pi_24623299
Er waren vele verzetshelden in de tweede wereldoorlog, maar naar aanleiding van een boek dat ik onlangs heb gelezen, Vrouwen in het Verzet 1940-1945 van Jan Hof, dit topic over de vrouwelijke verzetshelden.

De bekendste vrouwen in het verzet, voor mij persoonlijk dan, waren Reina Prinsen Geerligs, Helena Theodora Kuipers-Rietberg , Hannie Schaft en de zusjes Truus en Freddy Versteegen.

Helena Theodora Kuipers-Rietberg oftewel Tante Riek (naar haar in 1930 overleden oudere zuster Hendrika) was samen met de gereformeerde predikant ds.Frits Slomp ('Frits de Zwerver') de initiatiefnemers van de LO, Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers in Nederland, die ontstond in de zomer van 1942.

Kuipers-Rietberg was de enige vrouw die, als vertegenwoordiger van de LO van Winterswijk, de wekelijkse vergaderingen van de 'Beurs" bezocht. Daar werden vraag en aanbod van onderduikers en onderduikadressen op elkaar afgestemd. Tijdens een bespreking over de vraag of in geval van verraad binnen de LO liquidaties geoorloofd waren, toonde zij zich een voorstander. In het najaar van 1943 maakte Kuipers-Rietberg een crisis door, toen zij bijna overspannen raakte door het vele en ook spannende werk. Haar familie adviseerde haar toen ermee op te houden, maar zij wilde het door haar begonnen verzetswerk niet uit handen geven. Terzelfder tijd begon zij met het doen van uitbetalingen voor het Nationaal Steunfonds, dat sinds de zomer van 1943 met de LO samenwerkte. Dit fonds - ingesteld door I.J. van den Bosch en de bankiers G. en W. van Hall - zorgde voor financiële ondersteuning van de achtergebleven gezinnen van onderduikers.

Op 24 mei 1944 waarschuwde een betrouwbare politieagent Tante Rieks echtgenoot voor een op handen zijnde arrestatie. Nadat zij hun kinderen begin juli elders hadden ondergebracht, wisten Tante Riek en haar man nog net op tijd te ontsnappen. Een poging van de Sicherheitsdienst hen door omroepberichten op de stations tussen Winterswijk en Arnhem respectievelijk Zutphen op te sporen mislukte. Daarin werd hun gevraagd zich in verband met een dodelijk ongeval van een van hun kinderen bij het loket te melden. Het echtpaar hield zich aanvankelijk schuil bij een sigarenfabrikant in Bennekom. Maar omdat de vrouw des huizes de spanning van de hulp aan de onderduikers niet meer aankon, wilden Kuipers-Rietberg en haar man daar weg. Op 14 augustus 1944 werd echter de koerier die de daartoe benodigde nieuwe persoonsbewijzen kwam brengen, onderweg door verraad gearresteerd. Hierdoor kwamen de Duitsers het echtpaar op het spoor. Vier dagen later werden Kuipers-Rietberg en haar man aangehouden.

Het echtpaar werd overgebracht naar de Koepelgevangenis in Arnhem, waar zij in twee naast elkaar gelegen cellen werden ingesloten. Om haar man te bemoedigen zong Kuipers-Rietberg soms luidkeels een psalm voor hem. Het echtpaar had onderling afgesproken dat zij alle schuld op zich zou nemen in de veronderstelling dat een vrouw minder gevaar zou lopen dan een man. De Duitsers lieten haar echtgenoot al gauw vrij, in de hoop daardoor ook andere relaties uit het verzet te kunnen opsporen. Omdat hij dit doorzag, dook hij onmiddellijk onder. Zelf werd Kuipers-Rietberg overgebracht naar het huis van bewaring in Arnhem, vanwaar zij op 25 augustus 1944 op transport werd gesteld naar het strafkamp Vught.

Door het oprukken van de geallieerde troepen en door de paniek die zich op 'Dolle Dinsdag" van de bezetter meester maakte, werd dit kamp begin september ontruimd. Met een van de laatste transporten werd Kuipers-Rietberg op 7 september 1944 naar het vrouwenkamp Ravensbrück. dat overbevolkt was, in Brandenburg gedeporteerd. Eind oktober werd Kuipers-Rietberg ziek. Zij overleed op 27 of 28 december 1944, mogelijk als gevolg van tyfus of van een dubbele longontsteking.

Helena Theodora Rietberg werd op 26 mei 1893 geboren in Winterswijk, als dochter van Hendrik Rietberg, graanhandelaar en molenaar, en Clara Christina Theodora Dulfer. Op 21 april 1921 trouwde zij met de graanandelaar Pieter Heijo Kuipers (1892-1978) Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren, drie dochters en twee zoons.





De gedenkplaat van Tante Riek
nog meer informatie over Tante Riek
Geluk is niet afhankelijk van dingen buiten ons,
maar van de manier waarop wij die zien. (Tolstoj)
pi_24625166
Er waren twee halfjoodse nichtjes van Lier die beiden dezelfde voornaam hadden, Geertruida. Allebei waren zij actief in het verzet gedurende de tweede wereldoorlog.

Truus van Lier is geboren in 1921. Zij schreef zich in 1940 in als rechtenstudente in Utrecht. Al spoedig sloot ze zich aan bij de Amsterdamse verzetsgroep CS6. De meeste leden van die verzetsgroep zijn tijdens de oorlog gefusilleerd. Op drie september 1943 schoot zij in het Willemsplantsoen de gevreesde politiecommissaris Kerlen neer, die bezig was razzia's voor te bereiden. Truus dook daarna onder in Haarlem, maar werd daar, na verraad, opgepakt door de SD.

Truus van Lier werd samen met Reina Prinsen Geerligs en Nel Hissink-van den Brink, tevens lid van de CS6, door de Duitsers naar het kamp van Sachsenhausen afgevoerd. Daar werden ze op 24 november 1943 geëxecuteerd. Getuigen zeggen dat de drie verzetsvrouwen met opgeheven hoofd en zingend naar de executieplaats liepen.

meer informatie over de verzetsgroep CS-6 vind je hier


De andere Geertruida, is Truitje, geboren in 1914 als dochter van van Alfred Johan Salomon van Lier, directeur van de Utrechtse hypotheekbank, en Cornelia Geertruida Guldensteeden Egeling.
Deze bijzondere vrouw redde 150 joodse kinderen het leven. danzij haar kindertehuis Kindjeshaven. Het verhaal van Truitje wordt ook beschreven in het boek Vrouwen in het Verzet. Hieronder een deel van een interview.

Zo'n honderdvijftig kinderen van opgepakte of ondergedoken joden ving ze op tijdens de Tweede Wereldoorlog. Trui van Lier verzorgde ze in haar kindertehuis Kindjeshaven aan de Utrechtse Prins Hendriklaan en redde ze uit handen van de Duitsers.

Trui van Lier was 26 en studeerde rechten toen ze in 1941 haar studie afbrak om opvanghuis Kindjeshaven te beginnen. Al voor de oorlog in Nederland uitbrak besloot ze iets te doen voor joodse kinderen als het oorlogsgeweld zich naar Nederland zou uitbreiden. Als middelbare scholier uit een halfjoods gezin hoorde ze de verhalen van uit Duitsland gevluchte joden die bij haar ouders om hulp kwamen vragen. Toen de Duitsers Nederland binnenvielen, staakte ze haar studie en huurde ze een pand nabij het Wilhelminapark van de nalatenschap van haar grootmoeder (vijfduizend gulden). Ze richtte dat in voor kinderopvang.

Samen met de kinderverzorgster Jet Berdenis van Berlekom had Van Lier constant twintig kinderen onder haar hoede. Als dekmantel was Kindjeshaven een dagopvang voor kinderen uit de buurt.

Er werden ook baby's opgevangen van Nederlandse meisjes die iets hadden gehad met een Duitse soldaat. Als Duitse patrouilles dan tijdens de wandelingen in het park naar de herkomst van een kind vroegen, verwees Van Lier naar de wettelijke voogd van kinderen waarvan de vader de oorlog ingestuurd was: 'Vraag maar aan de Ortskommandant of het is toegestaan dat ik deze kinderen opvang, zei ik dan', vertelt Van Lier in het Utrechts Nieuwsblad. Daarmee legde ze iedereen het zwijgen op. Ook 'maakte' ze vaak halfjoodse kinderen van haar beschermelingen. "Met een joodse moeder die in een sanatorium verbleef en een vader die in Duitsland te werk was gesteld. Bij controles werd dat altijd weer geslikt."

Na de Amsterdamse razzia's van 1943 verbleven er soms wel dertig kinderen tegelijkertijd in Kindjeshaven. "Met de trein kreeg ik hele groepen tegelijk. Eigenlijk was het te vol. Maar beter te vol, dan dood, dacht ik. Overal leende ik wiegen en dekens, want kinderen weigeren kon ik niet."

bonkaarten

Ze sloot toen de crèche. "Al die mensen over de vloer werd te gevaarlijk." Voeding en medicijnen bleven binnenkomen, omdat baby's onder een jaar recht hadden op uitgebreide bonkaarten.Tabak- en snoepbonnen werden verkocht. Een kinderarts uit de buurt entte de kinderen in en zorgde voor de medische controle. Trui van Lier vindt het nog steeds verbazingwekkend dat er nooit kinderen zijn overleden of zelfs maar ziek geworden in Kindjeshaven.

Het was zwaar werk voor de verzorgsters. De hulp van anderen hield hen op de been. Via een soort Foster Parents Plan avant la lettre betaalden mensen voor een kindje in het opvanghuis. Van Lier informeerde hen vervolgens over het wel en wee van `hun' kindje.

Het onderbrengen van de kinderen was een punt van zorg, maar met overredingskracht en voedselbonnen lukte het Van Lier steeds weer adressen te vinden. En als de kinderen eenmaal op een onderduikadres zaten, ging ze er vaak 's avonds langs om een oogje in het zeil te houden.

Ook was de persoonsvervalsing van de kinderen een probleem. "Ik maakte twee lijsten. én met de echte naam, en één met de valse naam. Moses Cohen werd Jantje Smit. En ik noteerde een vals adres. De lijsten werden door de vader van Jet bewaard op zijn kantoor. Met een code om te achterhalen wie bij welke echte naam hoorde." Een paar kinderen verbleven de hele oorlog in Kindjeshaven. Dat waren broertjes en zusjes die ze niet uit elkaar wilden halen maar die ook niet samen onder te brengen waren.

Wonder

Nu noemt Van Lier het een wonder, dat Kindjeshaven nooit verraden is. "Het was een komen en gaan van kinderen. Iedereen kon zien dat ze joods waren. De hele buurt moet op de hoogte zijn geweest, inclusief de buurman, een NSB'er. We hadden een vluchtplan en konden binnen één minuut met het hele stel buiten staan. Maar dat was alleen zinvol bij een bombardement. Bij verraad zouden we verloren zijn."

In oktober 1944 moest Trui van Lier stoppen met Kindjeshaven. Er was een huiszoeking op de Prins Hendriklaan nadat bekend werd dat haar nicht Truus, die actief was in het verzetswerk, gefusilleerd was. Van Lier was toen niet aanwezig. Ze kon ook maar beter niet terugkomen en ze dook onder in Culemborg. "Het was vreselijk. Ik kon daar niks betekenen voor de kinderen.

Jet hield vol tot februari 1945, tot er geen water en elektriciteit meer waren. Zij bracht alle kinderen naar de Voogdijraad. Gelukkig zaten we ruim in voedselbonnen, dus kregen de kinderen een voorraadje eten mee."

Trui van Lier is nu 86. Ze is staatsereburger van Israël en kreeg de hoogste onderscheiding Yad Veshem. In Nederland is ze onderscheiden met de Utrechtse stadsmedaille. Voor haar is de maand mei altijd weer moeilijk vanwege de herinnering die de herdenking oproept. Soms schrikt ze nog wakker uit haar slaap, uit angst voor een inval. "Maar hetwas de meest waardevolle periode uit mijn leven. Noem het gesublimeerd egoïsme. Ik heb geleerd wat de waarde is van vrijheid."

Bron
Geluk is niet afhankelijk van dingen buiten ons,
maar van de manier waarop wij die zien. (Tolstoj)
pi_24642731
In de eerste oorlogsjaren bleek dat er in de adelijke familie Van Hardenbroek grote tweespalt heerste ten aanzien van de Duitsers. Van Hardenbroek stond samen met zijn zoon Alfer ('zijn oogappel') fel aan de kant van de Duitsers en was ronduit anti-Brits, maar zijn zoon Gijsbert en zijn dochters Mechteld en Inge waren fel anti-Duits.

Arnoud, baron van Hardenbroek van Ammerstol was directeur van de kalkzandsteenfabriek 'Arnoud'. Die fabriek produceerde tussen 1940 en 1944 125 miljoen stenen voor de Luftwaffe, die er op de militaire vliegvelden Schiphol, Ypenburg, De Kooy, Venlo, Eindhoven, Twente, Leeuwarden en Loosdrecht scherfmuren mee bouwde, kantines, onderkomens en schuilplaatsen voor Duitse soldaten. Op 9 oktober 1945 werd de baron gearresteerd en in oktober 1946 berecht door het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam. Hij werd veroordeeld wegens hulp aan de vijand in oorlogstijd, en kreeg een jaar gevangenisstraf met aftrek.

Beide dochters, Mechteld en Inge, studeerden in Utrecht, en beiden zaten in het verzet. Inge had een tekentalent en werd ingezet bij het vervalsen van paspoorten en andere documenten. Bij een inval van de Duitsers op hun verzetsadres in Utrecht werd zij in 1944 gearresteerd en later bij een vluchtpoging zwaar gewond. Zus Mechteld slaagde er bij diezelfde overval in via een raam te ontkomen, en overleefde de oorlog. Inge overleed op 23 februari 1945 in het concentratiekamp Ravensbrück. De naam van Inge staat op het monument 'Vrouwen in het verzet' , gemaakt door Elly Baltus. Het monument staat in Heerhugowaard, waar 21 straten zijn genoemd naar vrouwelijke verzetsstrijders.

Mechteld zorgde voor springstof voor een overval op het Amsterdamse bevolkingsregister om de joden te beschermen tegen deportatie. De leiding van die operatie was in handen van Wil Sandberg, Gerrit van der Veen, Willem Arondeus en Johan Brouwer

Ook Alfer,de oogapppel van Van Hardenbroek, de eerstgeborene uit zijn tweede huwelijk, stierf in de oorlog. Hij kwam om bij een bombardement in Berlijn op 9 april 1945.

Bron

Gezin van Hardenbroek van Ammerstol :

Arnoud, baron van Hardenbroek van Ammerstol, geb 27 Aug 1875

* trouwt 1: 12 Jan 1899 Scheiding 7-1-1913 met

Cecilia Leembruggen, b. 24 Aug 1877, Lisse overl 1927
Kinderen uit eerste huwelijk:

- Barones Maria Cornelia Susanna van Hardenbroek van Ammerstol, b. 26 Oct 1901, Lisse
- Baron Gijsbert Carel Duco van Hardenbroek van Ammerstol, b. 7 Jun 1903, Lisse

* trouwt 2: 8 Jul 1915 in Heemstede met
Cornelia Leembruggen, zij was de zus van Cecilia. b. 9 Jun 1882, Lisse
Kinderen uit tweede huwelijk :

- Baron Alfer Arnoud van Hardenbroek van Ammerstol, b. 17 May 1916, Heemstede
- Barones Mechteld Cornelia van Hardenbroek van Ammerstol, b. 12 May 1918, Heemstede
- Barones Aleid Ingeborg van Hardenbroek van Ammerstol (Inge) b. 27 Feb 1921, Heemstede
Geluk is niet afhankelijk van dingen buiten ons,
maar van de manier waarop wij die zien. (Tolstoj)
pi_24648721
Volgens een Paroolartikel van enige maanden geleden blijkt: vrouwen zijn minder spectaculair heldhaftig dan mannen. Hun zedelijke moet ligt op een ander terrein Tijdens W.O. II blijkt dat:
Duitse vrouwen beschermden hun joodse echtgenoten. Duitse mannen stonden toe dat hun joodse vrouwen naar de concentratiekampen werden gedeporteerd. Voor beide voorbeelden gelden uiteraard [on]gunstige voorbeelden.
iedere engel heeft een duivelse kant.

Forum Opties
Forumhop:
Hop naar:
(afkorting, bv 'KLB')