Het merendeel van de religies gaat uit van een ziel.
Het concept heeft door de geschiedenis wel diverse vormen gehad.
Vaak dacht men dat de ziel bij het hart zat omdat bij sommige heftige gevoelens je het hart harder kan voelen kloppen. Sinds men weet dat het geestelijke leven verbonden is met de hersenen denken steeds meer gelovigen dat de ziel in je hoofd huist.
Jaïnisten denken dat al het leven een ziel heeft, sommigen doen daarom letterlijk geen vlieg kwaad.
De Oude Grieken dachten zeer verschillend over de ziel. Er waren in verschillende perioden verschillende theorieën en deze waren vaak niet wijdverbreid:
quote:
“Men find it very hard to believe”, Cebes says at Phaedo 70a, “what you said about the soul. They think that after it has left the body it no longer exists anywhere, but that it is destroyed and dissolved on the day the man dies.”
Glaucon, in the last book of the Republic (608d), is taken aback by Socrates' question,
quote:
“Haven't you realized that our soul is immortal and never destroyed?”
He looked at me with wonder and said: “No, by god, I haven't. Are you really in a position to assert that?”
Er was veel onenigheid of de ziel bestond, of deze het lichaam kon verlaten na de dood en wat er na de dood eventueel van over bleef.
Later won het idee van de ziel aan populariteit. Men dacht dat de ziel het lichaam animeerde maar ook dat planten en dieren een soort ziel hadden. Een theorie verdeelde de ziel op in een ziel voor mentale en psychische activiteiten en aan de andere kant de non-rationele ziel voor de rest van het leven. Daarbij was het nog steeds vaak niet duidelijk wat nu onder welk deel van de ziel viel.
Men bleef dus zwabberen met het concept ziel.
Aristoteles dacht dat alle levende wezens een ziel hadden die verantwoordelijk was voor alle activiteiten zoals bv groeien, bewegen, denken etc. Hij dacht niet dat er een apart orgaan was dat met denken te maken heeft.
Epicurius dacht dat de ziel een soort lichaam in het lichaam was en dat de twee direct verbonden en afhankelijk waren. Zonder vleselijk lichaam geen ziel en zonder ziel geen leven dus. Ook hier was de ziel algemeen voor al het leven.
Sommigen dacht er deels over als Socrates maar wel selectief, alleen de zielen van zeer wijze mensen zouden niet verdwijnen.
Epicurius had zijn idee over de ziel nog verder uitgewerkt naar zijn eigen theorie van atomisme. De ziel zou opgedeeld zijn in een soort kleine ondeelbare deeltjes. Hiervoor introduceerde hij een nieuw soort naamloze substantie om de (zintuiglijke) perceptie te verklaren. Hij dacht dat uit perceptie automatisch cognitie voortvloeide en daardoor mensen per definitie rationeel waren.
Het niet-rationele deel van de ziel zou het geheugen bevatten en voor impulsen zorgen.
Geestelijke pijn zou in het rationele deel van de ziel zitten en fysieke pijn in het non-rationele.
Het stoïcisme in de Hellenistische periode maakt onderscheid tussen 3 soorten zielen: de laagste soort houdt alle materie bij elkaar (stenen, botten), de tweede/middelste is voor het leven (metabolisme, groei) en de hoogste voor cognitie en lust. Stenen hebben alleen de laagste soort ziel, planten de laagste en middelste en dieren alle 3.
De hoogste soort zou uit 8 delen bestaan: de geest, 5 zintuigen, reproductie en de stem. De geest zou in het hart huizen.
En daarna zou het nog lang onrustig blijven ontremd de ziel.
Er zijn nog duizenden andere culturen met hun eigen (soms bizarre) geschiedenis van hoe men tegen de ziel aankijkt.
Je kan stellen dat men probeerde te begrijpen hoe de mens werkt en soms dingen met mekaar verbond om het plaatsje kloppend te maken of dingen die men niet begreep een naam gaf. De ziel of een van de vele equivalenten is zo'n naam.
Nu de wetenschap veel meer van de hersenen af weet hebben we in feite niet meer het woord ziel nodig om onze geestelijke wereld te verklaren.
Toch houden zeer veel mensen nog steeds vast aan het bestaan van een ziel.
Er is dus blijkbaar meer aan de hand dan alleen het willen benoemen van het onbekende.
Er is een innerlijke drang om onze geest een niet materialistische eigenschap te geven.
Dat is al bij jonge kinderen zo. Als een huisdier dood gaat begrijpen ze wel dat het dier geen eten meer nodig heeft maar ze praten er nog wel tegen.
Mensen hebben de drang om entiteiten waar ze veel interactie mee hebben een duurzaamheid te geven en om er een geestelijke band mee te vormen.
Voorbeeld: een geliefd huishoudelijk apparaat dat al vele jaren dienst doet wordt op den duur meer dan een stoffelijk apparaat, velen gaan er tegen praten (in gedachten) en krijgen empathie voor het ding. Als het ouwe vertrouwde apparaat dan stuk is dan voelt men een soort verlies alsof het om een bekende gaat.
Mensen zijn van nature geneigd tot het toekennen van een ziel aan zaken waar ze aan hechten.
Ook is het idee dat er een niets zit aan te komen als men sterft ook niet echt comfortabel voor velen. Ons zelfbewustzijn zorgt ervoor dat we een extra overlevingsmechanisme hebben. We willen dwangmatig ons voortbestaan veilig stellen. Dit zorgt ervoor dat we moeite hebben met de dood en dood gaan dus niet zo makkelijk accepteren. De ziel is dan een voor de hand liggende oplossing voor dit probleem.
Het dogmatiseren van dit concept is dan religie.
Wat er in heilige boeken geschreven staat is niet belangrijk, aan de vruchten herkent men de boom.