoop

    Heet onder de voeten, en hartkloppingen in zijn keel. Nog één diepe
    zucht geen podiumvrees nu, de eerste keer is altijd moeilijk. 'Je kunt
    het', dacht hij bij zichzelf.
    Het leek een succes. Het publiek keek ademloos... hoe hij het
    podiumvuurwerk in liep. Hij bleef in zijn rol. De mime speler had geen
    laatste woorden.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024803
    Een moment uit het leven van de jongeman

    ‘Mag ik alstublieft een glaasje water?’ vraagt de jongeman aan de barman. Hij zet hem een glas water voor. De jongeman haalt de sigaret tussen zijn lippen uit, en gooit die in het glas. Een sissend geluid klinkt.

    ‘Dank u,’ zegt de jongeman, en verlaat de bar nadat hij wat geld achterlaat op de bar.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024808
    Vulkaan

    Ik loop door water.

    Borrel, borrel.

    Warmer wordt het water. Lekker warm. Ik ga in het water zitten. Mijn billen en voeten krijgen het zo warm, waardoor ik alleen kan huppelen. Ik moet en ren weg. De vlammenzee achter me wordt groter.

    Ik moet niet zitten op een vulkaan waar de zee zich overheen drapeert.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024812
    Gereserveerde ruimte voor eventueel niet doorgekomen verhaaltjes. Doorgeven via een topicnote oid, niet melden in het slowchat topic.
    "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    pi_39024817
    * Categorie kunst

    Er zijn 3 inzendingen.

  • Yin Yang
  • Guerre
  • Stoom

    [ Bericht 7% gewijzigd door Isabeau op 20-06-2006 09:19:34 ]
  • "Dear life, When I said "can my day get any worse?" it was a rhetorical question, not a challenge."
    abonnementen ibood.com bol.com Coolblue
    Forum Opties
    Forumhop:
    Hop naar:
    (afkorting, bv 'KLB')