Op vrijdag 15 augustus 2014 15:23 schreef peterkailey het volgende:Bubi is tien jaar wanneer hij in Basel met zijn ouders en zusje op de trein wordt gezet naar Slovenië, het land waar zijn vader vandaan komt. Zijn vader heeft in de jaren twintig verzuimd het staatsburgerschap aan te vragen en nu worden onder dreiging van de naderende oorlog alle vreemdelingen het land uitgezet. Voor Bubi is de reis een groot avontuur. Hij geniet van alles wat hij om zich heen ziet. Ook de eerste periode van zijn verblijf op het platteland bij familie van zijn vader is opwindend. De nieuwe, primitieve wereld doet denken aan het wilde westen van indianen en cowboys. Maar al gauw verslechteren de omstandigheden. In Ljubljana leert Bubi armoede en honger kennen. Als zijn kostbaarste bezit, een zilveren horloge, wordt nagestuurd uit Basel, brengen zijn ouders het naar de lommerd. Hij wordt gepest op school en leert zich op straat te handhaven. Nog grimmiger wordt het wanneer de sirenes loeien, de Heinkels overvliegen en Mussolini’s troepen de stad binnenmarcheren.
De nieuwkomers is het eerste deel van de briljante herinneringstrilogie van Lojze Kovacic. Met een scherp oog voor menselijke verhoudingen en politieke en sociale ontwikkelingen schetst hij het leven van een jongen aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in Midden-Europa, waar de herinnering aan de Habsburgse monarchie nog levend is en verschillende nationalistische sentimenten met elkaar wedijveren.
En zo vertrokken we dus uit Basel. Gerbergässli... Rue Helder... Steinenvorstadt... Nadelberg... Rue de Bourg. Er waren een hoop mensen naar ons huis gekomen, de meeste waren politieagenten. Sommige in uniform, andere in burger. Er waren er ook een paar die eruitzagen als handelslieden uit het centrum van de stad, andere deden met hun breedgerande, zwart fluwelen hoeden nog het meest denken aan dansers uit een variétévoorstelling. Onder geleide van twee mannen in uniform liepen we met de meest noodzakelijke bagage bij ons over de Luisenplatz naar het station. De mensen bleven staan kijken. We passeerden het bruggetje over de zijrivier van de Rijn, waar ik anderhalf uur geleden nog met gele rivierkeitjes onder de kunstmatige rotswand had gespeeld. Nu vertrokken we dus... Adieu, Basel!
We waren sinds één uur ’s middags onderweg... Ik liep in en uit... de ramen aan weerszijden van de wagon boden een interessant uitzicht op huizen en mensen... In het gangetje had ik het hele raam voor mezelf. Mama riep de hele tijd dat ik er niet te dicht tegenaan moest gaan staan omdat ik anders vies zou worden, en dat ik weer bij haar en Vati in de coupé moest komen, waar zij met Gisela zaten. Ik luisterde niet, ik voelde om haar een plaatsvervangende schaamte... ik drukte mijn oor tegen het glas om haar stem niet te horen. Het was mijn eerste echte reis per spoor... Van de allereerste treinreis, dat was toen ik vijf was en samen met Vati naar het kuuroord Urach ging, en toen weer terug naar Basel, herinnerde ik me alleen nog de met blauwe stof beklede banken in het Pullmanrijtuig... Nu kon ik zien hoe Basel eruitzag als het last van duizelingen kreeg. Eerst als een soort dikke, grijsgroene slang die half over de vloer, half door de lucht achteruitschoot... van achteren weggezogen door een enorme buis... waarbij alles als in een onweer of een orkaan versnipperde. Dan zag ik hoe langzaam een glazen bol langs de hemel trok. Ik kon er niet achterkomen of dat de koepel van de Mustermesse was of van het Centraal Station. Beneden mij begonnen de huizen voorbij te slingeren ... sommige kende ik, maar alleen van de straatkant. Wat achter mij verdween, was interessanter dan wat er van voren op me afkwam. Daarom keek ik achteruit ... In de lucht verhief zich het rode, stervormige dak van de Porte St. Alban, waar ik zeker wel duizendmaal in beide richtingen onderdoor was gelopen... Adieu, adieu... daarna verscheen er een lange straat, was het misschien de Rue de la Couronne... met huizen die door gas of zwavel geel waren uitgeslagen... Vlak voor het raam verscheen een netachtige afrastering, steeds hoger, totdat ze volledig het uitzicht vulde, met daarachter talloze rode tennisbanen. Ik was daar met Vati wel eens over een diep paadje naartoe gelopen, en vanuit de schaduw hadden we gekeken hoe twee paren tegen elkaar speelden... De beelden in het raam wisselden elkaar snel af, alsof ik ineens veel meer ogen had... Daar was ineens een wirwar van kastanjebomen en nog voordat ik goed en wel had gezien dat ze op een zwart, aarden terrein stonden met overal fietsen en banken, hoorde ik geroep, geschreeuw, geplons en geplas, en de trein reed vlak boven de witte muur van zwembad Eglisee. Het was daar een drukte van zwemmers met badmutsen op, ze speelden met ballen in het water en zaten op de trappen en de muur... Alleen zag ik in het bassin niet de grote, witte bal met handvaten waaraan ik had leren watertrappelen toen ik daar met Margrit heen ging... O, daar lag hij, vlak bij de rand, op het gras, met daaromheen een hoop handen die zich ernaar uitstrekten... Daar kwam een witte, vierhoekige toren met een klok, en met touwen waaraan vlaggetjes wapperden... maar toen het dak van Eglisee zich in een wijde boog van de wagon begon te verwijderen zag ik daar alleen nog een paar benen en de voetzolen van een man... Meteen daarna werd het vrolijke tafereel onder me door de boomkruinen aan mijn ogen onttrokken.
Buiten was het bloedheet, dacht ik met iets van leedvermaak, maar in de wagon woei een frisse wind. Het gangpad lag in de schaduw en de gordijnen wapperden alsof ze met de ramen en de deuren in gevecht waren... Op zo’n doodgewone en stomme dag als deze had God besloten mij met de trein op reis te sturen... ver, ver weg, naar een streek waar mijn vader ooit als jongen en later nog als jonge man had gewoond. Daarginds, voor mij, voorbij de huizen, schuttingen en bomen die als een fijne stuifregen naar Basel terugvlogen... voorbij de wolken en de eigenwijze bergen die voor ons terugweken, wat de locomotief ook deed om dichterbij te komen... zou ik achter een heuvel met veel dingen kennismaken die bij mijn leeftijd en mijn grootte pasten... het kon speelgoed zijn, huizen, dieren of mensen, auto’s of vliegtuigen. Die nacht had ik aan zoiets nog niet gedacht... ook had ik nog nooit van Vati’s geboortestreek gedroomd, laat staan dat ik me daar overdag enige voorstelling van had kunnen maken...
Naast de coupé van Vati en mama, bij de interessante harmonicadoorgang, was het toilet. Klein en lachwekkend, als een kabouterhuisje. Toen ik een plas deed, schudde en klepperde de wc-pot boos met zijn bril, alsof hij geen wc-pot, maar een melkbeker of op zijn minst een bloemenvaas had willen zijn... Iets meer naar achteren werden andere deuren geopend en er verschenen mensen in het gangpad... Door het smalle raam zag ik ook de andere wagons rijden, als dronken huizen... De mensen sjouwden met overdreven grote, veel te zware koffers, die in de gele lederwas waren gezet, en met kleinere, ronde koffertjes van rood lakleer, iedereen was net zo vrolijk en opgewonden als ik... Er kwam van hun kleren een geur die ik met mijn hele wezen opsnoof. Wat een gelukkig toeval dat ik met zo’n kinderlijk soort mensen, met zulke dwaze hansworsten op reis was... Een schitterend geklede meneer deed de deur van de wagon dicht en legde zijn tas in het compartiment waar Vati en mama zaten. Hij kwam naast mij bij het raam staan. Hij rook naar verschillende soorten eau-de-cologne, beneden anders dan boven. Hij droeg een witte broek, een serieus uitziend, gestreept colbert en een strakke, rode stropdas. Zijn wenkbrauwen waren net zo dicht en donker als zijn snor, je kon ze
zó van zijn gezicht loshalen en van plaats laten verwisselen. Hij leek op een miljonair, of op een gangster uit Amerika... hij had ook iets van een bokser, een getraind en afgericht paard of een goed gecamoufleerde tank. Aan zijn pols, die hij vlak bij het asbakje hield, zat een horloge zoals ik al eens in een etalage had gezien: op de secondewijzer zat een groen fregat. Hij glimlachte naar mij, waardoor ik me ongemakkelijk voelde en niet wist welke kant ik op moest kijken... daarom glimlachte hij nog een keer, en ik zag tussen zijn rode lippen en zijn donkere snor zulke schitterend witte en rechte rechthoekjes dat ik nauwelijks kon geloven dat een mens überhaupt zulke tanden kon hebben... Met al dat glimlachen en schuin wegkijken had ik zo veel tijd verloren dat er achter de ramen intussen een heel ander uitzicht was verschenen... We reden door een bleekblauwe hemel met boven in de hoek van het raam de zon, als een losgeraakte kroon. Er verschenen donkerrode, bakstenen kerktorens, ze gleden voor en achter elkaar langs, de ene nog hoger dan de andere, met heiligen in paren en met getande daken vol pilaren en bollen, elke toren met een ander kruis. De grootste was waarschijnlijk de Münster met vlak daarvoor de fontein waar ik altijd zo graag tot aan mijn knieën door het water liep. Dus nu rijden we, nu zijn we onderweg, zong ik met mijn lippen... Ineens klonk er een angstwekkend geraas, achter het raam schoten stalen balken kriskras op en neer... en daar was de Rijn met donkere golfstrepen... Daarover voeren lange, platte aken met gesloten luiken waaronder houtskool en steenkool voor strijkijzers werden vervoerd... Aan de overkant van de Rijn stond vlak aan het water, tussen sporen en tenders, een wit huis met het opschrift neptun, en door het raam van de coupé zag ik ook de Mittlere Rheinbrücke met mensen en scheepsmasten. Het lawaai was zo enorm dat ik had kunnen schreeuwen of tegen de deur trappen zonder dat iemand me daarvoor een standje zou geven... Ik raakte de deur aan, als in een onrustige droom, ik wilde wat bijzonders zeggen, maar ik zei alleen: ‘Wie schnell wir fahren’1 en ik zweeg teleurgesteld... Ik neuriede Vati’s liedje ‘Mica Kovaèeva, piva, niè plaèava’... het scheen te gaan over een zekere Mica die gedronken had zonder te betalen, maar alleen zijn achternaam zei me iets, omdat die op de onze leek. Toen het helse kabaal van de spoorbug was weggestorven, viel er ineens een doodse stilte, alsof de trein was veranderd in een ballon, een zeppelin of een zweefvliegtuig dat met een knisperend geluid de lucht doorkliefde alsof die van zijde was... Daar verschenen ineens armetierige, verdorde struiken, kleine huizen... In alle ramen bleek Basel op een wonderlijke manier te zijn verdwenen... daarnet waren de huizen van de stad er nog, nu was er alleen nog een heuvel. Dat was een snelheid waar ik vrolijk van werd... ik voelde achter in mijn hoofd een opgewekt getik... ik was op reis, ik was op reis door een oneindig grote zaal, op weg naar een streek waar de stallen vol met paarden stonden, en ik zou er een losmaken om naar een rivier te rijden en water te drinken... Daar zouden rode boten liggen waarin ik van de ene oever naar de andere kon roeien. Op de daken zouden tweedekkers staan, klaar voor de start, waarmee ik rond kon vliegen... boven de huizen en het water. En als ze me zouden roepen om te komen eten, zou ik naast de schoorsteen neerstrijken en langs een ladder naar binnen gaan. In mijn verbeelding zag ik de korte, dikbuikige stuntvliegtuigjes uit het Lunapark, met een open cabine voor één piloot... een daarvan, rood, zou mijn naam dragen... en daarmee zou ik boven de visvijvers en de zandpaadjes in de parken rondvliegen, zoveel als ik maar wilde... Als ik bij het raam stond, ging de trein sneller dan wanneer ik een stap naar achteren deed. Buiten werd het steeds groener en af en toe wilde een boom de gang binnenkomen, maar dat kon natuurlijk niet. Mijn benen waren stijf geworden van het lange staan... en toen de zon langzaam onderging en alles zich in het tegenlicht onder een rode tuniek legde... ging ik terug naar de coupé.
Vati zat bij het raam, hij had nu natuurlijk niets omhanden en daarom zat hij wat voor zich uit te staren en te dommelen. Mama was nog altijd helemaal van streek... haar gezicht en haar hals zagen vuurrood en ze schoof voortdurend heen en weer... maar god zij dank klaagde of huilde ze niet meer. Op de planken van het bagagerek stonden onze koffers, die anders altijd op zolder lagen, ze waren aan de hoeken versterkt met roestbruin geworden bruin en grijs linnen. Twee waren er van karton, dan was er een rond koffertje van zwart lakleer, en nog een grote, rieten reismand. Gisela lag met haar hoofd op een klein donzen dekbed, met een jas over zich heen. Mama bood me op een servet een stuk kersenbiscuit aan dat ze thuis had gebakken... ik hoefde niet, ik had dorst. ‘Iß, sonst wird’s dir schlecht.’2 Ik at het stuk in één, twee happen op en ging bij Vati op de bank liggen, maar ik had geen zin om mijn hoofd op zijn knieën te leggen omdat ik wist dat het daar vreselijk stonk, naar bont, en dat een hoofd bovendien akelig zwaar kon zijn. Die vreemde meneer van de gang, met dat fregat in zijn horloge, kwam even bij ons zitten en begon met mijn ouders te praten. Was hij een Italiaan of een Fransman?
‘Nach dreißig Jahren Leben in der Schweiz haben sie uns hinausgeworfen,’3 zei een stem, van wie kon die anders zijn dan van mama... en de tranen stroomden langs haar wangen, zodat ik me opnieuw voor haar schaamde. O, ik kende al haar argumenten uit mijn hoofd, ook al begreep ik niet altijd wat ze bedoelde... Vati wendde zich omzichtig tot onze nieuwe, fraai opgedofte coupégenoot.
‘Das macht der Krieg,’ antwoordde deze peinzend. ‘Wenn es nicht die Gefahr von Kriegen gäbe, wäre die Ausschaffung aus der Schweiz